Interview

Hans Waege:

"We zijn allemaal passanten"

 

© Aart van der Wal en Bas van Westerop, mei 2010

 

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest beleeft gouden tijden: onder de nieuwe chefdirigent Yannick Nézet-Séguin is het orkest tot bloei gekomen als nooit tevoren. Door de jonge en frisse uitstraling stromen er opeens dertigers en veertigers richting de Doelen die daar nooit kwamen. En door de verbouwing die een redelijke in een voortreffelijke zaal veranderde kreeg het geheel nog een extra impuls.

Het orkest maakt tevens weer cd's (voor EMI en BIS) en heeft net een zeer succesvolle tournee naar New York en Canada achter de rug. De tijden van Valery Gergiev lijken inmiddels ver weg: Yannick staat alleen al in de eerste zes maanden van dit jaar liefst 14 weken voor het orkest, een aantal waar zijn illustere voorganger soms twee seizoenen voor nodig had...

Algemeen directeur bij het orkest is de Belg Hans Waege (42) die vorig jaar zijn naar het Koninklijk Concertgebouworkest vertrokken landgenoot Jan Raes opvolgde.

 
  Hans Waege

Hans Waege werd geboren in Oudenaarde en studeerde sociologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij specialiseerde zich in toegepaste statistiek en promoveerde in 1998 met een onderzoek over dataverzameling en analyse. Als hoofddocent aan de Universiteit Gent zette hij een onderzoeksgroep op; hij leidde er tal van projecten, onder meer op het gebied van cultuuraanbod, cultuurgebruik en cultuurparticipatie. In dezelfde periode was hij verantwoordelijk voor de oprichting van de Studiedienst van de Vlaamse Regering, met als speciale aandachtspunten de beleidsdomeinen cultuur, media en jeugd.

Waege werd in 2004 intendant van deFilharmonie; hij vernieuwde daar het personeelsbeleid, was verantwoordelijk voor de benoeming van Jaap van Zweden als chefdirigent en zorgde ervoor dat het orkest na 52 jaar een eigen, nieuwe concertzaal kreeg. Waege is nu onder meer voorzitter van het Overleg Kunsteninstellingen van de Vlaamse Gemeenschap en van de Vlaamse Commissie Cultuur en Onderwijs; eerder was hij bestuurder van de Vlaamse Opera en diverse andere kunstenorganisaties, en lid van de vaste nationale cultuurpactcommissie. Op 14 januari 2009 startte hij als algemeen directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest Rotterdams Philharmonisch).

Gezien al het bovenstaande leek het ons tijd voor een interview. Binnen een minuut kwamen we terecht op zo'n typisch Nederlands onderwerp: de verschillen tussen het Rotterdams Philharmonisch en het Concertgebouworkest.

Amsterdam en Rotterdam

Hans Waege: Vroeger hoorde ik het Concertgebouworkest veel meer. Sinds ik hier zit heb ik het gewoon te druk! Voor zaken ben je eerder in Londen, een plek waar iedereen komt, en waar ook veel voor ons interessante dirigenten langskomen. Ik vind het bovendien gevaarlijk om over het ene orkest uitspraken te doen terwijl je bij het andere werkt.

Er is zonet een eerste fluitist aangesteld in Rotterdam die afkomstig is uit het Concertgebouworkest, waar hij tweede fluitist was!
Wij zijn daar heel blij mee. Hij heeft op iedereen ongelooflijk veel indruk gemaakt bij de concerten die hij tot nu toe bij ons heeft gespeeld (daaronder Beethoven VI en Brahms II - AvdW).  En eerlijk gezegd: of hij nu uit het KCO komt of niet, dat is een Nederlandse stammentwist waar ik als Belg eigenlijk relatief koud bij blijf. Ik ben er niet mee bezig.
Het was ooit haast gewoon dat het andersom gebeurde (van het Rotterdams Philharmonisch naar het Concertgebouworkest - BvW): je ging dan in een magische zaal spelen en je ging er bovendien qua loon fors op vooruit. Maar nu hebben wij sinds de verbouwing ook een fantastische zaal, zowel op het podium als vanuit de zaal. Alle dirigenten die ik ken, zowel van ons orkest als van andere orkesten zijn het roerend eens dat de Doelen een uitstekende zaal geworden is. En ze komen dus graag hier en komen ook graag terug!

