Actueel

Bachfest Leipzig 2016:

'Geheimnisse der Harmonie'

 

© Aart van der Wal, juli 2016
Fotos: © Gert Mothes & Aart van der Wal

 

 

Het succes van het traditionele Bachfestival dat van 10 tot 19 juni in Leipzig werd gehouden onder het motto 'Geheimnisse der Harmonie' kan afgemeten worden aan zowel het grote aantal bezoekers als concerten, lezingen en andere festiviteiten. Dit jaar werden 58.000 bezoekers geteld, 16.000 minder minder dan vorig jaar. Vorig jaar waren er ook meer evenementen: toen 121, nu 109. De festivalleiding heeft er slechts één verklaring voor: het slechte weer dat tijdens de tien festivaldagen (10-19 juni) danig heeft huisgehouden. Evenals in ons land waren er veel stortbuien, waarvan sommige op de meest ongelegen momenten. Dat had in ieder geval rechtstreekse gevolgen voor de buitenevenementen, waarvan een aantal noodgedwongen moest worden geschrapt. Dat neemt niet weg dat over publieke belangstelling in de kerken en concertzalen niet te klagen viel: de gemiddelde bezettingsgraad bedroeg bijna 90%, met bezoekers uit maar liefst 35 landen, een record op zich, waarvan de meeste uit Engeland, Nederland (jawel!), Zwitserland de VS en natuurlijk Duitsland.

Bach en Reger
Dit jaar lag het zwaartepunt bij Bachs cantates uit diens eerste ambtsjaar als Thomascantor in Leipzig. Die eerste jaargang telt maar liefst 60 cantates, waarvan er 23 tijdens de tien festivaldagen tot klinken kwamen; zelfs 11 cantates op slechts één dag, op zaterdag 18 juni in het kader van de speciaal daarvoor uitgeroepen 'Cantatedag'.
Maar niet alleen Bach stond centraal. Er werd ook veel muziek uitgevoerd van Max Reger, wiens honderdste sterfjaar dit jaar wordt herdacht. Een eerbetoon aan een componist die zich in zijn werk sterk door Bach liet inspireren ("Bach ist für mich Anfang und Ende aller Musik, auf ihm ruht und fusst jeder wahre Forstschritt"), maar dat sinds zijn dood in 1916 wereldwijd alleen nog bij organisten in de belangstelling staat (hoe lang is het alweer niet geleden dat Henk Spruit en zijn Omroeporkest zich in ons land intensief voor Max Regers orkestwerken inzette). Dat kon in die luttele dagen in Leipzig uiteraard niet worden goedgemaakt, maar hopelijk draagt hett wel enigszins bij aan een hernieuwde belangstelling voor deze uiterst creatieve veelschrijver wiens flamboyante en bourgondische leefwijze hem op relatief jonge leeftijd (hij werd 43) fataal werd.

Van en voor kenners en liefhebbers
Ik memoreerde het al eens in voorgaande verslagen: wat het Bachfestival in Leipzig onderscheidt van de meeste andere festivals is het ontbreken van zelfs maar een zweem van decadentie en overdreven luxe. Kom daar maar eens om in Salzburg, Bayreuth, Baden-Baden, Grafenegg of Aix-en-Provence. Het is een festival waarvan de programmering en hetgeen zich in de periferie daarvan afspeelt duidelijk is ontworpen door en voor kenners en liefhebbers in een uitgesproken historische omgeving . De uiterlijke kenmerken van het publiek zijn daarmee keurig in overeenstemming: geen exorbitante kledij, geen 'kijk mij eens' en al evenmin een overmaat van party's en tussen gespreksgroepjes laverende lobbyisten. De glans die het festival omgeeft is die van de muziek en de uitvoeringen, waarbij de vele historische locaties voor een onmisbaar cachet zorgen. In Leipzig is door de eeuwen heen geschiedenis geschreven, in muziek en politiek als in maatschappelijk opzicht. Zo vonden, voorafgaande aan de 'Wende', in de Nikolaikirche vanaf november 1982 de 'Friedensgebete' plaats, in gang gezet door diaken Günter Johannsen en later door andere geestelijken onafgebroken voortgezet. Wat daar aarzelend begon, groeide geleidelijk uit tot een massale demonstratie tegen de DDR-machthebbers, waarbij ook de toenmalige chefdirigent van het Gewandhausorchester, Kurt Masur, zich in de kerk duidelijk uitsprak en zijn engagement met de demonstranten niet onder stoelen of banken stak. Pogingen van de staat om de vredesgebeden zo niet een halt toe te roepen, dan toch 'in te kaderen', hadden niet het beoogde effect. Het verzet in Leipzig, zowel in als buiten de kerk, maakte deel uit van de structuurwijzigingen die het einde van de DDR inluidden. Op 9 november 1989 viel de Berlijnse muur en kwam het proces op gang dat uiteindelijk zou leiden tot een verenigd Duitsland. De permanente tentoonstelling in het 'Zeitgeschichtliches Forum' (Grimmaische Straße 6, op een spreekwoordelijke steenworp afstand van de Thomaskirche) laat het u op indrukwekkende wijze her- of meebeleven.

Overal in de stad volop aandacht voor het Bachfest, zoals op het balkon van de oude handelsbeurs

Een stad ook met een zeer rijke muzikale geschiedenis die van zich doet spreken bij monde van Johann Sebastian Bach, postuum weliswaar, maar daardoor niet minder indrukwekkend. En in het verlengde daarvan aandacht voor Max Reger, de voormalige stadgenoot die alleen al in omvang een indrukwekkend oeuvre heeft achtergelaten, waarvan een deel - hoe bescheiden ook - tijdens het Bachfest in het zonnetje werd gezet. Muziek ook die anders niet of nauwelijks wordt gehoord en voor de gelegenheid uit de mottenballen is gehaald in de - waarschijnlijk ijdele - hoop dat dit leidt tot een heuse Reger-renaissance. Met als kanttekening dat veel van die muziek ronduit schitterend is, maar dat ook sprake is van een keerzijde in de vorm van overvloedige compositorische vingeroefeningen die weliswaar getuigen van een enorme polyfonische denkkracht, maar waarvan het spirituele esprit soms lijkt te ontbreken. Hij lichtte zelf een tipje van die complexe sluier op: "Wer wissen will, was ich will, wer ich bin - der soll sich das ansehen, was ich geschireben habe - wird er nicht klug daraus, versteht er's nicht, so ist's nicht meine Schuld!"

