Boeken

 over componisten

 

© Gerard van der Leeuw, juni 2020

 

 

Jan Caeyers: Beethoven - een biografie

De Bezige Bij, 672 blz., gebonden, met afbeeldingen, uitvoerig notenapparaat, bibliografie, illustratieverantwoording
en werken- en personenregister

Verkoopprijs € 39,99

ISBN: 978 94 031 7450 1

www.debezigebij.nl

 

 


Beethovenjaar. Beethoven werd inmmers 250 jaar geleden, op 16 december 1770 in Bonn geboren. Uiteraard wordt e.e.a. (vooral) commercieel uitgebuit. Waarbij de overbekende cliché’s weer opduiken: Beethoven als norse, dove, ongelukkige, woeste, het noodlot bij de keel grijpende gigant. Maar natuurlijk zijn er de nodige lichtpuntjes. Zoals de biografie van Jan Caeyers waarvan eind vorig jaar een geheel nieuwe versie is verschenen.

Om maar met de deur in huis te vallen: de Leuvense dirigent en musicoloog Jan Caeyers schreef een meesterwerk. Niet voor niets werd zijn biografie uitgeroepen tot de officiële Beethoven biografie van dit Beethovenjaar. Het werk werd inmiddels dan ook meerdere malen vertaald.

De biografie verscheen al eerder (hier door Aart van der Wal besproken); de eerste druk dateert uit 2009, maar voor deze herdruk werd hij grondig herzien. Het hier en daar al te barokke taalgebruik werd vereenvoudigd, enkele aperte fouten - de verkeerdelijk gesitueerde beroemde ‘foutieve’ hoorninzet vlak voor de reprise in het eerste deel van de Eroica e.d. - werden verbeterd en het geheel werd onder het toeziend oog van het Beethoven-Haus in Bonn op de laatste stand van de wetenschap gebracht. Vooral de relatief minder bekende vroege jaren van Beethoven werden grondig aangepakt. En met succes!

Er is in het verleden met Beethoven heel wat afgesold. Er werden leugens verspreid (Anton Felix Schindler, Johann Schenk e.a.), brieven vernietigd, dagboeken verbrand, documenten vervalst etc., allemaal ter meerdere glorie van het gewenste beeld: een hagiografie; het beeld van een onaangepast, onhandig, in zichzelf gekeerd, doof, maar muzikaal genie. Of zoals Aart van der Wal het in februari 2011, bij verschijnen van de eerste druk van dit boek zo mooi formuleerde:

Beethovens nobele en minder fraaie karaktertrekken, zijn (veelal
vermeende) inspiratiebronnen, nogal buitenissige levensgewoonten (een sterke voorkeur voor kroeg en kroes), zijn vele ziekten en de niet minder talrijke hoogte- en dieptepunten hebben weliswaar veel boeiend biografisch materiaal opgeleverd maar tegelijkertijd het beeld over hem ernstig vertroebeld en menigmaal zelfs tot een karikatuur gemaakt. Om het nog bonter te maken werd zijn muziek navenant gepsychologiseerd en werden de vertolkingen daarop afgestemd, met alle nadelige gevolgen van dien. De enige remedie tegen het verduisterde Beethovenbeeld is het wetenschappelijk onderzoek dat begint waar al het onderzoek moet beginnen: bij de bron. Dat is gelukkig goed opgepakt en de resultaten daarvan zijn en worden verantwoord

In deze biografie maken we kennis met een heel andere Beethoven.
Een onstuimige, doelbewust aan zijn carrière werkende, vaak tot over zijn oren verliefde Beethoven (er is zelfs sprake van een onecht kind Minona - men kende zijn Goethe). Een Beethoven die door zijn toenemende doofheid in toenemende mate vereenzaamde, maar die door diezelfde doofheid zichzelf genoodzaakt zag tot een diepgravende zoektocht naar zin en betekenis van zijn kunstenaarschap. Een mens van vlees en bloed die met vallen en opstaan van de nood (doofheid) een deugd (geniale muziek) wist te maken.

