Opera en operette

Geësthetiseerde bandeloosheid

 

© Paul Korenhof, september 2023

 

Weill: Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny

Evelyn Herlitzius (Leokadja Begbick), Alan Oke (Fatty), Thomas Johannes Mayer (Dreieinigkeitsmoses), Lauren Michelle (Jenny Hill), Nikolai Schukoff (Jim Mahoney), Iain Minne (Jack O'Brien, Toby Higgins), Martin Mikhize (Bill), Mark Kurfmanbayev (Joe) e.a.
De Nationale Opera
Nederlands Philharmonisch Orkest
Dirigent: Markus Stenz
Regie: Ivo van Hove
Decor: Jan Versweyveld
Kostuums: An D'Huys
Video: Tal Yarden
Foto's: © Clärchen & Matthias Baus/DNO
Amsterdam, 6 september 2023

Dat Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny geen gewone opera is, zal duidelijk zijn voor iedereen die iets weet over Bertolt Brecht. Dat het, vooral in het fragmentarische eerste bedrijf, rommelig aandoet, begrijpt iedereen die weet hoe het werk tot stand kwam - of beter: dat Kurt Weill nooit de kans heeft gekregen een definitieve versie achter te laten. Bovendien hinkt het werk op twee benen. Het streven van zowel Weill als Brecht was er een echte opera van te maken, maar vooral Brecht had daarbij de bedoeling er niet alleen een sociale aanklacht van te maken. Hij wilde de operavorm ook gebruiken om de traditionele opera aan de kaak te stellen als consumptieartikel dat dreef op de exploitatie van sentimenten.

Het begon in 1927 met een opdracht uit Baden-Baden voor een 'Kurzoper', en met schetsen van Brecht die de titel Auf nach Mahagonny droegen. Dat resulteerde in het korte Mahagonny Songspiel, maar componist en librettist zagen beide mogelijkheden om het gegeven uit te werken voor een avondvullende opera. Andere opdrachten, het ontstaan van de Dreigroschenoper, de groeiende invloed van de nazi's, maar ook onbegrip en tegenstand in eigen kringen vertraagden het werk echter aanzienlijk en maakten dat componist en librettist zich niet meer goed op hun grootste project konden concentreren.

De controversiële inhoud bleek echter het grootste struikelblok en uiteindelijk was de première in Leipzig op 9 maart 1930 alleen mogelijk nadat het werk op diverse punten minder provocerend was gemaakt. Opvoeringen in andere theaters leidden tot weer andere aanpassingen en bekortingen, en dat gold zeker voor de succesrijke reeks Berlijnse voorstellingen in 1931 (met Lotte Lenya als Jenny), waarvoor de instrumentatie ook flink werd uitgedund waardoor een klankwereld ontstond die in de lijn lag van die van de Dreigroschenoper. Als gevolg daarvan was in 1933, toen componist en librettist Duitsland de rug toekeerden, nog altijd geen definitieve partituur tot stand gekomen.

Lotte Lenya
Ondertussen had de succesrijke Berlijnse versie wel geleid tot het naast elkaar bestaan van twee verschillende versies. Enerzijds was er de opera met groot orkest die Weill oorspronkelijk voor ogen stond, en anderzijds een werk acteurs dat in sfeer verwant was met het Berliner cabaret en voortborduurde op het succes van de Dreigroschenoper. Opmerkelijk is bovendien dat de hernieuwde belangstelling in de jaren vijftig op gang kwam dankzij een opname met het ensemble van de NDR onder leiding van Wilhelm Brückner-Rüggeberg die aansloot bij die 'Berlijnse versie'. De rol van Jenny werd daarin wederom vertolkt door Lotte Lenya die als weduwe van de componist en als leidende figuur binnen de Kurt Weill Foundation het initiatief voor dit project had genomen.

Kenmerkend voor die eerste opname was derhalve een ensemble van circa dertig musici dat zorgde voor de felle, jazzy-achtige kleuren die we kennen van Die Dreigroschenoper en van het Mahagonny Songspiel dat in 1927 in Baden-Baden in première was gegaan. Daarmee werkt de muziek overigens wel veel meer als een schurende sociale aanklacht dan met het symfonieorkest dat sinds de verschijning in 1969 van een nieuwe editie van de 'originele' partituur meestal gebruikt wordt bij uitvoeringen in operatheaters. Diezelfde partituur, die ook aan de voorstellingen door DNO ten grondslag ligt, vormde tevens het begin van de traditie om de solistische rollen in Mahagonny niet meer door zingende acteurs te laten vertolken, maar door 'echte operasolisten'.

Muzikaal karakter
Het resultaat is in feite een totaal ander werk dan we zien en horen in een opname van de Los Angeles Opera uit 2007. Onder James Conlon en in de regie van John Doyle werd Mahagonny daar vol vaart en met scherpe accenten gebracht als een mengeling van opera, cabaret en musical met in de bak een klein instrumentaal ensemble. En natuurlijk werd er een Engelse vertaling gebruikt die in een felle, helder gearticuleerde vertolking met ervaren musicalsterren als Audra McDonald en Patti LuPone, de scherpe kantjes van de tekst van Brecht volledig tot hun recht liet komen. Een voorstelling van dit werk in het Duits 'omdat de teksten van Brecht zo mooi zijn' gaat volledig voorbij aan wat diezelfde Brecht met zijn teksten voor ogen stond!

De voorstelling die afgelopen woensdag het Amsterdamse seizoen opende, is een herinstudering van de productie die in juli 2019 in Aix-en-Provence in première ging en inmiddels ook al door Opera Ballet Vlaanderen is opgevoerd, maar die door de coronacrisis niet eerder naar Amsterdam kon komen. Aan de basis ligt de complete partituur zoals Weill die voor het operatheater schreef met ingelast aan het slot, vóór de executie van Jim Mahoney, het zogenaamde 'Kraanvogelduet' dat ooit in de plaats was gekomen van een aanstootgevende bordeelscène.