Een nieuwe koers

Yannick en ik hebben een koers ingeslagen die echt over dit orkest gaat. We vergelijken ons met niemand meer, niet met Amsterdam, Berlijn of Wenen, en kijken alleen hoe wij vooruit kunnen gaan. Als manager wil ik op alle gebieden groei zien: op artistiek gebied, in mediabeleid, in tourneebeleid, in ons financiële beleid, personeelsbeleid, marketing, sponsoring etc. En aangezien op sommige gebieden meer groei nodig is zal de groei niet op alle gebieden even groot kunnen zijn.

Yannick Nézet-Séguin (foto: Monic Richard)

Een goed orkest is een synthese van allerlei noodzakelijke maar elk op zich onvoldoende voorwaarden. Alleen goede musici of een goede chef, dat is niet genoeg! En ben je een toporkest als je dat in Rotterdam bent? Dat kan natuurlijk wel maar als je dat alleen maar zelf vindt en bovendien alleen in Rotterdam dan heb je toch een groot probleem!

Je moet je met regelmaat willen meten met de grote orkesten op de belangrijkste podia van de wereld: New York, Londen, Wenen, Duitsland. Spelen voor veeleisend publiek. Dus is het mijn taak om belangrijke tournees te regelen en de taak van de musici om dan op hun toppen te spelen! We zijn bijvoorbeeld absoluut te weinig in Duitsland geweest en dan vergeet men snel wie je bent.
Door deze internationale momenten in je seizoen in te bouwen zorg je ervoor dat er echte uitdagingen zijn en dat straalt dan af op de Rotterdamse weken! Dat hoort ons Rotterdamse publiek dus ook! Ik prijs mij trouwens zeer gelukkig met dat publiek: er komen niet alleen veel mensen maar ze kennen de muziek ook. We hebben - om het zo te zeggen - een goed 'opgeleid' publiek.

Volgens mij is een orkest zo goed als zijn slechtste drie concerten per seizoen. Je hebt dus de 'bewaking' aan de ondergrens en de idealen aan de bovengrens.. Maar je bent er nooit, nooit, nooit, het is een permanente weg naar beter, het is een zoektocht. Elke keer streef je er weer naar om een werk voor de oren van vandaag als nieuw te laten klinken. De tijd van 'zet een goed orkest in een zaal en je bent klaar' is echt voorbij. De samenstelling van de bevolking verandert, maar ook de gemiddelde luisteraar verandert. We moeten voortdurend rekening houden met zijn verwachtingen, zijn opvoeding en zijn wensen.  

Hedendaagse muziek

In het nieuwe seizoen staat er opmerkelijk weinig hedendaagse muziek geprogrammeerd.
Dat klopt inderdaad. Maar ons nieuwe beleid betreffende hedendaagse muziek zal pas vanaf seizoen 2011/12 zichtbaar worden. Ik zal dat toelichten.
Helaas ontstaan veel hedendaagse stukken als het ware buiten de samenleving om: ze zijn te academisch. In de Angelsaksische wereld is dat veel minder het geval, deels komt dat door een andere manier van financieren. Componisten als John Adams, Thomas Adès en James MacMillan schrijven bovendien in een klankidioom dat de hedendaagse mens goed begrijpt.
De vraag is dus of je als orkest obligate opdrachtwerken moet geven (het liefst tien minuten zodat je het overal tussen kan zetten) of ervoor moet kiezen om de belangrijkste composities uit de tweede helft van de twintigste eeuw in de vorm van een canon aan je publiek te presenteren. Composities waarvan wij denken dat het repertoire voor de toekomst is en die goed kunnen 'communiceren' met ons publiek. Een voorbeeld: Harmonielehre van John Adams. Het is goede muziek en begrijpelijk. Magnus Lindbergs late werk ook, maar ook de stukken van James MacMillan. Het is dan onze taak om deze canon van de hedendaagse muziek naar het podium te brengen. In de seizoenen 2011/12 en 2012/13 zal dat veel duidelijker worden.
Ik denk daarbij niet dat we in een stad als Rotterdam moeten gaan experimenteren. Misschien lukt dat in Berlijn, waar meerdere orkesten zijn, maar wij zijn in Rotterdam het enige orkest en dan vind ik niet dat ik het recht heb om zeggen: ik zal die Rotterdammers eens eventjes wat eigentijdse muziek door de strot duwen! Dit proces moet langzamerhand zijn plaats vinden.  

