Boeken

 over muziek (algemeen)

 

© Emanuel Overbeeke, augustus 2022

 

Pieter Bergé, David J. Burn & Antonio Chemotti (ed.): The Book of Requiems – From the earliest ages to the present period 1450-1550

Leuven University Press 2022
ISBN 9789462703261
208 blz., gebonden en geïllustreerd
Verkoopprijs € 70,--

https://lup.be/collections/category-music/products/179223


Dit boek moet het eerste deel worden van een serie over de geschiedenis van een genre. In hoeverre het eerste deel over de periode 1450-1550 representatief wordt voor deze gehele serie, ligt niet alleen aan de medewerkers, maar ook aan het onderwerp. Hoe dichter we bij het heden komen, hoe meer we meestal weten over het onderwerp (kort door de bocht gezegd) zodat auteurs met het onderwerp anders kunnen omgaan. De zeven hoofdstukken in dit deel met in ieder één requiem centraal gesteld, hebben ongeveer dezelfde opzet waarin veel kwesties terugkeren: datering, context, trouw aan tekst, wat te doen bij verschillende versies, hoe de relatie tekst-muziek te interpreteren. Als de auteurs op dit punt richtlijnen van de redactie hebben ontvangen, dan in de volgorde van de onderwerpen, niet in de aanpak. Na drie algemene hoofdstukken (de inleiding van de redacteuren, het gregoriaanse requiem door Sarah Ann Long en het vakmanschap in polyfonie door John Milsom) volgen zeven hoofdstukken over en naar aanleiding van zeven werken, geschreven door vijf auteurs: Fabrice Fitch (over Johannes Ockeghem), Honey Meconi (Pierre de la Rue en Antoine de Févin), David Burn (Antoine Brumel), Jennifer Bloxam (Dionisius Prioris en Jean Richafort), Tess Knighton (Pedro de Escobar) en Stephen Rice (Claudin de Sermisy).

De meeste auteurs zijn voorzichtig met algemene uitspraken, zowel als het gaat om de plaats van dit ene werk in het oeuvre van de maker als om de plaats van de componist in zijn tijd (een uitzondering is Tess Knighton die graag spreekt over de Iberische praktijk). Het zoeken naar de juiste, d.w.z. controleerbare feiten deed mij voortdurend denken aan een opmerking van de schrijfster en musicologe Hélène Nolthenius, gespecialiseerd in het Italië van de middeleeuwen, dat het werk van een mediëvist veel lijkt op dat van een detectiveschrijver (Nolthenius schreef ook detectives). Ik kreeg steeds meer respect voor de creativiteit van de onderzoekers die soms even machteloos staan als hun voorgangers op wie zij bouwen, al weet ik vaak niet (en ik nog minder dan de medewerkers) of ze gelijk hebben. De opbouw van het boek suggereert dat de eerste drie hoofdstukken een kader of context verschaffen waarna de afzonderlijke requiems kunnen worden opgevat als individuele varianten. Als dat de bedoeling was, dan komt die gedeeltelijk uit de verf, vooral als het gaat om de persoonlijke zetting van de tekst. Bij de bespreking van de afzonderlijke requiems worden de composities per tekstdeel doorgenomen, soms per tekstregel, telkens om aan te tonen dat de muziek een vaak menselijke expressie is van het woord. Terwijl veel mensen denken dat die expressie pas goed begint met de vroege barok, doen alle auteurs moeite aan te tonen dat de vele contrapuntische hoogstandjes en varianten op het gregoriaans en op passages bij andere componisten er primair niet staan ter wille van de verklanking van de goddelijke perfectie of als constructie omwille van de constructie. Al deze auteurs lijken er vooral op uit om het expressieve en navoelbare ervan bloot te leggen, ook al moet men daarvoor wel onmiskenbaar tot de elite behoren (grote kennis van het Latijn, de bijbel, de liturgie en andere componisten in dit idioom – gelukkig staan de fragmenten afgedrukt in moderne notatie). De analyses zijn goed te volgen voor mensen die goed zijn in analyse en redelijk vertrouwd met renaissancemuziek - beginners worden amper bij de hand genomen. Waarom de auteurs en editors juist deze requiems hebben gekozen, blijft een raadsel. Zijn ze bekender, zijn edities beter beschikbaar, zijn ze meer representatief voor de maker of hun omgeving, zijn het de beste werken van de maker of van dit milieu? Deze vragen worden gedeeltelijk behandeld. De antwoorden zijn meestal bondig gesteld.

De auteurs hebben niet gestreefd naar een uitputtende behandeling van ‘hun dodenmissen'. Elk hoofdstuk bevat een uitvoerig overzicht van literatuur, edities en bronnen. Bovendien wordt ook veel aan de lezer overgelaten, met name als het gaat om de vergelijking van de werken. De editors hebben niet gestreefd naar een synthese. Als het boek is opgezet als een soort bloemlezing van goede besprekingen, dan is het geslaagd. Wellicht of beter waarschijnlijk zijn de volgende delen minder elitair. Ten eerste omdat we terecht komen in de periode waarin ten eerste een vorm van expressie opkwam die nog steeds de basis vormt voor de expressie in veel muziek. Ten tweede omdat veel meer bekend is over de achtergronden van de werken, zeker na 1800. Daarnaast kreeg ik meer respect voor een van de editors Pieter Bergé van wie ik tot nu toe alleen zijn meer populariserende publicaties kende, onder andere een boek over het Dies Irae*, maar die ook in het werk voor de ivoren toren boeiende resultaten bereikt.

________________

*Gratis te downloaden: https://lup.be/collections/category-music/products/181248


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links