Prettige heenreis
Ik arriveerde na drie jaar afwezigheid (mijn laatste festivalbezoek was door omstandigheden in 2013) op 14 juni, laat in de middag, een toen nog zonnige dag (het zou al snel stevig gaan regenen). Het was een comfortabele verbinding: instappen op het station Rotterdam-Alexander, overstappen in Amersfoort en Hannover, waarna het net zo voorspoedig richting Leipzig ging. De trein, en zeker in de eerste klas, is verre te verkiezen boven de auto, om redenen die u uiteraard zelf kunt bedenken. Een beetje lezen, een beetje werken, hapje en drankje binnen handbereik, ver verwijderd van de zo inmiddels onvermijdelijke files op de Duitse snelwegen, met bovendien 'Baustelle' na 'Baustelle'. Om de gedachte te bepalen: ik kwam twee minuten te laat aan. Dat ik - het is zo langzamerhand slecht gebruik geworden - enigszins spijt had van mijn late aankomst (het festival was al vier dagen aan de gang) had te maken met het enorme succes dat het jonge Britse Solomon's Knot Baroque Collective onder leiding van zijn oprichter Jonathan Seils op 11 juni in de Nikolaikirche ten deel was gevallen. Degenen die erbij waren geweest raakten er maar niet over uitgepraat en meldden en passant het maar niet eindigend slotapplaus na Bachs Magnificat. Jammer, ik had het gemist, maar een paar uur later was er meer dan slechts een pleister op deze schrijnende wonde...dankzij Christian Tetzlaff.

 
  Christian Tetzlaff (foto © Giorgia Bertazzi)

Christian Tetzlaff in de Thomaskirche
Deze Duitse violist begon in de tot de laatste plaats bezette Thomaskirche (er waren zelfs stoelen bijgezet) om 21.00 uur aan wat op zijn zachtst gezegd een behoorlijke uitdaging was: de sonates en partita's van Bach voor viool solo, BWV 1001-1006, gescheiden door een pauze van twintig minuten.
Geen gekuch, geen geritsel, diepe concentratie, veel bezoekers luisterend met gesloten ogen, of verzonken in de partituur. Een bijzonder geïnspireerde Tetzlaff, slechts enige meters verwijderd van Bachs tombe, omringd door brandende kaarsen, met de kerkverlichting gedempt. Een nog sfeervoller ambiance viel werkelijk niet te bedenken. De interpretatie briljant, doorleefd, contemplatief, gloedvol, mede dankzij de toegeeflijke kerkakoestiek zelfs uitdagend romantisch, fantasievol geornamenteerd, het dynamisch discours net zo verbeeldingsvol, pianissimi die hun kern en glans behielden, groots in de geëtaleerde vergezichten, met superieur raffinement en een fijnzinnig oor voor hoofd- en nevenstemmen, in een kleurrijk geschakeerd wisselspel dat de onvoorstelbaar rijke polyfone contouren in deze muziek volmaakt wist te suggereren. Tetzlaff die met zijn grandioze techniek en diepgaand inzicht in deze partituren het beeld opriep van meerdere spelers in het veld. Hij wist zich omringd door een publiek dat na iedere sonate en iedere partita stormen van bijval ontketende. Het wekte geen verbazing dat menigeen door de naar de hemel reikende Ciaccona van de Tweede partita zichtbaar geëmotioneerd was. Bijzonder was ook dat de concentratie bij Tetzlaff zijn onmiskenbare weerklank vond bij het publiek. De titel die de organisatoren aan het concert hadden meegegeven bleek een schot in de roos: 'Nichts vollkommeneres'. Dat gold in dit geval zowel voor Bach als voor Tetzlaff. Een prachtavond.

Sir Roger Norrington repeteert in de Nikolaikirche
Woensdagochtend mijn tweede bezoek aan het persbureau van het Bachfest. Gewapend met persmap, perskaart en een programmatoelichting van het avondconcert bezoek ik de Nikolaikirche waar Sir Roger Norrington met solisten, RIAS Kammerchor en de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen Haydns Harmoniemis, het Sanctus uit Bachs Hohe Messe en de geplande toegift, Mozarts Ave Verum Corpus repeteert. Hij is inmiddels tweeëntachtig en niet meer zo kwiek, maar gebleven is zijn gulle lach, een kneepje hier en daar, een arm om de schouder, die ondeugende twinkeling en tijdens het dirigeren dat grote gebaar dat bij de forti (en die zijn er die middag in overvloed) veelal wegheeft van een maaibeweging. De solisten (Christianne Landshamer, sopraan; Marie-Claude Chappuis, mezzo; Julian Prégardien, tenor; Tobias Berndt, bas), het koor en het orkest hebben slechts weinig aanwijzingen nodig. Norrington onderbreekt nauwelijks, maar heeft nog steeds een scherp oor voor onvolkomenheden, al zijn die vanmiddag zeldzaam. De repetitie loopt als een trein, er wordt veel gelachen, de sfeer is uitstekend. Na een uurtje is het alweer inpakken geblazen, het concert die avond met veel vertrouwen tegemoet ziende.

Roger Norrington vlak voor de repetitie verdiept in de partituur van Haydns Harmoniemis. In het midden de oncertmeester van de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, Yuki Kasai
Tijdens de repetitie

