Opera en operette

Sterke opening DNO

 

© Paul Korenhof, september 2021

 

Zemlinsky: Der Zwerg
Clay Hilley (Der Zwerg), Lenneke Ruiten (Donna Clara, Infantin), Annette Dasch (Ghita), Derek Welton (Don Esteban) e.a.
Regie: Nanouk Leopold
Toneelbeeld: Leopold Emmen
Kostuums: Wojciech Dziedzic

Haydn/Oron: Missa in tempore belli
Janai Brugger (sopraan), Polly Leech (mezzosopraan), Mingjie Lei (tenor), Johannes Kammler (bariton)
Dansers van Het Nationale Ballet
Regie en toneelbeeld: Barbora Horáková
Choreografie: Juanjo Arqués
Kostuums: Jorine van Beek

Koor van De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest
Dirigent: Lorenzo Viotti
Première: 4/09 (Zemlinsky) & 6/09 (Haydn)
www.operaballet.nl

De noodzaak om vooralsnog korte voorstellingen te plannen leidde bij DNO tot een seizoensopening die over twee avonden werd uitgesmeerd: afgelopen zaterdag de eenakter Der Zwerg van Zemlinsky met twee dagen later in samenwerking met Het Nationale Ballet een scenische invulling van Haydn's Missa in tempore belli, beter bekend als Paukenmis, met aanvullende composities van Janiv Oron.

Bijzonder welkom - Covid heeft ook voordelen - is de terugkeer van Der Zwerg, de muzikale bewerking van een sprookje van Oscar Wilde op een tekst van Georg Klaren die in sfeer echter weinig van het origineel overlaat. Overtuigender op dat punt is de omwerking van de tekst door Adolf Dresen die als Der Geburtstag der Infantin bekend werd, een niet onbelangrijk detail, dat in het programmaboek van DNO (p. 13) over het hoofd wordt gezien.
In Nederland hadden we het geluk beide versies kort na elkaar op het toneel te zien: DNO bracht Der Zwerg in september 1985 met Neil Rosenshein als de ongelukkige dwerg en tijdens het Holland Festival 1987 zagen we de Geburtstag in een productie uit Hamburg met Kenneth Riegel.

Ensemblefoto - ©Marco Borggreve/DNO
Klik hier voor grotere afbeelding

Overweldigend
Hoewel het jammer is dat DNO wederom koos voor het bombastische en soms onlogische libretto van Klaren, is wel een ander voordeel van Covid dat de verstaanbaarheid van die tekst aanmerkelijk profiteert van de plaatsing van het orkest achter de solisten. Gelukkig, want het officiële aantreden van Lorenzo Viotti als chefdirigent vond plaats met een orkaan aan orkestraal geweld die bij een normale opstelling de zangers regelmatig overspoeld zou hebben.

Dat Viotti zich met het NedPho enthousiast uitleefde, staat buiten kijf, en de opgeroepen klankwereld, uitgevoerd met een duidelijke hang naar perfectie van dirigent én orkest, was van een overweldigende muzikale schoonheid.
Ietsje minder mag echter ook - vaak wordt muziek daar alleen maar mooier door. Het is bovendien prettiger voor de zangers, want evenmin als twee jaar geleden bij Cavalleria rusticana en Pagliacci gaf Viotti geen blijk van veel affiniteit met de manier waarop zij stilistisch en in frasering hun partijen invulden.

Vocaal gevecht
Een duidelijk slachtoffer van deze aanpak werd de tenor Clay Hilley in de titelrol. Na de ontroerende vertolking van Rosenshein en de invulling van Riegel die in de NRC zelfs 'een van de mooiste operarollen van de eeuw' werd genoemd, kwam Hilley in zijn scène met de infantin nauwelijks verder dan een bij voorbaat verloren gevecht met het orkest. Zijn lastige tessitura met diverse moordende topnoten ontaardde soms in tenenkrommende machteloosheid. "Ik vond zijn stem niet mooi klinken," zei iemand na afloop. Nee, logisch. Arme tenor!