Yannick Nézet-Séguin

Met Yannick hebben we in Rotterdam echt een schat die we moeten koesteren. Hij is een authentieke chefdirigent in die zin dat hij echt aanwezig is. Bovendien heeft hij een repertoire dat reikt van Bach tot de hedendaagse muziek. Dat maakt hem uniek in de wereld.
Hij gaat nu ook, heel bewust, het repertoire dirigeren dat eerder met Gergiev werd geassocieerd. Zo ontstond bijvoorbeeld het programma voor het volgende seizoen met de Pathétique van Tsjaikovski en met Kerst ook de complete Notenkraker. Zeker, bij Gergiev gebeurde (en gebeurt) er inderdaad altijd "iets", iets heel bijzonders en dat ondanks de vaak gebrekkige voorbereiding, maar we moesten gewoon weer terug naar het repeteren, terug naar ons metier.

Yannick Nézet-Séguin repeteert met het Rotterdams Philharmonisch (foto: Marco Borggreve)

Wat er momenteel in Rotterdam gaande is, is best een unicum: de geslaagde combinatie van een chef en zijn orkest. Het orkest is bezig aan een renaissance met een jonge dirigent die binnen een paar jaar een wereldcarrière heeft gemaakt. Hij heeft nu, op 34-jarige leeftijd zijn debuut gemaakt in Wenen bij de Wiener Philharmoniker, in New York aan de Metropolitan Opera, maar ook bij de grote Amerikaanse orkesten. Dàt is onze chefdirigent! Als je van orkesten houdt is dit een prachtige tijd om hier te mogen werken. Ik geniet er ook met volle teugen van.

Ik eis van mijn mensen op het gehele kantoor dat ze een ziel hebben voor ons orkest: als dat wat op het podium gebeurt je koud laat dan is dit niet de juiste plek voor jou. Aan de andere kant moet het orkest ons ook de tijd gunnen om vanuit het kantoor bijvoorbeeld een goed marketingbeleid op te zetten. Maar hoe dan ook, een orkest moet kunnen musiceren en het moet weten dat er een team zit dat daarom geeft en dat het zijn taken aankan. Terwijl het team moet weten dat het van het orkest het vertrouwen heeft om die taken uit te voeren.

De kunst is een orkest tot stand te brengen dat 90% van zijn tijd bezig kan zijn met musiceren, er moet muziekenergie door dit gebouw stromen!!

Opnamen

Toen ik hier kwam had het orkest al heel lang geen serieuze cd-opnamen meer uitgebracht. Dat is voor een orkest dat een toporkest wil zijn en het ook verdient te zijn gewoon vreselijk. En of het nou aan Gergiev lag of dat de markt slecht was, ik vind dat je dan niet moet gaan zitten treuren of verwijten moet gaan maken, maar dat je mogelijkheden moet gaan creëren. Daarbij is het van het grootste belang dat we opnamen maken voor een zo breed mogelijk publiek, opdat het orkest hierdoor zoveel mogelijk mensen weet te bereiken. Dat is tevens wat de musici echt willen. Een kunstenaar wil met zijn kunst overleven, zo is het altijd al geweest. Het gevoel iets voor het nageslacht te bewaren, dat is ook een factor die meespeelt! Het orkest weet dat de hele wereld dit kan horen en wil daardoor op zijn toppen spelen. Dat is de ultieme uitdaging: zó goed zijn dat het van blijvende waarde is. Vroeger waren dat vinylplaten, nu zijn het cd's en morgen is het misschien iets heel anders, zonder dat we nu precies weten wat dat zal zijn, al zal het best wel iets virtueels zijn, iets onaantastbaars.  