Bach, Haydn, Händel en Mozart
Het avondconcert bood - onder de titel 'Faszination der Harmonie'- een solide combinatie: barok (Bach en Händel) en klassiek Weens (Haydn). De die middag plaatsgevonden repetitie, hoe bondig ook, wierp zijn vruchten af: er was zekerheid alom, geen moment van twijfel, geen enkele aarzeling, iedere in- of aanzet spatgelijk. Norrington cum suis boden een verfrissende kijk op deze zo vertrouwde partituren. Energie en spiritualiteit waren evengoed sleutelbegrippen als vlekkeloze intonatie en een volmaakte balans tussen solisten, koor en orkest. Met de solisten (Christina Landshamer, sopraan; Marie-Claude Chappuis, mezzo; Julian Prégardien, tenor; Tobias Berndt, bas) van links naar rechts opgesteld tussen koor en orkest werd een bijkans ideale versmelting bereikt. Het spetterende, bijna uit zijn voegen barstende, jubelende Sanctus bood, zo bleekt later, alvast een voorproefje op wat Les Arts Florissants onder William Christie tijdens het slotconcert zou laten horen. Fenomenaal pakte ook de Harmoniemis uit, waarin Haydn zijn laatste krachten op dit gebied heeft beproefd. Fascinerend ook hoe Norrington in het Donis nobis pacem de pauken extra liet rollen, alsof hij daarmee nog maar eens wilde benadrukken: "Beethoven was niet de eerste!" Händels 'Ode for St. Cecilia's Day' was niet minder fraai gemodelleerd, zonder de excessieve tempi die menige interpretatie van Norrington aankleeft. Hier was een dirigent aan het werk zonder maniertjes of enige zucht tot 'hineininterpretieren', maar juist in de trant van 'let the music speak'. Na afloop bij het publiek een storm van enthousiasme die lang aanhield en pas goed en wel bedaarde toen de toegift werd ingezet: Mozarts Ave Verum in fluisterzachte halftinten.

Tijdens de uitvoering (in het midden Christina Landshamer)

Orgelfeest in Altenburg
Op donderdag 16 juni 'Bach unterwegs', met vandaag een uitstapje (met goed verzorgd lunchpakket) naar het slot in Altenburg, ongeveer een uur met de bus vanaf de Thomaskirche. Doorgaans twee bussen met een nogal bont gezelschap van muziek- en vooral orgelliefhebbers uit alle windstreken, organisten, koorleiders, muziekwetenschappers, muziekjournalisten, restaurateurs en bouwers van muziekinstrumenten, muziekuitgevers en historici. Men hoort Russisch, Zweeds, Bulgaars, Frans, Nederlands, Vlaams, Duits, Engels, Italiaans, Zwitsers. In iedere bus een gids die veel kan vertellen over de historische locaties die worden bezocht en een vakman of vakvrouw op het gebied van orgels, want de koning der instrumenten staat bij 'Bach unterwegs' centraal. Er wordt niet voor niets over een 'Orgelfahrt' gesproken!

 
  Het Trost-orgel in de slotkerk van Altenburg

Zeker voor de orgelliefhebbers en de organisten is het extra smullen, want in de slotkerk van Altenburg bevindt zich het wereldberoemde Trost-(barok)orgel. Volgens een leerling van Bach, Johann Ludwig Krebs, 'eine so schöne und vortreffliche Orgel, welche doch wenig ihresgleichen hat'. De bouw dateert uit 1735, toen hertog Friedrich III van Sachsen-Gotha-Altenburg zijn eigen 'Hoforgelbauer' Tobias Heinrich Gottfried Trost de opdracht gaf een nieuw orgel te bouwen dat de vorstelijke pracht en praal in vol ornaat moest weerspiegelen. Voor Trost pakte dat uit als de opdracht van zijn leven. Kosten, moeite noch de beste materialen werden gespaard. Het instrument is uitgerust met maar liefst 37 registers en 2223 orgelpijpen. Zelfs een heus klokkenspel ontbreekt niet. Voor het barokprospect werd de hofarchitect Eberhard Straßburger in de arm genomen die precies deed wat van hem werd verlangd: het scheppen van een pronkstuk van jewelste. Dat er 'slechts' sprake is van twee manualen is niet zozeer aan Trost toe te schrijven, maar aan een aanbeveling van de 'Hofkapellmeister' Gottfried Heinrich Stölzel uit Gotha, die tijdens de gehele bouwfase als deskundige was ingeroepen. Het imposante Trost-orgel domineert het gehele koorgedeelte van de kerk, maar nog belangrijker: de klank- en registratiemogelijkheden zijn in overeenstemming met de afmetingen van het instrument en ronduit vorstelijk. Het is echter afhankelijk van de desbetreffende organist of hij zijn (in dit geval zéér leergierige!) publiek kennis wil laten maken met de vele registermogelijkheden. Met de aan de slotkerk verbonden organist Felix Friedrich troffen we het gelukkig goed, want niet alleen wist hij met liefde daarover wist te vertellen, maar had hij ook een programma uitgekozen dat de rijk uitgedoste registers van het Trost-orgel in het fraaist denkbare licht zette, met afsluitend nog een uitvoerige demonstratie van een groot aantal bijzondere registermogelijkheden. In de wandelgangen bleek dat zowel het concert als de demonstratie voor de meeste aanwezigen een ware eye- en ear-opener had opgeleverd; en daar was het uiteindelijk toch om begonnen.

De Grote Passie
Tweemaal Bachs Matthäus-Passion op het programma. Op vrijdag 10 juni ging de Mendelssohn-versie in het Gewandhaus door onder meer het Gewandhausorchester onder Trevor Pinnock en op donderdag 17 juni de oorspronkelijke versie onder John Eliot Gardiner met uitsluitend zijn eigen ensemble: Monteverdi Choir en English Baroque Soloists. Voor de Mendelssohn-versie ben ik nooit warmgelopen door diens nogal eigengereide en niet altijd smaakvolle ingrepen in de instrumentatie en het driest schrappen van recitatieven, koralen en aria's (en alsof dat nog niet genoeg was werden andere aria's bovendien ingekort). Hoe belangrijk en moedig Mendelssohns bewerking in historisch opzicht ook geweest is, het is en blijft een ernstig gemankeerde versie. Het nut van een uitvoering anno 2016 (of opname, zoals onlangs door Jan Willem de Vriend cum suis, elders op deze site besproken) lijkt me daarmee uiterst twijfelachtig.

Gardiner en zijn ensemble trokken naar de Thomaskirche met een wel heel bijzondere opvatting over Bachs Matthäus-Passion: het werk gevat in een heus opera seria gewaad. Het leidt tot een voor de hand liggende vraag: kan dat wel? "The proof is in eating the pudding," zeggen de Engelsen. Wat gelijk al hielp was de puur technische kwaliteit van deze realisatie die zich in de hoogste orde bewoog, zowel wat de individuele zangstemmen, het koor als het orkest betreft; met last but zeker not least de rol van de evangelist, die door de tenor James Gilchrist werkelijk fabuleus werd vertolkt. Alsof ik terug was in de gouden tijd van Kurt Equiluz, de 'verteller' van weleer die emotioneel betrokken was bij het koningsdrama, dat in iedere maat tot uitdrukking bracht, maar er tegelijkertijd als 'waarnemer' in slaagde om de nodige distantie in zijn discours aan te brengen.

