Solisten

De romantiek voorbij:

Dinu Lipatti (1917 ~ 1950)

 

© Aart van der Wal, augustus 2008


 
  Dinu Lipatti en Clara Haskil

Het pianofenomeen Dinu Lipatti (1917-1950) behoorde evenals zijn begaafde landgenote Clara Haskil (1895-1960) tot de pianisten die het expressieve karakter van de muziek puur vanuit het notenschrift benaderden en daarmee afstand namen van de traditionele romantische pianoschool, met grootheden als Sergej Rachmaninov (1873-1943) en Józef Hofman (1876-1957) als twee van de belangrijkste vooroorlogse vertegenwoordigers.

Romantische traditie

Die romantische traditie gaat feitelijk terug tot het pianospel van Franz Liszt (1811-1886), waarvan uiteraard geen opname bewaard is gebleven maar wiens pianocomposities daarover voldoende uitsluitsel geven. Daarnaast zijn er de berichten van zijn tijdgenoten over zijn vaak exuberante pianospel. Bovendien, als Liszt speelde lagen de vrouwen vaak (letterlijk!) aan zijn voeten, wat zeker niet aan zijn al te ingetogen spel kon worden toegeschreven! Liszt, hij moet het prototype zijn geweest van de klavierleeuw, de virtuoze romanticus die in geparfumeerde salons met wijdse pianistieke gebaren zijn publiek met zijn grootse vertolkingen meesleepte en bespeelde. De virtuoos die schmierde, bulderde of fluisterde, maar vooral... hypnotiseerde, met zijn improvisaties, zijn parafrasen én zijn levensstijl.

De romantiek van de eigenzinnige versieringen (ornamentatie), de opgerekte frasen, de vaak grillige tempoversnellingen en vertragingen, crescendi en diminuendi, de aangescherpte dynamische accenten, kortom de doelbewuste uitvergroting of verkleining. De muziek die zo kon worden 'gekneed' dat de expressie bijna door het opgelegde gewicht zakte. Het was deze vertolkingsstijl, waarvan ook dirigenten als Willem Mengelberg zich graag bedienden, die in de jaren dertig door de dirigent Otto Klemperer, toen werkzaam aan de Berlijnse Kroll Oper, met diens 'Neue Sachlichkeit' onverschrokken aan de kant werd geschoven. Weg met al die romantische franje, leve de zakelijkheid!
Was dat jammer? Zeker is dat die romantische stijl van toen een ander soort creativiteit losmaakte dan we nu gewend zijn. Ook is het zo dat iedere stijl zijn eigen aanhangers kent, maar een feit is wel dat stilistische differentiatie altijd essentieel onderdeel heeft uitgemaakt van het musiceren, hoezeer ook moet worden betreurd dat in deze tijd van sterk toegenomen globalisering de klank van orkesten en instrumenten wereldwijd steeds meer op elkaar is gaan lijken.

De overstap van de romantische naar de meer 'naturelle' vorm had niet alleen gevolgen voor de pianistiek. Het strijkersportamento verschoof meer en meer naar de achtergrond en het 'gemakkelijke' vibrato werd als expressiemiddel spaarzamer toegepast of zelfs geheel in de ban gedaan. Versieringen werden minder of in het geheel niet meer de vrije loop gelaten, maar werden onderworpen aan de melodische structuur. De dynamische contouren vernauwden zich, ruim pedaalgebruik en vrije frasering maakten plaats voor scherpere articulatie, terwijl de ritmiek meer werd ingekapseld in het melodische en harmonische structurele concept. De verschillende stijlelementen die het romantisch expressieve idioom zo ruimhartig hadden gedomineerd werden feitelijk kritisch tegen het licht gehouden tegen de achtergrond van 'Partiturtreue'.