Door de wereldwijde distributie krijgen we ook wereldwijd recensies, die een klankbord vormen en waaruit zonneklaar blijkt of we wel of niet goed bezig zijn. Inmiddels hebben we vanuit de hele wereld al tientallen zeer goede kritieken op onze Ravel-cd gehad. Dat geeft toch wel aan dat er best iets goed aan zal zijn!
Dat de wind echter ook uit een andere hoek kan waaien, een bepaalde cd door de bank genomen wat minder enthousiast wordt ontvangen, vind ik overigens helemaal niet zo erg. Je kunt dan in een hoekje gaan zitten klagen en mokken, het onrechtvaardig, oneerlijk vinden,  maar je kunt die negatieve kritiek ook als een uitdaging beschouwen en er iets positiefs mee doen: hoe kunnen we dit beter? Iedere vorm van opbouwende kritiek moet een uitnodiging zijn om het morgen beter te doen. Terwijl  (zeer) lovende kritiek een aansporing moet zijn om het morgen minstens even goed, nee, nog beter te doen.

Dat we ons in een markt bewegen die met het standaardrepertoire al behoorlijk overvoerd is, is evident, maar vreemd genoeg koopt men nog steeds Beethoven en niet datgene dat nieuw en weinig opgenomen is. Dat verzin ik niet, maar dat zie je aan alle verkoopstatistieken. Beethoven, Mozart, Richard Strauss verkopen gewoon goed. De zoveelste Così fan tutte of de zoveelste Negende van Beethoven verkoopt wéér goed!  Ik zou wel eens willen weten hoeveel exemplaren van de onlangs uitgebrachte Keuris-box uiteindelijk zijn verkocht, terwijl vrijwel niemand die nu in zijn collectie heeft. Dat is muziek die de meesten van ons misschien zelfs volslagen onbekend is. Let wel, verkocht, niet weggegeven!

De muziek waarmee we bezig zijn is prachtig en universeel, in tijd en ruimte. Zij moet nog honderden jaren verder en is in principe van alle culturen omdat zij een universele waarheid kent. Met die muziek zijn we bezig en een orkest als het Rotterdams Philharmonisch moet - en dan zeg ik het heel simpel - gewoon die muziek, die ontzettend goede muziek spelen. Dat is de grote opdracht die we hebben en die we ook willen uitstralen. Niet alleen de canon van vandaag, maar ook de canon van gisteren.
Maar afgezien daarvan, een echt goed repertoire-orkest als het Rotterdams Philharmonisch moet zich met het standaardrepertoire wereldwijd willen en kunnen meten met de belangrijke andere orkesten. Daarmee ga je immers op tournee! Met bijvoorbeeld zo'n bijzonder veeleisend stuk als Ein Heldenleben. Als de kritieken dan lovend zijn, er wordt geschreven dat ze een toporkest hebben gehoord, dan weet je gelijk hoe de vlag er wat dat betreft voorstaat. Maar als de critici schrijven dat het hier en daar piept en kraakt, dan weet je dat ook. Dan moet je daar ook iets mee doen, op een constructieve manier.  

Laten we wel wezen, wat we de laatste tijd als orkest presteren is gewoon ontzettend goed. Een van mijn belangrijkste drijfveren om hier te komen was precies dat: dat het Rotterdams Philharmonisch gewoon een geweldig ensemble is dat helaas alleen in Rotterdam wereldberoemd is. Ik vind het mijn grootste roeping en uitdaging om het orkest internationaal meer en steviger op de kaart te zetten, los van de dingen die ik specifiek in Rotterdam wil doen. Een nieuwer en duidelijker imago, waarbij we ons vooral met onze eigen sterkte, onze eigen kracht moeten bezighouden, zoals ik aan het begin van dit gesprek al heb gezegd. Ik zeg het nog maar eens: géén vergelijking met andere orkesten, het interesseert me eigenlijk niet. En ik weet dat Yannick er net zo over denkt.