John Eliot Gardiner repeteert de Matthäus-Passion in de Thomaskirche

Ook ditmaal had Gardiner gekozen voor de achttiende-eeuwse ripieno-praktijk, al heeft hij dit model niet tot in zijn uiterste consequentie toegepast. Het Monteverdi Choir - dat zo goed is dat individuele koorleden de solistische rollen in deze passiemuziek met groot gemak kunnen zingen - is een 'gewoon' samengesteld koor (dames en heren), terwijl de cantus firmus van het openingskoor aan een jongenskoor is toevertrouwd (in dit geval de 'Thomaner- Nachwuchs-Chöre'). Dat Gardiner vasthield aan de anachronistische praktijk van een apart jongenskoor voor 'O Lamm Gottes unschuldig' is niets anders dan een onuitroeibare faux pas. Het wordt ingegeven door Bachs aanduiding in het manuscript: soprano in ripieno, maar daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat ook de koren 1 en 2 toen uit jongens/knapen bestonden. Jammer was ook dat niet beide vaste orgels werden ingezet, wat in historisch perspectief een goede beslissing zou zijn geweest (hoewel dat dan mogelijk verstemmingsproblemen had kunnen opleveren). Wel werd in de barokstemming gemusiceerd, dat weer wel. Het zou zeker van moed hebben getuigd als Gardiner de toehoorders in de tot de spreekwoordelijke nok gevulde Thomaskirche als gemeente de koralen mee had laten te zingen (Bach heeft ze niet voor niets zo eenvoudig getoonzet). Die traditie lijkt te zijn teruggezakt in de eeuwen die achter ons liggen. Maar dat zou wat zijn geweest!
Maar afgezien van de bezettingskwestie was er sprake van een Matthäus-Passion waarin de dynamische grenzen tussen aan de ene kant vrome schroom en fluisterzachte bezinning en aan de andere kant heftig aangezette dramatiek zelden zo scherp zullen zijn getrokken en met zoveel technisch gemak zijn gerealiseerd. Een ensemble dat vocaal en instrumentaal leek te zijn ondergedompeld in pure luxe schittering en daarbij geen zee te hoog ging. Tot in de kleinste finesses uitgebalanceerd lijkt het de onweerstaanbare vrucht te zijn van een kwaliteitsconcept dat -wordt geschraagd door - het moet gezegd - meedogenloze audities en repetities, en daarin eindeloos vijlen en schaven. Dat proces mondt uiteindelijk wel uit in een hoogstaande vorm van artistieke vrijheid en daardoor mededeelzaamheid, een heel aparte manier van communiceren met het (daardoor!) ademloos luisterende publiek, met als uitkomst een ongekende kracht en schoonheid. Als Gardiner de teugels laat vieren gaat dat ook totaal, alsof hij willens en wetens de controle over het geheel wil opgeven ten gunste van het spontane moment, maar het is de schijn die hier bedriegt. Een wonderbaarlijek ervaring die interpretatieve grootheid impliceert.

Homogeen? Jawel, tot in de haarvaten, maar doelbewust heterogeen als de handeling daarom vraagt (het is een verkeerde gedachte dat zelfs een hysterisch volk met één stem zou moeten spreken). Opera seria? Deze uitvoering leverde het bewijs in optima forma van Gardiners aldus geventileerde opvatting: "There is not a single opera seria of the period that I have studie dor conducted to compare with Bach's two surviving Passions, in terms of the intense human drama and moral dilemma that he expresses in such a persuasive and deeply poignant way' (u kunt het nalezen in zijn boek 'Music in the Castle of Heaven: A Portrait of Johann Sebastian Bach', inmiddels ook beschikbaar in Nederlandse vertaling). Hij vindt daarin steun van niemand minder dan Luther: "Dan Christys leyden muss nit mit worten vnnd scheyn, sondern mit dem Leben vnd warhafftig gehandelt werden." En Luther wist uit eigen ervaring aan den lijve wat vervolging daadwerkelijk betekende. Dat Gardiners 'stilistische invulling' van dit religieuze koningsdrama - hoe kon het ook anders - menigmaal leidde tot nadruk op effect in plaats van affect laat zich raden. Het bleek uit de lange cesuren (zoals een wel erg uitgerekt 'Barrabam!'), de afgedwongen relatief lange stiltes, de dynamische uitvergroting in de turbakoren, de toenemende verscherping van onrecht en aangedaan leed in de aria's (het contemplatieve karakter ervan verschoof daardoor - wellicht doelbewust - soms naar de achtergrond of naar het arioso, een welbewuste keuze overigens) en de menigmaal tot aan de grenzen van de vocalistiek reikende expressie (zoals door de tenor in het recitatief en koraal 'O Schmerz!' en in de tenoraria 'Geduld!'). Maar de eerlijkheid gebiedt ook dat die doorgaans ongrijpbare grens tussen affect en effect menigmaal in het collectieve meebeleven wegsmolt, hetzij in troostrijke momenten, hetzij in sterk geprofileerde dramatiek. Wat daaraan zeker bijdroeg waren de uitzonderlijk gave en diep gekleurde instrumentale soli, het voortdurend spontaan vloeiende samenspel tussen de instrumentalisten, vocalisten en koristen en het niet minder diep gevoelde gevoel van los van de materie te geraken zoals dat zich gaandeweg de uitvoering ontplooide. Er werd uitsluitend uit het hoofd (en het hart!) gezongen (voor Gardiner beide een 'must'), wat ongetwijfeld sterk aan dit ronduit fenomenale beeld heeft bijgedragen. Aan het slot bleek de Sarabande geen wezenlijk eindpunt maar zich in het oneindige voort te zetten, of mogelijk zelfs een nieuw begin symboliserend, misschien wel precies zoals Frank Martin het zich ruim tweehonderd jaar later in zijn 'Golgotha' (1948) heeft voorgesteld; maar ook Rembrandt in zijn beroemde ets van de kruisiging.