In een interview in het programmaboekje van DNO wekt dirigent Markus Stenz de indruk dat hij zelf ook nog keuzes heeft kunnen maken, al was het maar ten aanzien van de invulling van de instrumentatie, maar informatie daarover ontbreekt. Wel kunnen we constateren dat ook deze 'grote' partituur van Weill uitmunt door een rijkdom aan kleuren en accenten, en een sterk gevoel voor dramatische spanningsbogen. Aan de andere kant mis ik toch de fellere klankwereld die overheerst in een versie voor klein instrumentarium met brutale blazers en impertinent, bijna opdringerig slagwerk. Dat kleiner, sterk jazzy gekleurd ensemble versterkt niet alleen het karakter van de muziek, maar ook de ontluisterende schildering die Brecht geeft van onze maatschappij. Met een groot orkest komt het toch wat milder over, alsof er gepoogd wordt het publiek met esthetische klanken in slaap te sussen.

Esthetiek en sentiment
Ondanks enkele zogenaamd 'harde' en provocerende scènes overheerst esthetiek ook in de eigentijdse enscenering van Ivo van Hove. Juist daardoor komt het fragmentarische eerste deel wat verbrokkeld over, maar beginnend op een kaal toneel waarop de eerste paal voor Mahagonny nog geslagen moet worden, maakt de regie van het eerste bedrijf wel één lange climax. Met mooi gedoseerde rustpunten wordt daar toegewerkt naar een spectaculaire persiflage op een concertatofinale in een Italiaanse of Franse opera, die ook door de rauwe accenten in de muziek de wrange boodschap scherp doet overkomen. Minder geslaagd is de rol van een camera die om de haverklap solisten zingend op een videoscherm projecteert. In een misplaatste interpretatie van het Brechtiaans theater is het voortdurend asynchroon samengaan van beeld en geluid misschien vervreemdend bedoeld, maar in de praktijk werkt het storend en op den duur uiterst irritant.

Het tweede deel is consistenter van opbouw met ook sterkere dramatische lijnen. In duidelijk aan de regie ondergeschikte decors van Jan Versweyveld kan Van Hove zich daar uitleven in een overvloed aan sterke momenten, waarbij in het samengaan van handeling en projecties ingenieus gebruik werd gemaakt van een 'groen scherm'. (Alleen werd de expliciete bordeelscène bij de première niet door iedereen gewaardeerd.) Het probleem van de uitgesponnen slotscène die 'de boodschap' er bij het publiek moet inhameren, is effectief opgelost door de manier waarop Van Hove de complete volksmassa op het toneel met het lijk van de geëxecuteerde Jimmy laat rondsollen. (Een kleine coupure hier en daar schijn tegenwoordig niet meer te mogen, maar zeker in het theater kan dat echt geen kwaad!)

Ook hier lijkt echter de theatrale esthetiek en het streven naar een muzikaal en scenisch indrukwekkende weergave van de partituur van Weill sterker dan de behoefte om de sociale kritiek van Brecht het volle pond te geven. Dat wordt helemaal duidelijk door de plaatsing van het nagecomponeerde 'kraanvogelduet' in de scène waarin Jenny afscheid neemt van de veroordeelde Jim Mahoney. Het is een verrassend moment, muzikaal en theatraal bijzonder effectief, maar de uitgesponnen emoties van dit substantiële 'nummer' doorbreken de navrante sfeer met vijf minuten ongegeneerd operasentiment. De prachtig beheerste emoties in de zang van zowel de sopraan Lauren Michelle als de tenor Nikolai Schukoff maken er muzikaal een juweeltje van, maar ik vraag me af of Brecht er blij mee zou zijn geweest. Voor hem zou het vermoedelijk een voorbeeld zijn van de emotionele consumptie in het theater waar hij zich juist zo tegen verzette.

Waar het de rol als geheel betrof was Michelle een warme en ontroerende Jenny, als karakter echter eerder een heldin van Puccini dan de door de wol geverfde, nu eens keiharde, dan weer met haar gevoelens strijdende prostituee van Brecht. De krachtig en helder gezongen, vocaal zeer aanwezige Jim Mahoney van Schukoff had daarentegen juist met iets sentiment ook meer reliëf kunnen geven aan het individu als slachtoffer van een inhumaan systeem.
Van de oorspronkelijke bezetting in Aix zagen we behalve Schukoff alleen nog Alan Oke als een gluiperig onderdanige boefjesmaat Fatty. Willard White, die de afgelopen jaren ongeveer het monopolie had op opperboef Dreieinigkeitsmoses, was vervangen door Wotan-vertolker Thomas Johannes Mayer die de rol minder vilein meegaf, maar vocaal wel sterk aanwezig was. In de karakterrol van Leokadja Begbick overtuigde de voormalige Wagner-sopraan Evelyn Herlitzius niet helemaal. Vocaal was het allemaal in orde, maar zij bleef een dame en werd nergens een ordinaire kroegbazin die wellustig en met een vileine glimlach haar slachtoffers onderuit haalt.

Kortom: als voorstelling is deze productie van Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny in alle opzichten de moeite waard, maar als theatergebeuren is het meer 'pour amuser' dan 'pour épater les bourgeois'. Het venijn en de schurende maatschappijkritiek die ik wel hoor in de opname uit de jaren vijftig en in bijvoorbeeld de dvd-opname uit Los Angeles, ontaardt hier te veel in een met veel zorgen omringd theatraal prentenboek met een bijzonder fraaie muzikale begeleiding van het NedPhO onder leiding van Markus Stenz.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links