Kleur, kleur en nog eens kleur

Onze restyling, de aanpassing van onze huisstijl, heeft daarmee rechtstreeks te maken: we willen laten zien en voelen, uitstralen, wat het orkest is en kan. Toen ik hier naar het Rotterdams Philharmonisch kwam luisteren was een van mijn eerste indrukken de enorme dynamische kracht die in dit orkest huisde. Die was werkelijk gigantisch en dankzij de nieuwe zaal kon het orkest al spoedig zelfs stiller, minder luid spelen, waardoor het dynamische bereik werd vergroot. De bovenkant kende ik al, de zachte kant werd een regelrechte openbaring. Dan zeg je toch: welk orkest kan dit? Er zijn er maar weinige die dit kunnen. Wat daarnaast opvalt is dat dit orkest kleur, kleur en nog eens kleur heeft. Dat blijkt gelukkig ook uit de recensies: wàt een orkestkleuren! Ravels muziek is ideaal om die kleuren te etaleren, alsof het orkest kleurbellen blaast. De stukken van Richard Strauss trouwens niet minder. Zeer veeleisende muziek, maar wat een kleurenpalet! En Berlioz! Vandaar dat we onlangs de Symphonie fantastique hebben opgenomen. Typisch zo'n stuk dat een grote bezetting vereist en dat traditioneel tot het echte repertoire van het orkest behoort. Je moet doen waarvan je denkt of weet dat je daar goed in bent. Als je daarvan een opname wilt uitbrengen moet je dat alleen doen als je echt de ambitie hebt om op hoog internationaal niveau daarmee mee te draaien. En het liefst dan zo dat men dan zegt: "Wow! Ze hebben iets toegevoegd." Ook al zijn er al twintig opnamen van in de catalogus. Zo ging dat ook met de orkestwerken van Ravel.

Passanten

Yannick en ik beseffen ten volle dat we  allemaal passanten zijn in het lange verhaal van het orkest. Of je hier nu tien jaar bent, of vijfentwintig, je moet er voortdurend van doordrongen zijn dat dit orkest er vóór jou al was en dat het er hopelijk ook jou zal zijn. Wie als dirigent of directeur aantreedt mag nooit denken dat er daarvoor niets was, of dat het niets te betekenen had. Het is onze opdracht om voort te bouwen op hetgeen er al is en dat we het orkest een stap verder brengen. Heb je ooit de top bereikt? Daarvoor zitten wij niet goed geplaatst. We zijn bezig om die top te bereiken, we zijn daarmee, denk ik, heel goed bezig, we schrijven met z'n allen mee aan een lang verhaal en we proberen dat met volle overtuiging en zo goed mogelijk te doen. Ik ben daarvan slechts een onderdeel, maar ik kan vanuit mijn positie meer sturen dan aan de basis. Het gaat er dus niet om dat ik maar eens even tabula rasa ga maken. Dat hoort niet bij een symfonieorkest. Yannicks en mijn beleid is: bouwen op de ongelooflijke sterkte van dit huis, de diamant wat beter slijpen en wat meer in de zon zetten.   

Toekomst

Het contract met Yannick loopt tot medio 2012, het contract met mij tot eind 2014. Het zijn tijdelijke contracten en dus we praten we ieder over onze doelstellingen en mogelijkheden binnen de termijn die ons uiterlijk is gegeven. Het is pas 2010 en dus valt er nog heel veel te doen. Yannick heeft sowieso meer dan twee jaar om zich hier in Rotterdam maar ook elders te ontwikkelen, maar je moet over die termijn heen kijken. Zelf denk ik op tien jaar, maar ook op vijf en op een jaar. Aan een klus als deze moet je niet beginnen als je niet bereid bent om minstens naar het volgende decennium te kijken, dat tenminste te proberen. Bij alles wat je nu doet moet je je voortdurend afvragen of dat in die langetermijnvisie past.

Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival

We zullen het programma voor het Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival 2010 eind april presenteren. Wat is in positief opzicht daarover te melden? We streven ernaar dat het festival weer aanknoopt bij zijn grote verleden. Het is een festival geweest met veel uitstraling, waarvan wij - samen met de pers - in eer en geweten vinden dat we nu een extra tandje moeten bijzetten in de zin van een grotere internationale uitstraling. Met een festival als dit kun je maar een richting uit: naar boven of naar beneden. Het mag niet tussen twee stoelen vallen, zoals het helaas toch wel was. Zo'n festijn duurt hooguit tien dagen en de enige boodschap die binnen die korte periode relevant is, is dat het internationale allure heeft. De reden dat ik hier zit is dat er heel veel goeds is geweest, maar dat er nog heel veel moet gebeuren. Anders ben ik hier volstrekt overbodig. Mijn taak is het niet om te oordelen of te veroordelen, maar om met de toekomst bezig te zijn. Gergiev heeft een contract tot 2012. Vorig jaar was het eerste festival van de nieuwe reeks van vier en het is nogal lastig om al te ver vooruit te kijken, want het tweede festival moet nog van start gaan. Misschien kunnen we over de huidige formule beter nadenken als we zo'n beetje tussen twee en drie zitten, dus ergens in de loop van volgend jaar. We moeten in ieder geval niet te snel beslissen, maar er de tijd voor nemen de juiste analyse te kunnen maken. Als kersverse directeur moet je niet overenthousiast zijn en zeker niet waar het zaken betreft die al een lange geschiedenis hebben. 