Leden van het Monteverdi Choir

Hoe het in Bachs tijd heeft geklonken weten we niet. Wel moet Bach na zijn Johannes-Passion in 1724 en 1725 tot het inzicht zijn gekomen dat de felheid maar ook de snelheid waarmee zich de dramatische handeling daarin voltrok, teveel en te snel van de gelovigen vroeg en dat hij daarom in zijn Matthäus-Passion koos voor meer ruimte aan bezinning, aan overdenking, aan een spritueel gedoseerde voorbereiding van het diep inkervende drama. Minder polemiek, meer ruimte om de tragedie niet alleen muzikaal maar ook inhoudelijk te verwerken. Meer aria's die dit weerspiegelen en nog voorafgegaan door een arioso, met aanmerkelijk subtielere kleuring van de begeleidingsobbligati dan in de Johannes-Passion. Zeker. meer uitgesponnen, maar paradoxaal genoeg trok Bach juist daardoor zijn toehoorders nog dieper het drama in. Dat Gardiner vanuit zijn opera seria benadering daaraan nog een extra dramatische lading meegaf miste dus zijn enorme uitwerking niet. Ik kan mij niet herinneren zoveel spanning en drama in de Matthäus-Passion te hebben gehoord, ook niet in eerdere uitvoeringen van dit werk in de Thomaskirche onder Gardiner, zonder dat de barokke grenzen daaraan ten offer vielen. Het leverde al met al een unieke ervaring op, een ervaring die zich op geen enkele (andere) wijze laat herhalen. Daarmee ontstond een uitvoering die bezien vanuit die optiek ongeschikt zou zijn geweest voor vastlegging op cd of dvd (wat overigens niet is gebeurd). Wie die avond na afloop niet gelouterd de Thomaskirche verliet, had duidelijk iets gemist. Soli Deo Gloria!

Na gedane arbeid...
 
  Jihoon Song aan het Silbermann-orgel in de Georgenkirche in Rötha

Tweede orgelfeest: Rötha
"Vorgestern hatten wir eine große Landparthie nach einem Stättchen Rötha, wo 2 Silbermannische Orgeln sind, ein Theil des Chors fuhr hinaus und sang mir mein Ave Maria und meine Nonnenchöre, auch mehrere Lieder vor, die ich an den schönen Orgeln begleitete, dann spielte ich Bachsche Fugen und Phantasieen, dann wurde gegessen und gesungen, dann in die zweite Kirche gezogen und gesungen und gespielt, dann spazierengegangen und gesungen". Aldus Felix Mendelssohn, 'Kapellmeister' van het Gewandhausorchester, op 22 juni 1840 in een brief aan zijn moeder in Berlijn naar aanleiding van zijn bezoek aan Rötha, een stadje zo'n twintig kilometer ten zuiden van Leipzig. In zekere zin gewijde grond, zoals bleek uit de reacties die ik op vrijdag 17 juni in Rötha uit de mond van een aantal reisgenoten optekende.

Bijzonder is het wel, twee Silbermann-orgels in twee kerken in één gemeente, op slechts enige minuten loopafstand van elkaar gelegen. Daarvoor mogen we 'Freiherr' Christian August von Friesen, kamerheer en hoge militair in dienst van het keurvorstdom Saksen, dankbaar zijn. Hij gaf de bekende orgelbouwer Gottfried Silbermann de opdracht. Het contract voor de bouw van het orgel in de Georgenkirche dateert van 22 december 1718 (er prijken onder meer de handtekeningen op van Silbermann en zijn voormalige leerling Zacharias Hildebrandt). Het orgel omvat 23 registers en twee manualen en pedaal. De overeenkomst voor de bouw van het orgel in de Marienkirche, met 11 registers en één manuaal en pedaal overigens geringer van omvang dan dat in de Georgenkirche, werd getekend op 12 november 1721. De handtekening van Hildebrandt ontbreekt en dus was hij er naar alle waarschijnlijkheid niet (meer) bij betrokken.

We maakten kennis met de aan beide kerken verbonden hoofdorganist, de Zuid-Koreaan Jihoon Song. Hij werd in 2015 benoemd tot cantor en organist van de evangelisch-lutherse kerkgemeenschap in Rötha. In Zuid_Korea (en ik spreek uit ervaring) zijn orgels met een lantaarntje te zoeken, laat staan organisten die internationaal hoge ogen gooien. Ondanks dit karige beeld heeft het land met Jihoon Song een fenomenale organist opgeleverd. Deze bescheiden en zelfs enigszins timide 'grootmeester van het orgel' gaf deze middag een imposant voorbeeld van zijn technische en muzikale capaciteiten in een bijzonder veeleisend programma met orgelwerken van Bach en Johann Gottfried Müthel. Ook de beide orgels met hun uitgebreide en zeer gevarieerde registratiemogelijkheden kwamen daardoor optimaal tot hun recht. We hoorden grootse orgelkunst, met postume dank aan de grote orgelbouwer Gottfried Silbermann (1683-1753).