En hoewel echt diepgravende muziekanalyses in deze biografie
terecht ontbreken, is Caeyers (hij doceert in Leuven muziekanalyse)
analyticus genoeg om ook uiterst interessante dingen over Beethovens muziek te zeggen. Lees bijvoorbeeld eens hoe knap hij leven en werk weet te integreren in zijn bespreking van een relatief onbekend werk van Beethoven: de liedcyclus An die ferne Geliebte, die Beethoven schreef kort na de in het boek uitvoerig besproken gebeurtenissen rond de ‘unsterbliche Geliebte’: ‘We kunnen ervan uitgaan dat Beethoven zich toen niet veel illusies meer maakte op het vlak van de grote liefde voor de ideale vrouw. Zoals eerder vermeld schreef hij in mei 1816 aan Ries: "Doe veel groeten aan uw vrouw. Helaas heb ik er geen. Ik vond slechts één ware, maar ik zal haar nooit kunnen krijgen [onderstreping door Beethoven]. Dit inzicht heeft waarschijnlijk bevrijdend gewerkt, en het valt niet uit te sluiten dat Beethoven en Josephine (1) het precies daarom in die tijd goed met elkaar konden vinden.'

BeethovenBeethoven heeft dit belangrijke moment van onthechting en berusting muzikaal gedocumenteerd in de liedcyclus An die ferne Geliebte (op. 98) die hij in april 1816 had beëindigd. De tekst van de uit Brünn afkomstige geneeskundestudent Aloïs Isidor Jeitteles werd nooit apart gepubliceerd, en de auteur heeft hem waarschijnlijk in manuscriptvorm aan Beethoven persoonlijk overhandigd. Hij was echter zo op Beethovens lijf geschreven dat de indruk ontstaat dat hij op bestelling is geschreven. Daarnaast is het bekend dat Beethoven de tekst nog meer naar zijn hand heeft gezet door aan het eerste gedicht en extra strofe toe te voegen. Later, vlak voor het verschijnen van de eerste druk, zou hij ook nog de titel veranderen: Die entfernte Geliebte werd veelbetekenend Die ferne Geliebte. De inhoud van de cyclus spreekt voor zich. Nadat de liefhebbende dichter in het eerste lied zijn gevoelens over het afscheid en zijn verlangen naar de afwezige geliefde beschreven heeft en hij in het tweede lied de verwijdering gemeten heeft in termen van bergen, dalen en wouden, vraagt hij in het derde lid aan de vogels, de wolken en de riviertjes om zijn gejammer en smekend verlangen aan haar over te brengen; vervolgens vraagt hij in het vierde dit aan diezelfde vogels, wolken en riviertjes om hem naar haar te brengen, zodat hij haar kan liefkozen; maar hoewel de meimaand alle liefhebbenden - bijvoorbeeld de vogels - bijeenbrengt, blijft hem volgens het vijfde lied dit voorrecht en deze vreugde ontzegt; ten slotte stuurt de dichter deze liederen naar zijn geliefde, in de hoop dat zij ze zal zingen; enkel op die manier kunnen de tijd en de afstand die hen scheiden, worden overbrugd.

Dit is meer dan een boodschap aan de geliefde, het is een bericht aan de wereld. Door deze gedichten de toonzetten én uit te geven deed Beethoven immers een publieke bekentenis die zowel de bevestiging van het bestaan als het afstand nemen van zijn ‘onsterfelijke geliefde’ bevatte. Deze hymne aan de verloren liefde is echter vooral een loflied aan de kunst, het enige overgebleven communicatiemiddel tot de geliefde, wat dan weer een metafoor is voor de eigen ambitie van de gelouterde en hardhorige Beethoven om via de muziek met de buitenwereld in verbinding te blijven. En net zoals de dichter in het laatste deel van [de] cyclus zonder uiterlijk vertoon (’ohne Kunstgepräng’) zingt, zo schreef Beethoven in deze nieuwe fase in zijn compositorische leven muziek die ontdaan is van alle overbodigheid en die duidelijk contrasterende met het holle geblaat dat hij tijdens het Weense Congres had geproduceerd.(2) Op die manier zou men deze liedcyclus als een artistiek statement kunnen opvatten.