Een groot aantal pianisten koos voor die 'naturelle' koers, waaronder Walter Gieseking, Arthur Rubinstein, Solomon, Wilhellm Kempff, Clifford Curzon, Emil Gilels, Svjatoslav Richter, Friedrich Gulda, Arturo Benedetti Michelangeli en Rudolf Serkin. Zij waren het vooral die uiteindelijk de richting voor de komende generatie pianisten van de jaren zeventig en tachtig in sterke mate zouden gaan bepalen. Wat hen allen samenbond was hun grote creatieve energie die hen in staat stelde om binnen de kaders van dat 'naturalisme' meer dan voldoende mogelijkheden voor de eigen pianistieke identiteit te vinden en te behouden.
Desondanks hield een aantal pianisten echter vast aan de puur romantische benadering, zoals Byron Janis (totdat in 1973 de voortsluipende artritis een einde aan zijn carrière maakte), Rosalyn Tureck, Julius Katchen, Jorge Bolet, Shura Cherkassky, Vladimir Horowitz, Earl Wild, Alfred Cortot en Wilhelm Backhaus. Tegenwoordig trekt de 36-jarige Russische pianist Arcadi Volodos er volle zalen mee.

Dinu Lipatti: bevlogen en volmaakt

Bevlogenheid in de kunst bestaat (gelukkig!), maar volmaaktheid? Wie maakt geen fouten, wie kent geen inzinkingen? Toch verdient Lipatti's kunst die kwalificatie. Maar Lipatti's grote talent moest wachten, geduld oefenen alvorens zich in het internationale concertleven te manifesteren. Hij mocht terugzien op een gelukkige jeugd in Boekarest, dankzij zorgzame ouders (zijn vader was violist, zijn moeder pianiste), zijn peetvader, de violist en componist George Enescu en zijn enige lerares, Florica Muzicescu, de vrouw die hij aanbad. Daar, thuis bij zijn ouders, dreef hij al op zijn grote muzikale talent, zijn formidabele geheugen en zijn poëtische fantasie. Hij had zich geen stimulerender omgeving kunnen wensen.

 
  Alfred Cortot

In 1934 behaalde Dinu de tweede prijs op het internationale pianoconcours in Genève, een hevige teleurstelling want vriend en vijand waren het er over eens dat hij verreweg de beste deelnemer was. De pianist Alfred Cortot, die in de jury zat, schoot dat dusdanig in het verkeerde keelgat dat hij Lipatti terstond en publiekelijk tot zijn 'speciale leerling' bombardeerde (Een enigszins daarmee vergelijkbaar incident speelde zich in 1980 af, toen Ivo Pogorelich al in de voorrondes van het Chopin Concours in Warschau strandde en jurylid Martha Argerich daarover dusdanig verbolgen was dat ze met het eerste de beste vliegtuig vertrok. Het schandaal leverde Pogorelich overigens geen windeieren op, hij werd er op slag wereldbekend door, zoals ook Lipatti na het debâcle in Genève werd beloond met enige jaren studie in Parijs, die tot de gelukkigste van zijn leven behoorden).

Lipatti had geen haast, hij nam ruimschoots de tijd voor zijn muzikale ontwikkeling, hij studeerde veel in Parijs. Na Cortot en een korte periode bij Paul Dukas (compositie) was het Nadia Boulanger die hem onder haar hoede nam (hij noemde haar later zijn 'tweede moeder'). Hij bekwaamde zich daarnaast in het dirigeren bij Charles Munch, toen concertmeester bij het Gewandhausorchester Leipzig. Zijn belangstelling voor de muziekkritiek leidde tot zijn verhelderende artikelen over o.a. het Boedapest Strijkkwartet, Wilhelm Furtwängler, Bruno Walter, Vladimir Horowitz en Arthur Rubinstein.

Ondanks zijn grote talenten kwam het hem niet als vanzelfsprekend aangewaaid. Volgens zijn vrouw Madeleine besteedde Dinu een uur per dag gedurende zes maanden aan alleen al Chopins Étude op. 25 nr. 6, de gevreesde 'tertsen-étude'. Een andere landgenoot, de dirigent Alceo Galliera, die Lipatti vele malen in concerten had begeleid, merkte eens op dat Lipatti met ieder van zijn tien vingers een identieke neerwaartse kracht kon bewerkstelligen (zijn hand omspande overigens maar liefst 12 toetsen).