 
Registerknoppen van het Silbermann-orgel in de   Mariienkirche in Götha

Treurnis en troost
Het programma van dit concert in de Thomaskirche op vrijdag 17 juni paste bij het weer met zijn donkere wolken en stevige buien, al klaarde het bij Bach wel op. Maar het begon met 'Trauer' alom: Regers 'Der Mensch lebt und bestehet' voor twee vierstemmige koren, het motet 'O Tod wie bitter bist du' voor vijfstemmig koor, het Requiem ('Seele, vergiß sie nicht, die Toten!') voor alt, vierstemmig koor en orkest, Brahms' 'Nun laßt uns den Leib begraben' voor vierstemmig koor, twee hobo's, twee klarinetten, twee fagotten, twee hoorns, vier trombones, tuba en pauken en ter afsluiting Bachs cantate 'Ich hatte viel Bekümmernis', maar in de 'romantische' versie van Robert Franz. Het gehele programma was trouwens van romantiek doortrokken, 'Trauer und Trost' in romantische 'Klanggestalt'. Wie 'Deutschlandradio Kultur' kan ontvangen zal het gehele concert mogelijk op 30 juni vanaf 20.00 uur hebben gehoord en misschien met mij de mening kunnen delen dat de nieuwe Thomascantor en dirigent in dit programma Gotthold Schwarz op zijn minst een waardige opvolger is van Georg Christoph Biller.
Wat dit programma al bij voorbaat bijzonder zo niet uitzonderlijk maakte was de samenstelling ervan, want deze 'Gesänge' hoor je zelden, laat staan in één programma. Het Nederlands Kamerkoor heeft zich in ons land gelukkig wel voor Reger ingezet en er is zelfs een opname van die u op Spotify kunt beluisteren: (helaas wordt ieder 'Gesang' door een ongelukkige overgang ruw afgebroken). Het was echter Bachs cantate 'Ich hatte viel Bekümmernis' BWV 21 in de orkestversie van Robert Franz die het romantische karakter van dit concert in een bijna spectaculaire gloed zette. Hoewel vandaag de dag zo ongeveer gelijkstaand aan vloeken in de kerk heeft Franz wel degelijk een boeiende adaptatie gemaakt die niet als alternatief voor het origineel moet worden gezien, maar een zelfstandig leven verdient. Hij pakte de oorspronkelijke partituur stevig aan, zowel in de dynamiek als in de articulatie (de romantische retoriek wint het van het barokke), maar ook in de instrumentatie, met toegevoegd klarinetten en hoorns, (stevig uitpakkend) orgel, de fagot losgekoppeld van het traditionele continuo en in plaats van de becijferde bas een volledig uitgewerkte baspartij. Zeker het slot, 'Das Lamm das erwürget ist', kwam in deze versie ronduit opzienbarend over het voetlicht. Franz' aanpak komt in grote lijnen overeen met zijn bewerking van de Matthäus-Passion die onlangs op Palmzondag - een unicum op zich! - werd uitgevoerd in Laren (klik hier).
We hoorden vanavond niet de technische perfectie die Gardiner de avond daarvoor met zijn 'troepen' realiseerde, maar over de kwaliteit van het gebodene hoefde niet te worden gemopperd. De rijke polyfonie maar ook de fraai afgeronde unisonoklank was bij het spiritueel zingende Thomanerkoor in meer dan uitstekende handen (de knapen kunnen echt fluisterzacht zingen), het instrumentale aandeel van de Staatskapelle Weimar goed gedifferentieerd en de vier solisten (Julia Sophie Wagner, Nicole Pieper, Martin Lattke en Henryk Böhm) goed op hun taak berekend, met een extra compliment voor de stralende vocalistiek van de sopraan Julia Sophie Wagner.

Het Thomanerchor o.l.v. Gotthold Schwarz in Regers 'Der Menscht besteht und lebet' op. 138 nr. 1

'Gottesdienst' in de Thomaskirche
Het heeft wel iets, een 'Gottesdienst waarin de preek aansluit op de inhoud en betekenis van de muziek. We kennen dit ook in ons land, onder meer van de cantatediensten in de Rotterdamse Laurenskerk. Het pakte op zaterdagmiddag 18 juni uit als een heus bolwerk tegen de vluchtigheid die de moderne mens omringt en zelf creëert. De ernst van het programma werkte de soms zo noodzakelijke bezinning zeker in de hand, met 'Führe mich' op. 33/3 van Gustav Schreck (1849-1918), een geestelijk lied voor vier- tot zevenstemmig koor, gevolgd door Regers 'O Haupt voll Blut und Wunden', een koraalcantate voor Goede Vrijdag voor sopraan, tenor, solistenkwartet, vierstemmig koor, hobo, viool en orgel, afgewisseld door gemeentezang op het bekende 'Was mein Gott will, das g'scheh allzeit' op. 135a/27 (voorafgegaan door Regers gelijknamige koraalvoorspel voor orgel) met ter afsluiting Bachs cantate 'Christus, der ist mein Leben' BWV 95. Men hoeft overigens geen al te briljante predikant (in dit geval Britta Taddiken) te zijn om alleen al daarop een passende preek los te laten. En alzo geschiedde.
Het solistenteam (Henrike Henoch, sopraan; Hanna Hagel, alt; Stephan Scherpe, tenor; Philipp Jekal, bas), de organist Jonas Wilfert en het Amici Musicae ensemble (koor en orkest) onder leiding van Ron-Dirk Entleutner zorgden voor een passend pleidooi voor deze muziek al bleek ook hier onvermijdelijk dat Max Regers pennenvruchten nogal eens een technische dan een geïnspireerde inslag uitstralen. Mogelijk kende hij zijn beperkingen, toen hij opmerkte dat bij Bach de muziek begon en eindigde.

Ook buiten werd muziek gemaakt: een koperensemble uit Sint-Petersburg speelt Händel
 
 
'Nichts als Meisterstücke' in de Nikolaikirche

Niets dan meesterwerken
Met de programmatitel 'Nichts als Meisterstücke' namen de samenstellers van het Bachfestival alvast een voorschot op wat komen ging: maar liefst vijf Bach-cantates op zaterdagavond 18 juni in de Nikolaikirche - en dat zonder pauze. Ondanks het vrolijk stemmende centrale thema, lofprijzing van de Heer, leek het al bij voorbaat een hele kluif, maar dat viel reuze mee, door de schitterende muziek en de niet minder fraaie uitvoering. Want lofprijzen kon Bach, in 'Bringet dem Herrn Ehre seines Namen' BWV 148, 'Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen' BWV 48, 'O Ewigkeit, du Donnerwort' BWV 60 (de beroemde dialoog tussen de Vrees en de Hoop), 'Herr, gehe nicht ins Gericht' BWV 106 en 'Erschallet, ihr Lieder' BWV 172. Hoewel de trompet in BWV 148, 48 en 172, alsmede de 'corno di tirarsi' in BWV 105 soms sterk bijdroegen aan het opgewekte, zo niet feestelijke karakter van de muziek, zijn het toch zonder uitzondering cantates waarin lofprijzingen worden omrand door 'Ernst des Ausdrucks'. Hét hoogtepunt - als dit begrip tenminste in dit kader mag worden gehanteerd - was 'Erschallet, ihr Lieder', als Bach extra luisterrijk uitpakt met pauken en trompetten. Het is het ondubbelzinnige feest van de lofprijzing en dat moet vooral luid en duidelijk worden verkondigd. Het op replica's van authentieke instrumenten spelende ensemble is welbekend; en zeker niet alleen in barokkringen. Zowel het ensemble als dirigent Olof Borman hebben innovatieve programmering tot ware kunst verheven. Ditmaal waren ze te gast bij het Bachfest in Leipzig, Ondanks enige last-minute-wijzigingen in de vocale bezetting werd op zeer hoog niveau en zeer geïnspireerd gemusiceerd. Vijf cantates op één avond en ook nog zonder pauze lijkt r een niet geringe opgave, maar het vloog voorbij. Een groter compliment kan men zich niet wensen. Bach bleek weer de grootse bruggenbouwer wiens muziek de eeuwen kan trotseren. Niets dan meestwerken, inderdaad. Soli Deo Gloria!

