Boeken

 over componisten

 

© Maarten Brandt, maart 2022

 

Elmer Schönberger: Inspiratie wantrouw ik ten zeerste - Otto Ketting, een componistenleven

Uitgeverij Prometheus (2022)
ISBN 978-90-446-4132-5
384 blz., geïllustreerd
Verkoopprijs € 35,--

www.uitgeverijprometheus.nl

www.ottoketting.nl/schonberger


Otto Ketting (1935-2012) is misschien wel een schijnbaar – althans op het eerste gezicht – zeer nuchtere, maar niettemin tegelijkertijd ook uiterst raadselachtige componist. Zeker van onze vaderlandse bodem. Hoewel hij, evenals de Notenkrakers, niet alleen begaan was met het muziekleven, maar het ook wilde vernieuwen, was zijn benadering volledig gespeend van om het even welke evangelisatiedrang, politieke drammerigheid of nozemachtige instelling. Een instelling die zeer kenmerkend was voor het gedrag van de onder meer uit Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw en Peter Schat bestaande ‘angry young men' die op 17 november 1969 in de muziektempel aan de Van Baerlestraat een optreden door het Concertgebouworkest onder leiding van hun toenmalige chef Bernard Haitink verstoorden. Hetzelfde Concertgebouworkest dat achtereenvolgens geleid door Hans Rosbaud en diezelfde Haitink onvergetelijke vertolkingen ten beste gaf van wat misschien wel een van de meest imponerende naoorlogse symfonieën uit ons land mag worden genoemd: Kettings Eerste! (de uitvoering onder Haitink vond de componist de beste ooit!). In dit werk zet hij zich op een onvergelijkbare en ‘einmalige' wijze uiteen met een van zijn grote idolen: Alban Berg en in het bijzonder diens Drei Orchesterstücke. Typisch zo'n stuk dat je maar een keer kunt schrijven en wat dat betreft op een lijn kan worden gesteld met meesterwerken als bijvoorbeeld Schönbergs Erwartung of Xenakis' Mestastasis dan wel Ligeti's Atmosphères, composities die weliswaar fundamenteel van elkaar verschillen, maar wel dat unieke met elkaar gemeen hebben.

In de onlangs verschenen biografie van Elmer Schönberger valt over het ontstaan van die Eerste symfonie te lezen, waarbij de auteur mede citeert uit het uitgebreide interview dat collega Aart van der Wal voor onze site met Ketting had (klik hier), dat zijn schepper enorm met de vorm worstelde. Een omstandigheid die zich trouwens ook Louis Andriessen herinnerde, getuige een aan zijn collega – toen woonachtig op de Perponcherstraat in Den Haag - gerichte brief ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag en waarin nog het feit wordt gememoreerd dat Ketting zijn aanvankelijk in drie delen geconcipieerde symfonie tot een geheel zou moeten samenvoegen. Dit trouwens ook op aanraden van zijn eveneens componerende vader Piet Ketting, want aanvankelijk was zijn zoon voornemens zijn orkestrale creatie ook ‘Drei Orchesterstücke' te noemen.

Compliment
Die Eerste symfonie zou niet de laatste zijn, want hij schreef er – de aan het ASKO|Schönberg Ensemble opgedragen Kammersymphonie inbegrepen - maar liefst zes, zodat het beslist niet te ver gaat Ketting tot de belangrijkste naoorlogse symfonici van Nederland te bestempelen. Zeker als men daar ook nog de nodige andere orkestwerken van symfonische statuur bij optelt. Hieruit blijkt al voldoende wat Ketting niet was - en dat komt uit Schönbergers boek dan ook duidelijk naar voren - namelijk een beeldenstormer. Zeker, hij was wel een vernieuwer, wat ook zonneklaar blijkt uit de talloze essays – onder meer gepubliceerd in de De ongeruste parapluie en het onder redactie van Ton Hartsuiker en mij uitgegeven Time machine, over en door Otto Ketting – die hij het licht deed zien en waarin een beurtelings aangenaam relativerende en cynisch-humoristische toon, zij het altijd in dienst van de zaak waar het om ging, om het voorste gelid strijden.