Voor mij is het festival veel meer dan alleen maar de vraag of Valery Gergiev wel of niet na 2012 dirigeert en hoeveel concerten hij dan voor zijn rekening neemt. Ik vind het essentieel dat het gros van de producties internationaal relevant is. Het festival en Rotterdam zijn voor mij in dit opzicht cruciaal. Dat Gergiev daarin een grote rol heeft gespeeld en nog altijd speelt  is goed en daaraan moeten we bij voorkeur blijven vasthouden, maar we moeten wel verder kijken.
Het thema voor dit jaar is Resurrection, the Story of Rotterdam. Ik zeg het bewust in het Engels, want we zitten hier nu eenmaal in een zeer beperkt taalgebied. Eigenlijk wil ik voor de komende vier edities van het festival the Story of Rotterdam schrijven. Dat zal ook de  ondertitel zijn, want ik vind dat het festival echt bezig moet zijn met deze stad. Het aanknopingspunt voor de eerste editie is de herdenking van het bombardement op Rotterdam. Het orkest heeft dat overleefd, bijna als een van de weinige 'monumenten' van deze stad. Toen ik tijdens mijn eerste nieuwjaarsontvangst hier over dat bombardement hoorde en getroffen werd door de wijze waarop er door jong en oud over werd gepraat, zag ik het als mijn taak om mij muzikaal hiervoor in te zetten, niet op lokaal niveau, maar op een grote, op een internationaal relevante manier. Ik nam dit besluit om mijn eerste werkdag hier. Wat overigens in het geheel niet wil zeggen dat ik toen alles al precies wist en hier in mijn eentje alles doe. Ik ben een typische teamworker, ik maak deel uit van een team dat zich met hart en ziel inzet voor het orkest en voor de muziek. Je kunt hier ook niet werken als je niet echt van muziek houdt. Want daar draait uiteindelijk alles om.   
Op 14 mei a.s., de dag van het bombardement, speelt het orkest in de Laurenskerk onder Yannick. Nieuw is dat in die week twee bijzondere programma-onderdelen zullen worden gespeeld. We zetten dan groot in en leggen tevens de verbinding met het festivalthema, dat helemaal rond de vernietiging en de wederopbouw zal worden opgetrokken. Wij moeten altijd met de toekomst bezig zijn, met groei en met uitbouw, wat ook goed daarbij aansluit. We krijgen in slechts één week Mahler II met het Rotterdams Philharmonisch onder Yannick en Mahler VIII met het koor en orkest van het Marijinski uit Sint-Petersburg onder Gergiev. Het zijn twee werken die op grote symbolische momenten in deze stad klonken: Haitink dirigeerde hier (op 14 mei 1990, op de kop af vijftig jaar na dat verschrikkelijke bombardement - AvdW) al eens het orkest in Mahlers Tweede en dan is er natuurlijk Eduard Flipse met Mahlers Achtste (hij dirigeerde het werk toen de stad midden in de wederopbouwfase verkeerde, op 3 juli 1954 in de (oude) Rotterdamse Ahoyhal - AvdW).  Dat we Mahler II ook in Brussel en Parijs zullen spelen past bij de internationale roeping van het orkest. Noem het maar een statement, dat je daarmee iets hebt gezegd. We doen dat met Collegium Vocale Gent & Accademia Chigiana Siena, het nieuw samengestelde projectkoor van Philippe Herreweghe, dat bestaat uit leden van zijn Collegium Vocale Gent en nieuw aangetrokken koristen die op projectbasis deelnemen. Ieder jaar wordt een deel van dit koor, Herreweghes symfonische droom op topniveau, vervangen. Het is een koor dat op een artistiek frisse manier invulling geeft aan het grote symfonische en oratoriumrepertoire. Ik ben heel blij dat het Rotterdams Philharmonisch daarin een rol kan spelen. Het hele plaatje klopt: een koor dat de ambitie heeft te vernieuwen en op topniveau wil werken, en een orkest dat eveneens van deze tijd is en hetzelfde wil. Dat is samengevat de artistieke frisheid die we willen uitstralen en die we ook in het festival ruim baan zullen gaan geven.     