Veel dingen waren effectief nieuw. An die ferne Geliebte staat geboekstaafd als de eerste echte liedcyclus - op de titelpagina wordt hij ‘Liederkreis’ genoemd - waarop alle romantische componisten, van Schubert tot Brahms, zich oriënteerden. Gewoonlijk wordt daarbij verwezen naar het feit dat de zes liederen via korte overgangsstukken aan elkaar zijn gelast, dat alle liederen gebaseerd zijn op motieven die afgeleid zijn uit het eerste deel, en dat aan het slot de beginthematiek terugkeert. De geliefde echoot dan inderdaad het nostalgische openingslied - van de hoop dat zei de boodschap is begrepen en de cirkel sluit. [..] (3)

Toch bevindt het baanbrekende karakter van deze cyclus zich op een ander niveau. Terwijl het geheel een structurele complexiteit vertoont door de cyclische opbouw, hebben de liederen zelf een slanke fysiognomie.

Beethoven gaat in deze reductie zover dat bepaalde nummers naar melodische magerheid neigen, en daardoor minder geschikt zijn om als zelfstandig stuk gezongen te worden. Ze houden zich enkel op de been door de power van de piano, die in de loop van de cyclus aan belang wint. Door deze nieuwe eenvoud en kwetsbare puurheid ontstaat een enorme toename aan expressieve kwaliteit die de weg toont die Beethoven later zal bewandelen in het ‘Ode an die Freude’-thema uit de Negende symfonie en bepaalde delen uit de late pianosonates en strijkkwartetten die als Arietta, Arioso, Cavatina en Recitativo werden betiteld. Hetzelfde kan gezegd worden van het spel met de tonaliteiten en de modulaties. In An die ferne Geliebte heerst een tonale gereserveerdheid en ongedefinieerdheid die heel rustgevend werkt en die de plaats heeft ingenomen van de grote dramatische en doelgerichte ontwikkelingen die typisch waren voor de vroegere Beethovenmuziek. Ook dat is de voorbode van een terughoudendheid die veel van de latere muziek van Beethoven zou kenmerken. An die ferne Geliebte is dus om meer dan één reden een sleutelstuk. Het sluit een turbulent hoofdstuk uit Beethovens privéleven af, maar opent, na een woestijntocht die vier jaar heeft geduurd, nieuwe muzikale perspectieven. Het is een kenmerk van genieën dat zij in moeilijke momenten, meer onbewust dan bewust, aanvoelen welke nieuwe horizonten zij moeten opzoeken: de Vioolsonate in G (op. 96) en nadien de Klaviersonate in E (op. 90) waren voor Beethoven, ook al was hij daar nog niet op bedacht, de eerste glimpen van dat nieuwe licht.’ (4)

Natuurlijk zijn er ook wel een paar minpuntjes. Caeyers’ al te enthousiaste gebruik van Engelse woorden en termen bijvoorbeeld. Woorden die ook nog eens volstrekt a-historisch gebruikt worden. Het is jammer dat daar in deze nieuwe druk niet wat beter op gelet is. De schaarse notenvoorbeelden zijn wel erg klein afgedrukt. En dat is jammer. Maar als geheel is dit een grandioos boek, mooi, zij het uitsluitend in zwart-wit geïllustreerd, goed geannoteerd. Personen- en werkenregister zijn voortreffelijk.

En het is een voorrecht het in de originele taal te kunnen lezen. Ik heb de diverse vertalingen niet vergeleken, maar hoeveel niet- Nederlandstaligen zullen de titel van hoofdstuk 13 uit deel vijf, De ontdekking van de hemel, begrijpen als een hommage aan Harry Mulisch? Bij de Bezige Bij, zowel uitgever van Mulisch als van Caeyers, zullen ze er om gegniffeld hebben…. Ook de verwijzingen naar Macchiavelli, Strindberg en Canetti zal ze niet zijn ontgaan. Een prachtboek dat uitnodigt opnieuw en anders naar Beethoven te luisteren.

__________________
(1) Josephine von Brunsvik (1779-1821), volgens Caeyens de meest waarschijnlijke ‘unsterbliche Geliebte’.
(2) Men kan hier denken aan de cantate Der glorreiche Augenblick (op.136), inderdaad een van Beethovens zwakste werken. In het voetspoor van het Congres werd ook Beethovens in deze biografie uitvoerig besproken Wellingtons Sieg oder die Schlacht bei Vittoria (op.91) mateloos populair. (GvdL)
(3) In de tekst hier twee verklarende notenvoorbeelden, die ik, ook al omdat ze wel erg klein afgedrukt zijn, heb weggelaten. (GvdL)
(4) Geciteerd naar het besproken boek, p. 463v.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links