Op de barricaden staan voor de noodzakelijke innovaties van het muziekleven? Zeker! en hoe! Maar nooit ten koste van de instituties zelf, want Ketting was net als Henze (en zelfs Boulez!) van mening dat dergelijke vernieuwingen, wilden ze zinvol zijn, nooit van buitenaf konden worden opgelegd, laat staan afgedwongen, maar van binnenuit. En niet in de laatste plaats vanuit het episch centrum van de symfonische cultuur. Ook dat valt heel goed door de regels van Schönbergers exposé heen te lezen. Wat overigens zeer opmerkelijk is voor deze auteur die zich geruime tijd in het ‘Umfeld' van de Notenkrakers heeft bewogen. Natuurlijk worden ze af en toe genoemd, omdat de historische context dat nu eenmaal vereist, maar altijd vanuit de positie van een kritische distantie. Alleen al daarvoor verdient Schönberger zonder meer een groot compliment.

Twijfels, voetangels en klemmen
“Inspiratie wantrouw ik ten zeerste” is een typische Ketting-uitspraak en treft het wezen van zijn creatieve persoonlijkheid tot in de kern. Ook ik had het grote genoegen hem goed te hebben gekend en de ontmoetingen naar aanleiding van deze of gene compositie in verband met programma- en cd- toelichtingen waren legio. Bij dergelijke gelegenheden verstrekte hij de gewenste informatie altijd zakelijk, pragmatisch en zonder ook maar enige zweem van al dan niet valse romantiek of sentiment. Ook aan allerlei ideologische rimram had hij een geduchte hekel. Muziek was een vak waar je keihard voor moest werken en waarbij de weg naar het uiteindelijke resultaat dubbeldik was geplaveid met twijfels en andere voetangels en klemmen, een wetenschap waar Schönberger bij herhaling aan refereert. Toch was die inspiratie er wel degelijk, maar in tweede en meestal pas derde instantie. De nestor der Poolse avant-garde Witold Lutoslawski (met wiens klinkende nalatenschap Ketting niet veel ophad, maar dat is een ander verhaal) zei het treffend aldus:

“Het is als het goed is ook de inspiratie die het proces niet alleen in gang zet, maar ook in gang houdt. Maar dat komt niet vanzelf. Er moet hard voor worden gewerkt. De verbeeldingskracht moet altijd gemobiliseerd zijn. Inspiratie is niet iets dat je zomaar even in de schoot wordt geworpen. Zonder mentale inspanning of (…) mentale improvisatie komt er geen inspiratie.”

Biografie van ongeveer drieënhalve minuut
Fascinerend is het dan ook om in dit verband te lezen wat Schönberger over deze materie schrijft naar aanleiding van Kettings Vierde symfonie en dat ik als een van de hoogtepunten van dit boek beschouw:

“Het eerste blad – symph 4 staat er boven – is gevuld met vijf systemen, elk bestaande uit een regel vierstemmige akkoorden voor respectievelijk 4 trbn, 4 cor en 4 trmp (trombones hoorns en trompetten) en een baslijn voor tba (tuba). Er is op een enkele aanduiding na geen ritme en ook het metrum ontbreekt. Wel is er een tempoaanduiding: kwartnoot= 69.”

“Het tweede blad, dat sneller en impulsiever lijkt geschreven, is een uitwerking van het eerste blad: de hoogste noten van de vierstemmige akkoorden en de baslijn zijn in beweging gezet, met andere woorden, van ritme en maat voorzien.”

“Het derde blad maakt een sprong naar een passage die in de definitieve partituur in maat 320, dat wil zeggen, ruim 13 minuten later, begint en in maat 359 eindigt. Het is opnieuw een tweestemmige passage, bestaande uit een baslijn en een springerige melodielijn, en wederom suggereert het slordige handschrift – slordig in vergelijking met het voorbeeldige Reinschrift dat we van de componist kennen – ongeduld en spontaniteit.”