'Nachtmusik' in Thomaskirche
Een 'Late Night' concert in de Thomaskirche door de Duitse pianist Martin Stadtfeld. Men moet erbij zijn geweest om gewaar te worden wat groots pianospel vermag. Drie koraalbewerkingen (BWV 639, 654 en 734) van Busoni gingen bij Stadtfeld tot de bodem van interpretatief kunnen, terwijl ik de op zich al fascinerende Fantasie BWV 903 (die nog uit Bachs Köthense tijd stamt) zelden zo 'fantastisch' heb gehoord. Ik ken overigens geen werk van Bach waarin hij zo 'fantastisch' uitpakt, zo improvisatorisch, zo los van de maatstrepen. Iedereen weet dat een fuga niet chromatisch kan worden opgebouwd, maar Bach had de moed en bovenal de kunde om dat muzikaal te weerspreken. De echo's daarvan klonken in alle hoeken van de machtige Thomaskirche door. Regers Bachvariaties missen die stuwende, innerlijke logica van Bachs grote variatiewerken. Het grondthema, afgeleid van Bachs cantate 'Auf Christi Himmelfahrt allein' (het duet 'Sein Allmacht zu ergrunden') raakt al snel verward tussen fragmenten die Reger zelf te hooi en te gras heeft bijeen gesprokkeld en vervolgens ingemetseld, waardoor de in totaal 14 variaties (het oorspronkelijke Bachthema telt niet toevallig 14 maten) een nogal richtingloze indruk maken. Terwijl de pianist in technisch opzicht toch herhaaldelijk de Mount Everest moet beklimmen en aan de top moet zien te komen (en geruime tijd te blijven). De alles bekronende slotfuga (dat was althans Regers voorstelling) schiet alle kanten op, behalve vooruit. Maar gelukkig kwam na het schier eindeloze meanderen het driedubbel forte in zicht en kon het werk met groot technisch vertoon eindelijk ferm richting dubbele maatstreep. De toegift was overdonderend: Stadtfelds eigen visie op Bachs beroemde Chaconne uit de Vioolpartita BWV BWV 1004 (door Christian Tetzlaff op 14 juni in de Thomaskirche in zijn oorspronkelijke vorm zo eminent vertolkt). Hij maakte er als volleerd bewerker en improvisator een (letterlijk!) 'orgelend' klapstuk van. Dat had Max Reger hem zeker niet verbeterd! Helaas deed de ruime kerkakoestiek afbreuk aan de midden- en lage stemmen, maar daar stond wel een bijna orkestraal klanktapijt tegenover. Stadtfeld had zich in ieder geval niet door die weerbarstige akoestiek laten verrassen. Hij bleek daarop goed voorbereid en wist gelukkig maat te houden, met verbluffend resultaat. Martin Stadtfeld is een groot musicus. Voor de meest complexe structuren draait hij zijn hand niet om. Technisch kan hij alles. Een uiterst dankbaar publiek (het had zich door het late uur en het zeker niet 'lichte' programma niet laten afschrikken) beloonde hem ruimhartig met applaus.

Martin Stadtfeld tijdens 'Late Night' in the Thomaskirche

Pianorecital: Misha Namirovsky
Weggedrukt tussen weinig fraai ogende winkelpanden aan de Hainstraße bevindt zich op nummer 16 de 'Salles de Pologne', waar regelmatig zowel soloconcerten als kamermuziek op het programma staan. Op zondagochtend 19 juni was er een 'Klaviermatinee' in het kader van het Bachfestival, door de Russische pianist Misha Namirovsky. Het programma: Regers Intermezzo in es, op. 45, Brahms' Intermezzo in Es, op. 117, Debussy's 3 Préludes uit Boek, Rachmaninovs 3 Préludes uit op. 32 en zijn Étude op. 33/7, en ten slotte van Bach/Siloti de (overbekende) Prélude in b.

 
  Misha Namirovsky in 'Salles de Pologne '

Misha Namirovsky is een Grote Onbekende in ons land en dat moet danig veranderen want in dit veeleisende programma gaf hij blijk van zowel technisch als muzikaal meesterschap, om maar niet te spreken van zijn kameleontische eigenschappen (Debussy net zo indrukwekkend als Rachmaninov). Wat daarbij wel enigszins tegenwerkte was de akoestiek met een nogal harde weerkaatsing van de pianoklank. Een echt pianissimo bleek aan deze ruimte niet echt besteed, terwijl ook de dynamische 'Abstufung' leed onder een overdosis akoestische ruimte. Daarmee als pianist rekening houden ligt misschien voor de hand, maar daarmee wordt het kernprobleem niet opgelost. Bovendien heeft dat ook zijn bezwaren. Voor iedere interpreet zitten er trouwens genoeg kleine duiveltjes in allerlei doosjes verstopt. De akoestiek is er een van. Terwijl een gulden middenweg er niet altijd is. Dat neemt niet weg dat in deze 'Klaviermatinee zum Bachfest' Namirovsky zich als een ware 'Klangmeister'(zeg maar klanktovenaar) ontpopte en met zijn vlekkeloze en menigmaal zelfs overweldigende techniek tot in de kern van deze 'Meisterstücke' wist door te dringen. Wie zo kan fraseren en zoveel verbeeldingskracht etaleert verdient gewoon het beste podium. Nog enige trefwoorden: afgewogen, poëtisch, wars van theatraliteit, sterk structuurbesef.

Fluitend door het leven
'Geheimnisse der Harmonie'. Deze korte omschrijving komt in de programma's van het Bachfestival herhaaldelijk terug (een goed verstaander heeft slechts een half woord nodig). Als er al van 'Geheimnisse' sprake is, dan stammen die van de grote Thomascantor die in zijn harmonieën vaak voor grote verrassingen zorgt. Wat overigens niet zozeer geldt voor zijn Ouverture in b, BWV 1067 en de Sinfonia (eveneens in b) BWV 209 uit 'Non sa che sia dolore', op zondagmiddag 19 juni op het programma in de Michaeliskerk, naast wervelende Concerti van Vivaldi en Telemann (van hem tevens de Sonate voor blok- en dwarsfluit).