In 1939 keerde Lipatti naar Roemenië terug om in Boekarest zijn eerste recital te geven. Hij had dat even gemakkelijk in Parijs kunnen doen, maar hij koos bewust voor zijn geboorteland. De opdoemende oorlog dwong hem om vervolgens om daar voorlopig te blijven, maar toch slaagde hij erin om in het begin van de jaren veertig zelfs in het bezette Europa nog concerten te geven. In eigen land gaf hij een groot aantal recitals, vele daarvan samen met George Enescu. Onderwijl studeerde nog steeds door, ditmaal onder het toeziend oog van Madeleine Cantacuzene (zij was een bekende pianolerares) die hij als zijn 'derde oor' betitelde. Zijn relatie met haar ontwikkelde zich slechts langzaam, van oppervlakkige affectie naar diepe liefde, precies zoals zijn muzikale ontwikkeling was verlopen.

In 1943 was Lipatti in de gelegenheid om het neutrale Zweden te bezoeken. Hij gaf daar een groot aantal concerten, waarna hij samen met Madeleine de wijk nam naar neutrale Zwitserland, het land dat hem uitstekend zou bevallen. Hij koos voor Genève (Madeleine's familie kwam daar vandaan). Zijn benoeming tot hoofdleraar piano aan het het conservatorium aldaar verhinderde hem niet om in de kleine Zwitserse stadjes en dorpen concerten te geven. Hij vond daar het publiek dat gretig naar zijn spel luisterde, hij voelde zich er thuis en op zijn gemak.

Op de keper beschouwd bieden deze zeven cd's slechts hoogtepunten. Als er al een zwakke plek opduikt betreft het uitsluitend een speltechnische oneffenheid in de zin van een net iets minder geslaagde frasering of incidenteel een wankele noot. In muzikaal opzicht heeft dit geen enkele betekenis. Integendeel, het doet eerder de bewondering toenemen voor Lipatti's fabuleuze, vrijwel foutloze techniek, onverschillig of hij in de studio of tijdens een live-concert speelde (trouwens, het tijdperk van het digitale knippen en plakken was toen nog heel ver weg...).

Zijn Chopin? Ongekend doorzichtig en ritmisch geprofileerd, van mijmering naar wervelwind, de rubati meesterlijk gedoseerd, de muziek gevat in een vloeiend rank lijnenspel. Zijn Mozart? De luxe van de koninklijke eenvoud die tot in de kern doordrong, maar diep doorvoeld en volkomen klassiek van opzet, sterk verwant aan de Mozart van Clara Haskil: o zo menselijk, gespierd maar ook verfijnd. Zijn Bach en Scarlatti? Helder, transparant, met fabelachtige stemvoering, afwisselend diepzinnig en dansant, de tempi ideaal gekozen, de structuur moeiteloos opengelegd. Zijn Ravel vol kleurrijke guirlandes en ritmische veerkracht.
Evenzo grote hoogtepunten in deze set vormen de pianoconcerten van Grieg en Schumann, en het Eerste pianoconcert van Chopin. De geluidskwaliteit laat, vooral wat het orkestaandeel betreft, weliswaar hier en daar te wensen over, maar de pianistiek is helder vastgelegd en van een apollinische grandeur. Toevallig of niet, Pollini's vertolking van het Chopin-concert (met dirigent Paul Kletzki) uit 1966 lijkt sterk op die van Lipatti uit 1950. Of zou Pollini zó goed naar deze Lipatti-opname hebben geluisterd?

Van het (bescheiden) aantal composities van Lipatti (de lijst omvat in totaal vijftien werken) zijn er slechts vier voor uitsluitend de piano overgeleverd: een Sonatine voor de linkerhand, een Pianosonate, een Fantasie en een Nocturne.

 
  Dinu en Madeleine Lipatti in 1946 vóór het sanatorium »La Moubra« in het berggebied tussen Sion en Brig, Zwitserland. Dinu probeerde daar te herstellen van zijn ernstige ziekte (deze foto werd genomen door de Zwitserse componist Frank Martin).