Dat Hilley grote moeite deed om de emoties van de dwerg toch hoorbaar te maken, valt alleen maar te prijzen en gelukkig kwam daarna zijn prachtige scène met Ghita waarin Zemlinsky het orkest in rustiger vaarwater deed belanden. Daar kwam zijn zang beter uit de verf, waardoor in zijn frasering een groter scala aan emoties kon doorklinken.

Wat die scène bijzonder maakte, was echter het aandeel van de sopraan Annette Dasch. Na haar Chawa in Die ersten Menschen tijdens het afgelopen Holland Festival bewees haar doorleefde voordracht opnieuw dat zij tot de meest betrokken zangeressen van dit moment behoort.

Een genoegen was het eveneens de heldere, trefzekere zang van Lenneke Ruiten in de rol van de verwende infantin, terwijl bariton Derek Welton zich als de Haushofmeister vanaf het eerste moment een vocale rots in de branding betoonde.
Vijf studioleden en ex-studioleden zorgden voor een solide ensemble hooghartige (dienst)meisjes. In hun kielzog opereerde het vrouwenkoor van DNO wat op de achtergrond - letterlijk door de plaatsing opzij van het orkest.

v.l.n.r. Annette Dasch (Ghita), Clay Hillie (Der Zwerg), Lenneke Ruiten (Donna Clara) - ©Marco Borggreve/DNO
Klik hier voor grotere afbeelding

Muzikale essentie
In het toneelbeeld van Leopold Emmen is de wand achter het orkest een groot rond scherm voor de projectie van videbeelden. Daarin wordt de dwerg als paradijsvogel geplaatst tegenover een wereld van varkentjes, rozig en vertederend, soms ook beangstigend en zich met graagte wentelend in de modder. Een stellage van houten frames op het voortoneel, waardoor het erachter geplaatste orkest constant zichtbaar is, werkt als afspiegeling van de menselijke hokjesgeest.

De plaatsing van de solisten in ieder een eigen frame wekt even de indruk van een semi-concertante voorstelling, maar de regie van Nanouk Leopold stijgt daar ver boven uit. Hier geen knullig naturalisme met een tenor die op zijn knieën rondschuifelt om een dwerg uit te beelden, en ook geen 'actualisering' die niets met het gegeven en nog minder met de muziek te maken heeft.

Identificatie
Leopold is boven het verhaal uitgestegen door zich te richten op de subtekst en de inhoud van de muziek. We zien niet wat de personages dóen, maar hoe zij zich vóelen en hoe zij hun eigen handelen zien. Juist daardoor biedt de invulling van de dwerg als volwassen man in een fantasiekostuum een grote kans op theatrale identificatie. We zien hem immers niet zoals hij is - iets wat hij zelf niet weet - maar hoe hij zichzelf ziet!

Dat dit niet ten koste hoeft te gaan van de emoties, werd vooral duidelijk in zijn scène met Ghita. De speelkameraad van het harteloze prinsesje dat de dwerg naar zijn ondergang voert, raakt steeds meer doordrongen wordt van het onmenselijke van de situatie en bouwt een moederlijke liefde voor hem op.

Het sterven van de dwerg, het enige moment waarop de drie centrale personages even buiten hun kader komen, riep daardoor een ontroering op die die juist door de abstrahering van de feitelijke handeling extra sterk overkwam.

Contrapunt
Het tweede deel van de openingsproductie bleek één groot muziekdramatisch contrapunt dat zowel fascineerde als intrigeerde. Muzikaal uitgangspunt was de combinatie van Haydn's Missa in tempore belli ('Mis in tijd van oorlog') met composities en live-elektronica van de Zwitsers-Israëlische mediakunstenaar en DJ Janiv Oron. Daarnaast speelde ook de visualisering zich af op meerdere fronten in de combinatie van een 'normale' enscenering en balletscènes met twee verschillende 'video-performances', elk aansluitend bij een van de twee muzikale werelden.