Jacques Zoon met de Berliner Barocksolisten in de Michaeliskirche

De prachtige strijkersklank van de Berliner Barock Solisten mag bekend worden verondersteld en leverde daarom niet de grootste verrassing op. Wel het ongehoord virtuoze fluitspel van Dorothee Oberlinger. Zowel op de blokfluit als op de sopranino leverde zij een staaltje virtuoos spel dat werkelijk adembenemend was (voor het publiek dan, want ook haar ademtechniek bleek van een wel heel bijzondere soort te zijn). Maar vlak ook de Nederlandse fluitist Jacques Zoon niet uit. Deze globetrottende musicus behoort net als Oberlinger tot de wereldtop. Wat beiden in de Sonate van Telemann (men waant zich soms bij een Poolse landdag!) op het gebied van virtuoos en vlekkeloos samenspel lieten horen was ongekend. En niet minder belangrijk: het esprit droop er vanaf. Dat lukt alleen als er geen technische hindernissen zijn, echt frank en vrij kan worden gemusiceerd. Samen met de Berlijnse strijkers zorgden ze voor een kostelijke middag. Hoe spannend kan barok zijn, mits maar in goede handen! In de volledig uitverkochte Michaeliskerk klom het publiek na afloop bijna op de kerkbanken van enthousiasme. Jammer dat deze kerk niet veel vaker voor het Bachfest wordt gebruikt: het is een van de weinige historische locaties waar het merendeel van het publiek een onbelemmerd uitzicht heeft op wat er op het podium gebeurd (in met name de Thomas- en Nikolaikirche zijn het de zuilen die dit veelal onmogelijk maken).

Dorothee Oberlinger op de sopranino-blokfluit: bijna een circusnummer op zich
 
  William Christie na afloop van het slotconcert

Slotlied
Zondagavond 19 juni klinkt traditiegetrouw in de Thomaskirche als laatste werk Bachs onvolprezen Hohe Messe, ditmaal door Les Arts Florissants o.l.v. William Christie, met vier uitgelezen solisten: de sopraan Katherine Watson, de countertenor Tim Mead, de tenor Reinoud Van Mechelen en de bas André Morsch. Het is jaren geleden dat ik een ensemble in dit werk hoorde dat met zoveel passie, energie en technisch meesterschap Bachs overweldigend religieuze en muzikale missive wist over te brengen. Wat zijn daarvan de kernbegrippen? Grandioze spanning van begin tot eind, Groot Avontuur, filigrane contrastwerking, en alles samenvattende de enorme krachtinspanning die werd geleverd om op deze unieke plek een werkelijk eenmalig monument op te richten. Al in het Kyrie leek Christie erop uit om een enorme klankzuil op te trekken en die tevens stevig te verankeren. De Hohe Messe als alfa en omega, Bachs ware opus magnum, en in zekere zin ook dat van Christie. We kennen de ontstaansgeschiedenis van deze grootse mis en we weten hoe gemakkelijk het is om zich in dit magnifieke werk te verslikken, maar als alle sterren goed staan.Sternstunde! De enorme voortstuwende krachten hadden dikwijls het karakter van pure 'sturm und drang', maar dat paste wonderwel in Christie's concept. De contemplatieve momenten waren er ook, in het Laudames te, Qui sedes, Et incarnatus est, Confiteor (meesterlijk zoals de overgang naar het Et expecto resurrectionem mortuorum werd gerealiseerd) en Benedictus. Het Dona nobis pacem klonk als appèl over de grenzen van onze welstand heen. De 'zuilenaanpak' (een betere omschrijving heb ik er niet voor) kreeg vleugels, het ferme amen na Et vitam venturi seaculi meer als een bevestiging. In Quoniam moest de bas het - zoals gebruikelijk - opnemen tegen de weerbarstige corno da caccia (een echte!) van Anneke Scott, wat niet zonder wrijving verliep. Het was slechts een minimale smet op een grootse uitvoering. Buiten de kerk werd Christie opgewacht door een enthousiaste menigte. Dat heb ik nog niet eerder meegemaakt. Verdiend, William! En hij niet alleen! Soli Deo Gloria!

'Sternstunde' in de Thomaskirche ; Bachs Hohe Messe

Peter Kooij ontvangt Bachmedaille
De Nederlandse bas Peter Kooij ontving op 17 juni in het kader van het Bachfest 2016 de Bachmedaille van de stad Leipzig. De versierselen werden uitgereikt door burgemeester Burkjard Jung, die Kooij daarbij omschreef als "Institution in den weltweit führenden Ensembles der Barockmusik". Kort daarvoor, op 12 juni, was Peter Kooij als solist te horen in een Bach-cantataprogramma in de Nikolaikirche, samen met Concerto Köln en het Knabenchor Hannover onder leiding van Jörg Breiding.

De uitreiking van de Bachmedialle van de stad Leipzig aan Peter Kooij, geflankeerd door burgemeester Burkjard Jung en de directeur van het Bach-Archiv, Peter Wollny

In vogelvlucht in cijfers
Maar liefst 109 evenementen op 24 verschillende locaties (waarvan acht buiten Leipzig), met 2.797 medewerkenden, waaronder 32 koren met 1721 koristen, 30 orkesten met 663 musici, 34 kamermuziekensembles met 160 musici, 133 vocale en 8 instrumentale solisten, 41 dirigenten, 36 sprekers en moderators, 29 organisten, werken van 105 componisten (waaronder 108 composities van Bach en 74 van Reger), 58.000 bezoekers en een bezettingsgraad van bijna 90%. Toegangskaarten en passe-partouts werden verkocht in 18 Europese en 16 niet-Europese landen. Behoudens uit Duitsland kwamen de meeste bezoekers uit de VS, Nederland, Zwitserland en Engeland. Groepsreizen werden verzorgd door 53 reisbureau's in 12 landen.

BACHmosphäre: concerten in de buitenlucht

Bachfest 2017
Komend jaar wordt het festival gehouden van 9 tot 18 juni, onder het motto 'Ein schön new Lied - Musik und Reformation'. Centraal staat daarin Bachs 'Luther-Rezeption' en in deze context tevens de muziek van Monteverdi tot Mendelssohn. John Eliot Gardiner en Jordi Savall zullen in ieder geval van de partij zijn. De voorverkoop begint al op 14 oktober a.s.

Voor verdere informatie: www.bach-leipzig.de


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links