Solisten

In memoriam Lisa Della Casa

(1919 ~ 2012)

 

© Paul Korenhof, december 2012

 

 

Notities bij het overlijden van de ideale Arabella

Het moet nu een halve eeuw geleden zijn dat ik als middelbare scholier op een bromfiets de reis naar Amsterdam ondernam voor een liefdadigheidsconcert van de Unesco in het Concertgebouw. Een keur van internationale vocalisten en instrumentalisten zou daaraan meewerken en naar drie van hen ging mijn bijzondere belangstelling uit: de Zwitserse sopraan Lisa Della Casa, de Italiaanse mezzosopraan Giulietta Simionato en haar landgenoot Carlo Bergonzi. De laatste werd helaas vervangen door een (terecht) minder bekende collega, maar de beide anderen gaven gelukkig wel acte de présence. Inderdaad 'gelukkig', want later zou ik nooit meer de gelegenheid krijgen die twee zangeressen 'live' te horen. Simionato nam in 1966 op 56-jarige leeftijd plotseling afscheid van het operatoneel en Lisa Della Casa volgde haar voorbeeld zeven jaren later op slechts 54-jarige leeftijd.

Wat mij van die avond vooral is bijgebleven, is de indruk van onwezenlijke schoonheid die de stem van Lisa Della Casa bij mij achterliet. Die indruk zal ongetwijfeld versterkt zijn door haar uiterlijk. Niet alleen was zij een van de meest mediagenieke zangeressen van haar tijd, maar op de een of andere manier leken uiterlijk en zang bij haar altijd één, zelfs als het alleen maar ging om een foto op de hoes van een grammofoonplaat. Andere zangeressen waren meestal 'een zangeres in een rol', maar bij drie sopranen heb ik altijd het gevoel gehad dat mens en rol samensmolten, en dat een foto niet een verklede zangeres maar een 'echt personage' weergaf: Maria Callas, Magda Olivero en Lisa Della Casa.

Het bericht van het overlijden van de Zwitserse sopraan Lisa Della Casa, maandag 10 december op 93-jarige leeftijd, bracht opeens sterke jeugdherinneringen naar boven. Die tocht naar Amsterdam, waarvan sommige beelden - ook van onderweg - mij nog haarscherp op het netvlies staan, mijn eerste langspeelplaat met hoogtepunten uit Don Giovanni onder Josef Krips, een andere lp met delen uit Ariadne auf Naxos met Lisa Della Casa en Rudolf Schock en verhitte discussie met een klasgenoot op het Haagse Aloysius College over de Vier letzte Lieder die ik toen van niemand anders wilde horen, en zeker niet van de in mijn jongensoren aanstellerige Elisabeth Schwarzkopf. Opgegroeid als ik was met de strakke, soms bijna onderkoelde acteerstijl van de Haagse Comedie, een gezelschap dat het understatement tot stijl had verheven, vond ik toen al dat je ook muziek niet hoorbaar moest 'interpreteren', maar zo zuiver mogelijk 'vertolken' om de betekenis rechtstreeks via de muziek zelf over te brengen.

 
  Lisa Della Casa met Karl Böhm
(Salzburg 1959)

Die overtuiging, in feite de kern van 'echt bel canto' die mij tot op de dag van vandaag is bijgebleven, dank ik zeker voor een deel aan het luisteren naar Lisa Della Casa: haar Donna Elvira (onder Josef Krips), haar gravin Almaviva (onder Erich Kleiber) en haar grote Strauss-rollen, die ik aanvankelijk overigens alleen in de vorm van hoogtepunten kende, zoals de reeds genoemde selectie uit Ariadne auf Naxos onder Alberto Erede, duetten uit Der Rosenkavalier en Arabella met Hilde Güden en Anneliese Rothenberger en de slotscène uit Capriccio . En dan was er natuurlijk die fameuze Decca-opname uit 1953 van de Vier letzte Lieder onder Karl Böhm.

Daarna duurde het niet lang of ik raakte verslingerd aan haar complete Arabella (het is nog steeds moeilijk kiezen tussen de opname met George London onder Georg Solti en die met Dietrich Fischer-Dieskau onder Josef Keilberth). Het was niet altijd makkelijk andere volledige registraties van haar Strauss-rollen te vinden, maar sinds her en der de archieven met live-opnamen open zijn gegaan, werd het een stuk makkelijker. Wij danken daaraan zelfs een technisch matige maar heel bijzonder bezette opname van Der Rosenkavalier uit de Scala (1952) onder Herbert von Karajan met Elisabeth Schwarzkopf als de Marschallin, Sena Jurinac als Octavian en Lisa Della Casa als Sophie.

 
  Lisa Della Casa met Dietrich Fischer-Dieskau

Wel is het nog altijd moeilijk een bevredigende opname van die opera te vinden met Della Casa als Octavian, maar aan de andere kant ik herinner mij nog levendig dat ik mij twee dagen verzaligd in mijn studeerkamer heb opgesloten toen DG in 1999 een Salzburger opname van 26 juli 1960 op de markt bracht. In het Grosses Festspielhaus dirigeerde Karajan toen een uitvoering met vijf solisten die voor mij nog steeds de ideale bezetting vormen: Lisa Della Casa als de Marschallin, Sena Jurinac als Octavian, Hilde Güden als Sophie, Otto Edelmann als baron Ochs en Erich Kunz als Herr von Faninal. Het wachten is nu nog op een goede videoregistratie van Arabella uit München met Lisa Della Casa en Dietrich Fischer-Dieskau.

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links