“Het vierde blad (str + 5tromm : strijkers en trommen) bevat een schets voor de muziek van nog weer twee minuten later (m. 445-466 in de definitieve partituur): bovenaan twee systemen met akkoorden; in het midden, verdeeld over vijf regels en nog woester neergepotlood, de bovenstem van deze akkoorden maar nu ritmisch uitgewerkt; en helemaal onderaan een zeer vluchtige schets (koraal koper) die de eindstreep niet heeft gehaald.”

“Minstens zo opmerkelijk als het gesuggereerde maakproces (er zijn nog allerlei tussenstadia denkbaar) is de stelligheid van het eenmaal genoteerde: de verschillen in toonhoogte en ritme, tussen schets en partituur zijn nagenoeg nihil. Wat in de schets nog geheel ontbreekt is de autonome ritmische laag van het slagwerk, die in een later stadium aan de muziek van blad 1 en blad 4 is toegevoegd.”

"En de instrumentale klank waarin zich dit alles manifesteert? Die zit, voor zover niet expliciet vermeld, nog geheel in het hoofd van de maker – en zelfs dat misschien niet, althans niet gedetailleerd.”

"Tot zover de zeer onvolledige biografie van ongeveer drieënhalve van de in totaal vierentwintig minuten die de Vierde symfonie duurt.”

Dissonante geluidsmuur
Veelzeggend over Kettings werkwijze is ook een citaat van hemzelf, verwerkt in een interview met Bas van Putten, dat ook in de biografie van Schönberger is opgenomen en waarin het gaat over het orkestwerk Kom, over de zeeën, zijnde het sluitstuk van het verder uit De overtocht, Het oponthoud en De Aankomst bestaande vierluik voor sterk uiteenlopende instrumentale formaties:

“Verdomd, eindelijk een harmonisch proces dat niet tot het laatste moment beheersbaar is,” merkte Ketting achteraf op over het slot. Een stapeling van vier akkoordsequenties, elk met een eigen ritmische structuur en een eigen instrumentatie. En dat terwijl hij van plan was de hele zaak onder controle te houden. “Maar dat gaat niet met vier dingen tegelijk aan je kop. Was ik wel tevreden mee, ja.”‘

Waarbij nog zij aangetekend dat Erik Voermans in zijn recensie van de vuurdoop door het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly in Het Parool niet voor niets gewag maakt van “de onontkoombare ontwikkeling naar een overweldigende, buitengewoon dissonante orkestrale geluidsmuur.”

Inspiratie. Ketting mag dit fenomeen nog zo wantrouwen, op de achtergrond speelt het, zij het nog zo onbewust, toch een niet te verwaarlozen rol. Dat Schönberger deze kwesties aansnijdt, leidt onherroepelijk tot de vraag of zijn publicatie wel een biografie is, dus een genre dat beoogt een historische levensbeschrijving te bieden. Ik ben bij nader inzien geneigd, en dat moet absoluut niet als een waardeoordeel worden opgevat, die vraag ontkennend te beantwoorden. Ik zou eerder van een monografie willen spreken, waarbij niet zozeer naar een feitelijke volledigheid wordt gestreefd alswel wordt getracht langs een aantal hecht geprofileerde lijnen een beeld op te roepen van degene die in het middelpunt van het betoog staat; en wat nog belangrijker is: van diens betekenis voor de wereld om hem heen. Daarbij komt nog dat Schönberger van huis uit componist, programmamaker en musicoloog is. En dan ligt het voor de hand dat hij zijn onderwerp, waarbij hij bepaald niet voorbij gaat aan levensgebeurtenissen, maar dat is weer iets anders, in hoge mate vanuit deze disciplines benadert.