Hodgkin lymfoom

Toen Lipatti door de ziekte van Hodgkin werd getroffen kon deze nog niet als zodanig worden herkend, laat staan dat er een medische behandeling voor was. Hij leed niet alleen aan hevige pijn in zijn arm, die uitstraalde naar andere delen van het lichaam, maar evenzeer aan een chronische vermoeidheid die het hem soms vrijwel onmogelijk maakte het ene voor het andere been te zetten. Als hij niet kon of wilde pianospelen componeerde hij, terwijl Madeleine hem het moeizame leven zoveel mogelijk probeerde te verlichten, maar vanaf de lente van 1950 ging het snel bergafwaarts.
Op 23 augustus volgde nog het concert in het Kunsthaus in Luzern, dat wonder boven wonder bewaard is gebleven. Karajan dirigeerde het Lucerne Festival Orchestra en Lipatti speelde de sterren van de hemel in Mozarts Pianoconcert KV 467 (met zijn eigen cadensen), in een mengeling van bevlogen perfectie, fijnzinnige poëzie en masculiene kracht. Hier horen we bovendien een nog jonge Karajan op zijn best.
Zijn laatste concert, in Besançon op 16 september 1950, danken we nog aan het middel cortison dat hij kreeg toegediend om de pijn te verlichten. Kort daarvoor had men ontdekt dat cortison - voorloper van het welbekende prednis(ol)on - werkzaam was tegen reumatoïde artritis en astma. Lipatti had er in die zin baat bij dat hij althans enige weken lang in een euforiestemming verkeerde, mogelijk in de hoop dat hij aan de beterende hand was. Hij voelde zich aanmerkelijk beter en was weer in staat om langer piano te spelen. Dat kwam Columbia (later EMI) ter ore, waarna werd besloten om een bestelwagen met opnameapparatuur vanuit het Spaanse Padres naar het studiocomplex van de Zwitserse radio in Genève te sturen, niet ver van de villa van de Lipatti's. Daar, in studio 2, begonnen in juli 1950 de opnamen die tot op de huidige dag worden gerekend tot de beste die de grammofoon (nu de cd) heeft voortgebracht. Een deel daarvan vinden we terug in deze set van 7 cd's: Bachs Partita BWV 825, de koraalPréludes in de bewerking van Busoni, Mozarts Pianosonate KV 310, de beide Scarlatti-sonates, 14 Chopin-walsen, de Mazurka op. 50 nr. 3 en de Barcarolle op. 60.

Wie onbevangen kan luisteren naar Lipatti's laatste concert in Besançon zal van begin tot eind worden getroffen door zijn stralende en veerkrachtige pianospel. Wie niet beter weet zou denken dat Lipatti kerngezond is, zoveel energie wordt hier op de toehoorder afgestraald. In dit laatste optreden wordt werkelijk alles samengevat wat Lipatti's kunst zo bijzonder maakt: het kristalheldere betoog, de sublieme melodievoering, de springlevende ritmiek, het structurele perfectionisme en het glanzende aura dat deze muziek voortdurend beheerst. Hier leidt de oprechtheid en de ernst, niet de zelfexpressie, het sentiment of het pathos. Het gaat door merg en been, soms gaapt de afgrond, het bezorgt kippevel. Zijn handen 'wandern' over de toetsen, de melancholie ontplooit zich, maar zonder enige concessie aan het klassieke evenwicht. Lipatti blijft zijn grootse, tijdloze stijl tot het einde toe trouw.

Het laatste recital in Besançon

Hoe ziek hij toen moet zijn geweest blijkt wel uit de verslagen. Daar waren de uiterst moeizaam verlopende repetities in de zaal, de enorme krachtsinspanning die het vereiste om überhaupt het podium te bereiken en de fysieke onmogelijkheid om de Wals nr. 2 in As, op. 34 nr. 1 nog uit de vingers te krijgen (in het cd-boekje wordt ten onrechte vermeld dat het de sonate nr. 14 betrof, die uiteraard wel degelijk deel uitmaakt van deze set). In plaats daarvan klonk Bachs 'Jesu bleibet meine Freude' in de bewerking van Myra Hess (vertegenwoordigd op de eerste cd, maar dan in de uitvoering van juli 1950, opgenomen in studio 2 van Radio Genève). Het was tegelijkertijd Lipatti's levensmotto, en daarmee de fraaist denkbare afsluiting van zijn muzikale carrière en zijn pianistiek, die zoals producer Walter Legge eens samenvatte met "softness through strength."