Bij gebrek aan een 'verhaaltje' ontbreekt in het programmaboek een synopsis, maar het verdient aanbeveling in plaats daarvan vooraf het interview met regisseuse Barbora Horáková te lezen! Het centrale uitgangspunt voor haar verrassende en steeds meer overrompelende 'Gesamtkunstwerk' was haar streven om een brug te slaan tussen het collectieve gevoel dat Haydn's Paukenmis oproept en in onze beschaafde maatschappij moeilijk uit te bannen vormen van individueel lijden.

Collectief en individu
Als voorbeelden van dat laatste verwijst Horáková onder meer naar homofobie, huiselijk geweld, abortus en uitvloeisels van religieus fanatisme. (Dat laatste thema speelt ook rol rol in de voorstelling De dokter van Robert Icke die het ITA deze maand aan het Leidseplein speelt.) Om daaraan scenisch uitbeelding te geven heeft zij voor ieder van de vier solisten in Haydn's mis een eigen verhaal gecreëerd dat verder wordt uitgewerkt in door Juanjo Arqués krachtig uitgewerkte balletscènes bij de muziek van Oron.

Dat er geen scheiding bestaat tussen het collectieve en het individuele, wordt gesymboliseerd door de koorleden, na een opkomst als individuen, tot collectief te laten versmelten en hun na afloop hun individualiteit weer terug te geven. Dan mengen zij zich tijdens het slotdeel van Haydn's mis ook met de solisten en de dansers in een uiting van gezamenlijke hoop op een (nog) betere toekomst. Het geheel van afzonderlijke elementen wordt visueel extra tot eenheid gemaakt door een leergierig kind en een berustende oude man als rode draad door het geheel te laten lopen.

Scènefoto Haydn/Oron ©Bart Grietens /DNO

Multidisciplinair
Bijzonder was ook het feit dat in de multidisciplinaire opzet de videokunst op een heel eigen manier betrokken waas. Vormden de beelden van Simon Hänggi bij de muziek van Oron nog een geheel met de balletscènes, de bijna surrealistische kathedraal die de uit Mauritius afkomstige Hervé Thiot spontaan voor deze productie heeft vastgelegd, is een kunstwerk op zich.

Als tijdens de eerste maten van de Paukenmis de eerste lijntjes op het achterdoek verschijnen, zit je daar als toeschouwer nog wat bevreemd naar te kijken, zelfs na lezing van de toelichting. Naarmate het beeld groeit, groeit echter ook het gevoel dat die onwerkelijke schepping extra glans verleent aan de muzikale kathedraal die Viotti met het NedPho en het Operakoor opbouwt.

Een aangename verrassing was overigens om Viotti en het NedPho ditmaal in de bak aan te treffen, te meer omdat de pauken waaraan de mis haar bijnaam ontleent, nu niet alleen goed goed hoorbaar maar ook goed zichtbaar waren. Over het geheel genomen was de balans overigens beter dan bij Der Zwerg, en niet alleen dankzij Haydn's orkestratie. Ook de aandacht van de componist voor de solistische stemmen en de plaatsing van het koor - tot de slotscène bovenin het toneel - werkten daaraan mee.

Scènefoto Haydn/Oron ©Bart Grietens /DNO

Dat de Missa ook muzikaal theatraler overkwam dan eigenlijk bij het werk paste, was onvermijdelijk. Reductie van het religieuze belang van de tekst neemt echter niet weg dat iets meer aandacht mocht worden besteed aan de articulatie. Hetzelfde geldt voor de solistische bijdragen met daarin wel vooral een bezielde sopraanpartij van Janai Brugger. Opmerkelijk was ook de akoestische balans tussen het spel van het NedPho en de elektronische klanken van Oron, die ertoe bijdroeg dat de combinatie van twee zo sterk verschillende muzikale werelden nooit het gevoel van een stijlbreuk opriep.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links