Melancholie
Over die levensgebeurtenissen gesproken, is het buitengewoon intrigerend kennis te kunnen nemen van Kettings geworteld zijn in Nederlands-Indië. Neem niet alleen zijn grootvader Otto Knaap, maar ook zijn Indische moeder, met wie het overigens niet goed boterde. Toen ik huize Ketting regelmatig bezocht, en dit laatste al ver voor de gereedkoming van een van zijn fraaiste late orkestwerken, het voor het Concertgebouworkest geschreven Trajecten, waarin die Indische invloed bij vlagen heel duidelijk bespeurbaar is, was ik mij daar totaal niet van bewust. Totdat ik zelf ooit in Indonesië belandde en daarna Ketting (voor mij toen allang Otto) ontmoette, diens toenmalige werk opnieuw grondig ben gaan beluisteren en door een gevoel van melancholie werd overmand die ik ook bespeurde toen ik de tropen weer moest verlaten. En daarmee raak ik aan het unieke van Kettings stijl die aan de ene kant soms even ‘aards' is als die van Louis Andriessen – Schönberger signaleert onmiskenbare verwantschappen tussen bijvoorbeeld diens De Staat alsmede Kettings Time Machine (in dit geval een pre-echo, want toen dit – wereldwijd meest gespeelde Nederlandse - opus werd voltooid was De Staat nog niet geschreven) en de Symfonie voor saxofoons – maar waarin ook onherroepelijk die typisch bergiaanse grandeur voor het grijpen ligt, getuige de adagiosecties van die Saxofoonsymfonie (feitelijk Kettings Tweede symfonie).

Veel zou er nog te zeggen zijn over Schönbergers Ketting-monografie, zoals over de tekstdelen die de hoofdstukken inleiden en waarin de auteur werkelijk dusdanig fraai taalgebruik hanteert dat men dikwijls niet door heeft of hij het is die aan het woord is of de componist met wie hij als het ware in een monologue intérieure is verwikkeld. Natuurlijk ontbreekt ook een hoofdstuk over Ithaka niet, Kettings muziekdramatische Opus Magnum, waarbij Schönberger als dramaturg was betrokken en dat diende ter opluistering van de opening van het Nieuwe Muziektheater in Amsterdam op 23 september 1986, maar waaraan de componist vanwege de slechte enscenering van Frans Marijnen niet meer wenste te worden herinnerd. Het valt vurig te hopen dat er nog eens een totaal andere en meer allusieve enscenering van dit bijzondere werk tot stand komt, een aanpak meer in lijn met het symbolistische theater zoals dat bijvoorbeeld in Debussy's Pelléas et Mélisande manifest is (naast Wozzeck, Lulu en The rake's progress Kettings lievelingsopera).

Uniek materiaal
Maar wat deze uitgave extra begerenswaardig maakt is dat men toegang krijgt tot een aparte met het geheel verbonden zijnde website, te weten: www.ottoketting.nl/schonberger. Daarop zijn niet alleen talloze notenvoorbeelden en allerhande documenten te zien, maar ook fragmenten uit opnamen te horen die zowel op cd zijn verschenen, maar ook deels nu voor het eerst voor een groot publiek toegankelijk zijn gemaakt. Ook de relatie tussen sommige van Kettings filmmuzieken met andersoortig werk wordt hierdoor extra duidelijk. Zoals bijvoorbeeld de link tussen Cinéma invisible en het openingsdeel van Kettings bijna zwanenzang, de Zesde symfonie (zijn allerlaatste werk is het Trio voor viool, klarinet en piano ‘Dubrovnik'). Ook kan de huidige generatie voor het eerst kennisnemen van het Concertino voor Jazzkwintet en symfonieorkest. Via duidelijke tekentjes in het boek wordt men naar de bewuste bestanddelen van deze verder voortreffelijk en grondig samengestelde website vol uniek materiaal heengeleid. Alleen al daarom is dit boek (of beter wellicht nog: productie) een grandioze aanwinst op het gebied van de Nederlandse muziek die op onze podia zo schromelijk wordt verwaarloosd. Het in fraaie stijl geschrevene in combinatie met wat er te horen en te zien valt roept niet alleen de wederwaardigheden van een componist op, maar tevens het beeld van een tijd die voorgoed voorbij lijkt en ook weer samenhangt met die ondoorgrondelijke en raadselachtige weemoed waarvan Kettings klinkende nalatenschap tot in het merg is doortrokken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links