Dinu Lipatti stierf na een bijzonder pijnlijk ziekbed op 2 december 1950 in Genève. Hij werd 33 jaar. Deze goed gedocumenteerde EMI-heruitgave is precies wat die bedoeld te zijn: de 'living legacy' en tevens de tijdloze kunst van een van de grootste pianisten van de twintigste eeuw.


 
   

Gekozen opnamen

Bach: Pianoconcert nr. 1 in d, BWV 1042 - Partita nr. 1 in Bes, BWV 825 (live).

Bach/Busoni: KoraalPrélude "Nun komm', der Heiden Heiland" BWV 599 - "Ich ruf' zu dir, Herr Jesu Christ" BWV 639.

Bach/Hess: KoraalPrélude "Jesu bleibet meine Freude" BWV 147.

Bach/Kempff: Siciliana BWV 1031.

Bartók: Pianoconcert nr. 3 Sz 119 (live).

Brahms: Walsen voor piano vierhandig op. 39 nr. 1, 2, 5, 6, 10, 14 en 15 (met Nadia Boulanger).

Chopin: Pianoconcert nr. 1 in e, op. 11 (live) - Étude in Ges, op. 10 nr. 5 (live) - in e, op. 25 nr. 5 (live) - Pianosonate nr. 3 in b, op. 58 - Wals nr. 1 in Es, op. 18 - nr. 2 in As, op. 34 nr. 1 - nr. 3 in a, op. 34 nr. 2 - nr. 4 in F, op. 34 nr. 3 - nr. 5 in As, op. 42 - nr. 6 in Des, op. 64 nr. 1 - nr. 7 in cis, op. 64 nr. 2 - nr. 8 in As, op. 64 nr. 3 - nr. 9 in As, op. 69 nr. 1 - nr. 10 in b, op. 69 nr. 2 - nr. 11 in Ges, op. 70 nr. 1 - nr. 12 in f, op. 70 nr. 2 - nr. 13 in Des, op. 70 nr. 3 - nr. 14 in e, op. post. - Mazurka in cis, op. 50 nr. 3 - Barcarolle in Fis, op. 60 - Nocturne in Des, op. 27 nr. 2.

Enescu: Pianosonate nr. 3 in D, op. 25.

Grieg: Pianoconcert in a, op. 16.

Liszt: Pianoconcert nr. 1 in Es (live) - Sonetto 104 del Petrarca (uit Années de pélérinage nr. 2: Italie).

Mozart: Pianoconcert nr. 21 in C, KV 467 - Pianosonate nr. 8 in a, KV 310.

Ravel: Alborada del gracioso.

Scarlatti: Sonate in Es, L 380 - Sonate in d, L 9 (Pastorale).

Schumann: Pianoconcert in a, op. 54.

* * *

Het laatste recital (Besançon, 16 september 1950)

Bach: Partita nr. 1 in Bes, BWV 825.

Chopin: Wals nr. 1 in Es, op. 18 - nr. 3 in a, op. 34 nr. 2 - nr. 4 in F, op. 34 nr. 3 - nr. 5 in As, op. 42 - nr. 6 in Des, op. 64 nr. 1 - nr. 7 in cis, op. 64 nr. 2 - nr. 8 in As, op. 64 nr. 3 - nr. 9 in As, op. 69 nr. 1 - nr. 10 in b, 69 nr. 2 - nr. 11 in Ges, op. 70 nr. 1 - nr. 12 in f, op. 70 nr. 2 - nr. 14 in e, op. post.

Mozart: Pianosonate nr. 8 in a, KV 310.

Schubert: Impromptu in Es, D 899 nr. 2 - in Ges, D 899 nr. 3.

Dinu Lipatti en Nadia Boulanger (piano), Philharmonia Orchestra, Lucerne Festival Orchestra, Tonhalle-Orchester Zürich, Orchestre de la Suisse Romande, Koninklijk Concertgebouworkest, Orchester des Südwestdeutschen Rundfunks o.l.v. Herbert von Karajan, Alceo Galliera, Otto Ackermann, Eduard van Beinum en Paul Sacher.

EMI Classics 2 07318 2 3 (7 cd's) - mono (1937/1950) -


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links