Internationaal belang

Onze belangrijkste functie als orkest is, hier in Rotterdam, spelen  en zo goed mogelijk, en uiteraard voor ons eigen publiek. Maar niet alleen daarin schuilt onze artistieke uitdaging: tournees en cd's spelen daarin eveneens een belangrijke rol. Daarmee moet je heel serieus omgaan. Anders creëer je een paar downloadjes die goed zijn opgenomen en soit. Dat kost weinig en iedereen is blij. Het Rotterdams Philharmonisch maakt echter cruciaal deel uit van de internationale uitstraling van Rotterdam. Niet alleen de uitstraling naar zichzelf, maar ook naar de buitenwereld. De stad Rotterdam gebruikt zijn orkest als visitekaartje en wij willen die rol nog beter spelen dan in het verleden al het geval is geweest. Vandaar dat er wordt gewerkt aan een meer uitgebreid tournee- en opnamebeleid. Dat gebeurt dan in samenspraak met en onder  groot enthousiasme van de belangrijkste economische partners van deze stad en niet in het minst de grootste haven van Europa. The Port of Rotterdam is - naast Electrabel als onze hoofdsponsor - een bijzonder loyale sponsor van het orkest. Onlangs waren we met een grote Rotterdamse delegatie in New York en op wat bescheidener schaal in Toronto, zoals dat in het verleden ook is gebeurd in Shanghai. Daar lopen de belangen van de Rotterdamse haven als een soort rode draad doorheen. Die verbindende rol moeten we blijven spelen, want de economische en artistieke belangen hoeven elkaar niet in de weg te zitten, integendeel.

Maar ook voor de economische ontwikkeling van Rotterdam is het leefklimaat in en rond de stad van eminent belang. En wie leefklimaat zegt, zegt cultuur, waaron eveneens de culturele aantrekkingskracht van ons orkest toe behoort. Het Rotterdams Philharmonisch kan en moet die rol nog veel meer spelen. Dat culturele leefklimaat draait natuurlijk niet alleen om het orkest, maar het is goed als een groot internationaal opererend bedrijf zich hier wil vestigen en zich Rotterdam ook herinnert van 'dat geweldige orkest' en dat 'fascinerende festival'. En dat er in de stad heel goede restaurants zijn, want dat zeg ik er dan als Belg gelijk bij: hier kun je heel lekker eten! Maar ook prachtig wonen!

BIS!

Met het platenlabel BIS hebben we een overeenkomst gesloten die tot en met 2012 loopt en tot een aantal cd's zal leiden met werken die behoren tot het grote concertrepertoire. Wij zochten een partner wiens belangrijkste doelstelling het was om een symfonisch project over meerdere jaren te realiseren, waarbij de artistieke kleur van het orkest en de opnameruimte, de grote zaal van de Doelen, in de opnametechniek centraal zouden staan. Het werd het Zweedse label BIS, dat over een uitstekend team beschikt. BIS is niet de enige, maar ze zijn wel een van die 'art labels' die aan de opnamekwaliteit en -techniek heel veel aandacht geven. Voor Yannick en voor mij ging het toch vooral om mensen die een artistieke zorg hebben en niet nu eens met die en dan weer met die. Dan het grote symfonisch repertoire, uitgesmeerd over meerdere jaren, waarmee we ons verhaal willen schrijven. Dan willen we last but not least artistieke openheid en flexibiliteit. Een label dat een meerjarenarrangement met ons wilde aangaan maar tegelijkertijd op een ondogmatische manier kon en wilde inspelen op de artistieke spanning die zich nu ontwikkelt. Zo kwamen we uiteindelijk op BIS uit. De eerste opname hebben we gedaan (Berlioz' Symphonie fantastique en La mort de Cléopâtre met Anna Caterina Antonacci - AvdW), al moest die dan eenmalig in het MCO (Muziekcentrum van de Omroep - AvdW)  in Hilversum ((Studio 5 - AvdW) worden gemaakt. Dat kon niet anders want ik wilde die opname zo snel mogelijk realiseren en inpassen in Yannicks agenda, maar toen bleek de Doelen op dat tijdstip uitgerekend niet beschikbaar te zijn. Het MCO is weliswaar een uitstekende opnamelocatie, maar onze ambitie is toch om de opnamen hier in eigen huis te maken. De volgende opname, in juni, zal dan ook in de Doelen zijn. Ik zeg het nog maar eens: dit orkest heeft zóveel kleur, kan zóveel! Daar horen prachtige opnamen absoluut ook bij!

