Opera en operette

Vuurvliegjes

 

© Paul Korenhof, juli 2017

 

Vertel iemand binnen het operabedrijf dat je ergens een bijzondere voorstelling gaat zien en de kans is groot dat niet wordt gevraagd wie zingt of dirigeert, maar "in welke regie?" Het vreemde aan die fixatie op regisseurs is echter dat zij per definitie het vluchtigste element in het hele theaterbedrijf betreft. Voor het operapubliek zijn regisseurs als voorbijfladderende vuurvliegjes. Een enkele keer roepen we 'ah!' en 'oh!' zoals vroeger ook bij het vuurwerk in Scheveningen, maar soms merken we ze niet eens op. Bovendien zijn we hen vaak al snel weer vergeten, sneller in ieder geval dan de zangers en dirigenten die tijdens een voorstelling het echte werk doen!

Er zijn natuurlijk uitzonderingen, grootheden die bijzondere producties afleverden, en enkelen onder hen hebben met hun ensceneringen ook een ontwikkeling in gang gezet. Daarbij denk ik aan Wieland Wagner, Luchino Visconti, Franco Zeffirelli, Walter Felsenstein met enkele van zijn leerlingen, en natuurlijk aan Patrice Chéreau, die evenals Wieland Wagner met zijn ensceneringsstijl ook de muzikale kant van het operabedrijf sterk heeft beïnvloed. Wie van de huidige regisseurs zich in dit rijtje zal scharen, moet de toekomst uitwijzen, maar één ding is zeker: de herinnering aan hun werk en de indruk die dat in het theater maakte, sterft uit met degenen die het gezien hebben. De conserverende rol van de dvd is immers heel beperkt. Het 'erbij zijn' is iets totaal anders dan kijken door het oog van een camera. En dat niet alleen: verfilmde opnamen bewijzen dat een regie heel snel verouderd ('ouderwets') overkomt. Ook op dat punt is het werk van de regisseur vluchtiger dan dat van de zanger of de dirigent.

Nadine Sierra en Leo Nucci in Orange vóór...

Nucci's Rigoletto
Dat alles kwam bij mij op toen ik 8 juli in de arena van Orange een Rigoletto meemaakte waarbij negenduizend toeschouwers volledig uit hun dak gingen. Niet vanwege de regie, maar vanwege de solisten met in het centrum de 75 jaar oude Leo Nucci. Hoewel van huis uit geen echte Verdi-bariton van het kaliber Bastianini, Warren of MacNeil, is hij momenteel nog altijd de beste zanger die men zich voor dit soort rollen wensen kan.

Dat laatste zegt iets over de huidige zangwereld, maar ook over Nucci die met hard werken, een uitmuntende techniek, intelligentie en vooral persoonlijkheid dit niveau niet alleen wist te bereiken, maar die het ook tot op deze leeftijd wist vol te houden. Zijn adem heeft iets aan kracht ingeboet en zijn timbre begint kale plekjes te vertonen, maar wat hij als Rigoletto uit de muziek weet te halen, is nog steeds aangrijpend en vocale tekortkomingen weet hij te maskeren met intelligent spel dat tot in de kleinste details is uitgewerkt. Wie hem in meerdere producties gezien heeft (hij zong de rol ruim vierhonderd maal), kan zijn licht slepende tred als een maniërisme gaan zien, maar effectief is het zeker wel en een goede compensatie voor de tegenwoordig minder evidente bochel (waarnaar in de tekst zo nadrukkelijk verwezen wordt, dat een regisseur die moeilijk helemaal kan weglaten).

... tijdens ...

Bisseren mag dan tegenwoordig als 'onartistiek' worden beschouwd, toen Nucci zich samen met de sopraan Nadine Sierra in een herhaling van 'Sì, vendetta!' stortte, ging door de enorme arena van Orange een zindering zoals ik die lang niet meer heb meegemaakt. Hoezo onartistiek? Dit is opera! En als uitvoerenden op die manier een publiek weten te bereiken, kan 'artistiek' en 'onartistiek' mij gestolen worden! Een tweede publiekslieveling was de jonge Amerikaanse sopraan Nadine Sierra, een expressieve en innemende zangeres met een mooi warme, uitmuntend geprojecteerde sopraan en een eminent actrice. Vocaal en in uitstraling is zij echter meer een Lucia of Violetta dan een Gilda, zonder de prachtige triller waarmee Lisette Oropesa in Amsterdam haar 'Caro nome' afsloot. Zelfs de aanzet daartoe ontbrak. Ook dat is helaas het niveau van de huidige zangkunst!

Minder indruk maakte op mij de hertog van Celso Albelo, een wat houterige Spaanse tenor zonder de elegante frasering waarom de rol om vraagt, maar daartegenover stond ook een verrassende Sparafucile van de Slovaakse bas Stefan Kocan, een imposante en welluidende bas die na zijn duetje met Rigoletto werd onthaald op een spontaan 'opendoekje'.

... en na de bissering van 'Sì, vendetta!' (schermfoto's)

De directie van de Finse dirigent Mikko Frank, de huidige chef van het Orchestre philharmonique de Radio France, muntte meer uit door degelijkheid dan door italianità, maar de regie van Charles Roubaud was precies wat een voorstelling in Orange nodig heeft. Op een soms magisch belicht toneel dat beheerst werd door een enorme liggende narrenstaf, speelde het verhaal zich af in moderne kostuums maar zonder ingrepen in het verhaal. Van de elegante balzaal aan het begin tot de zak met het lichaam van Gilda aan het slot gebeurde precies waar het libretto om vraagt, zij het door personages die meer 'modern Italiaans' dan renaissancistisch waren. Rigoletto zelf werd daarbij effectief neergezet als een wat sjofele Italiaanse acteur uit een film van Fellini en het was een vondst om een van de kelners die na het eerste tafereel de balzaal opruimden, zich te laten ontpoppen als Sparafucile.

N.B. De voorstelling van 11 juli is nog zien op www.culturebox.fr


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links