Een droom.

Het idee werd geopperd om een festival te wijden aan bijvoorbeeld de tien symfonieën van Anton Bruckner in uiteenlopende versies, met uiteraard daarbij de échte finale van de Negende. Was dat iets voor het Rotterdams Philharmonisch?
Je pikt mijn idee. Ik heb zoveel dromen, maar dit is er een van. Ik zou niet àlle versies willen, want dan wordt het meer een intellectuele oefening, terwijl er dan misschien nauwelijks mensen op afkomen, maar je kunt wel degelijk discussiëren over welke versies in aanmerking komen. Wat ik wil, en daarmee heb je een belangrijke beleidslijn aangeraakt, is dat men in dit huis met grote kunstprojecten bezig is, want daarmee ontwikkel je artistieke focus. Of dat nu Bruckner of een andere componist is die dat waard is: ja dus. Puur artistiek kunnen dat spraakmakende projecten zijn waar een echte visie achter zit, ook richting het publiek en eventueel met multimedia-ondersteuning.
We zijn overigens volop in bespreking met het orkest over een mediaplan, zonder dat we uiteraard nu kunnen weten waar het multimediaverhaal zal gaan eindigen. Een aantal grote internationale spelers op multimediagebied hebben zich overigens lelijk verkeken op het succes dat ze dachten te hebben met zo op het oog aantrekkelijke multimediaconstructies. Zo'n model moet je publieksmatig gefinancierd krijgen, of het nu wordt gesponsord of dat mensen digitaal tickets kopen (voor een uitzending of een video - AvdW),  zoals de Digital Concert Hall van de Berliner Philharmoniker. Die ontwikkeling staat eigenlijk nog in de kinderschoenen. Wie heeft er nu zin in om te betalen voor een uitzending die op de computer kan worden bekeken? De tv dan? Hoeveel mensen weten dit en kunnen hun afstandbediening trouwens correct gebruiken? De vraag is of de samenleving dusdanig is geëvolueerd dat wat  technisch mogelijk is ook maatschappelijk wordt gerealiseerd. Televisie met internet is overigens iets anders dan hetgeen gewoon via de kabel wordt aangeboden. Zo hebben we Mezzo en Arte, maar ook streaming via Cultura. Met reclame kunnen dergelijke grote projecten niet afdoende worden gefinancierd en tegen betaling werkt nog niet voldoende.  Dan blijven het nog kleine groepen liefhebbers die willen betalen, kijken en luisteren. Dan hebben we het over tienduizenden, niet over honderdduizenden. Collega's van mij hebben ronkende verklaringen afgelegd over hun samenwerking met multimediabedrijven en hoe geweldig het allemaal is, maar ik zet me voorlopig in op de essentie van dit bedrijf. We gaan meer streamen. De streaming van onze Mahler IX heeft 17.000 mensen gehaald en dus was dit een groot succes. Met mensen die van het orkest houden wordt zo de band warm gehouden en zij die ons niet kennen worden misschien gestimuleerd een concert te bezoeken of een cd te kopen. Dat zie ik als bijkomend publieksbereik waar ik voorlopig geen geld voor krijg, maar dat zie ik ook niet als de essentie van dit verhaal. We moeten erbij zijn, het ontwikkelingspad volgen, al liggen mijn prioriteiten momenteel toch duidelijk ergens anders.     


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links