Interview

Klas Torstensson koestert ontheemding

 

© Thea Derks, november 2018
https://theaderks.wordpress.com

 

In 1973 kwam hij naar Nederland, om er nooit meer weg te gaan. Inmiddels woont Klas Torstensson (1951) langer in zijn nieuwe vaderland dan hij in zijn geboorteland Zweden verbleef. Het Zweedse Norbotten NEO ensemble presenteert deze week de integrale uitvoering van zijn vierdelige cyclus Lantern Lectures . Donderdag speelt het ensemble in Muziekgebouw aan 't IJ in Amsterdam, een dag later in De Doelen in Rotterdam. In 2002 werd deze cyclus voor het eerst integraal gespeeld door Asko|Schönberg. Ik maakte ter gelegenheid hiervan een portret van Torstensson voor hun magazine. –Over opgroeien in een ‘gammel dorp' en het ontdekken van nieuwe muziek.

Gamleby
Hier groeide ik op. Een dorpje met 3500 inwoners aan de Oostkust van Zweden, zo'n tweehonderd kilometer onder Stockholm. Een grappige naam, want het Zweedse gamle is verwant aan het Nederlandse gammel , Gamleby betekent “het oude dorp” – ook wel het gammele dorp. Mijn grootvader was grootgrondbezitter, mijn vader was advocaat en mijn moeder was lerares.

We behoorden weliswaar tot de culturele elite, maar geïsoleerd waren we niet. Het dorp had een rijk cultureel leven en er was een muziekschool. Daar studeerde ik klarinet en volgde ik op mijn negende, samen met mijn vader, een cursus klassieke muziek. De docent vertelde iets over de vorm of het ontstaan van een compositie en illustreerde dat met voorbeelden vanaf een pick-up.

Omdat de lessen 's avonds waren, moest ik in de pauze al naar huis. Ik speelde ook in de plaatselijke harmonie en oefende stiekem op de piano van mijn grootouders. Zij hadden de merkwaardige instelling dat alleen kleinkinderen die het al konden, hun instrument mochten bespelen. Toch erfde juist ik het toen zij overleden waren.'

Wonderkind
Hoewel ik van meet af aan geïnteresseerd was in muziek en met mijn ouders klassieke concerten bezocht, was ik er tot mijn vijftiende van overtuigd dat ik schilder zou worden. Ik was een soort wonderkind en volgde als tienjarige volwassenencursussen tekenen. In de zomer verdiende ik mijn vakantiegeld met het afbeelden van huizen van dorpsbewoners.

Maar uiteindelijk won het componeren, mede dankzij mijn muziekschooldocent Georg Övermyr. Toen ik eens nieuwe bovenstemmen had geschreven bij een passacaglia van Händel, zei hij dat ik beter iets origineels kon verzinnen. Ik ging boeken lezen over muziektheorie, nam contrapuntles en schreef een vierdelig stuk voor twee klarinetten en cello. Dat bracht ik samen met Övermyr en een collega in première.

In diezelfde periode speelde ik met een vriend hootenanny, Amerikaanse volksmuziek, op 12-snarige gitaar. We wonnen verschillende prijzen en op mijn achttiende ging ik naar het conservatorium Ingesund. Omdat het vak compositie daar niet bestond, studeerde ik muziektheorie en nam ik privé-compositielessen. Tevens greep ik de gelegenheid aan om viool en slagwerk te leren spelen. Alle stukken die ik maakte werden meteen door een conservatoriumensemble uitgevoerd, heel leerzaam. Toen ik na drie jaar klaar was, meende ik dan ook alles te weten van muziek.'

Klas Torstensson

Instituut voor Sonologie
Mijn compositiedocent verhuisde naar Engeland, waar ik hem in 1972 bezocht. Hij had een zogenaamde Putney , een van de eerste synthesizers. Alle verbindingen werden via stekkertjes tot stand gebracht, een toetsenbord ontbrak. Ik vond dat reuze interessant en maakte er een stukje mee. Vervolgens meldde ik me aan bij de EMS (Elektronmusikstudion) in Stockholm, maar daar bleek een lange wachtlijst te bestaan. Iemand attendeerde mij op Gaudeamus en ik schreef een brief aan directeur Walter Maas. Die verwees mij naar het Instituut voor Sonologie in Utrecht, waar ik direct terecht kon.

Vanuit Zweden kreeg ik een stipendium en zo stapte ik op een septemberdag in Utrecht uit de trein. De opleiding was erg vrij. Je kreeg vooral veel studio-ervaring, op weg geholpen door docenten als Gottfried Michael Koenig en Jaap Vink. Een opwindende tijd, want elektronische muziek bleek het beste medicijn tegen een overdaad aan traditie. Je kunt natuurlijk zelf prachtige melodieën bedenken, maar met behulp van bijvoorbeeld statistische berekeningen kom je tot muzikale ideeën die je nooit zelf zou vinden.

Vaderschap
Toen ik een zoontje en een dochtertje kreeg veranderde dat mijn leven ingrijpend. Niet dat je opeens een ander mens wordt, maar er kwamen gevoelens bovendrijven waarvan ik me vroeger nauwelijks bewust. Beter gezegd: emoties die voorheen privé waren, worden door een kind als vanzelf publiek; een scheiding tussen jou als vader en jou als componist valt niet te maken.

Een kind strelen is iets heel anders dan nadenken over harde of zachte noten; concepten als schoonheid, liefde, zachtheid worden veel actueler en vinden onherroepelijk hun weerslag in je werk. In mijn opera De Expeditie (1999) heb ik zelfs de liefde en de dood tot thema gemaakt. Dan móet je je palet wel verbreden. Je zou kunnen zeggen dat ik vroeger slechts de helft van de kleurencirkel bestreek: van zwart via alle mogelijke grijstinten naar wit en weer terug; nu heb ik daar ook de rest van het kleurenpalet aan toegevoegd.'

IJs
Ik geloof dat ik de ‘ijstijd' inmiddels wel achter me heb gelaten. Dat onderwerp heb ik uitvoerig uitgewerkt in composities als Barstend IJs (1986); The Last Diary (1994) en De Expeditie, waarin opgenomen ijsgeluiden deels de basis vormen van het muzikale materiaal. In mijn nieuwe cyclus Lantern Lectures richt ik me op andere natuurverschijnselen, zoals het Noorderlicht, het gesteente van bergen, of gletsjermolens.

Dat laatste fenomeen vormde het uitgangspunt voor Lantern Lectures, Volume IV: toen de gletsjers zich in de ijstijd terugtrokken, zetten zich grote stenen in de ijslaag vast. Deze gingen roteren en boorden zich soms metersdiep in de grond (berg). Die draaiende beweging heb ik muzikaal gevangen. Zoals ik in Lantern Lectures, Volume III de storingen heb uitgecomponeerd die radiogolven ondervinden van het Noorderlicht.

Maar het blijven verschijnselen die onlosmakelijk zijn gekoppeld aan het Noorden. Want hoewel ik al decennia in Nederland woon, mis ik nog altijd de extreme seizoenverschillen van Zweden. Het levert een gespletenheid op, die tegelijkertijd de bron is van mijn componeren: je wilt altijd ergens anders zijn dan je bent. Heel romantisch, ja.

_______________
Amsterdam, 18-11-2002
Thea Derks voor Asko-Schönbergkrant januari 2002
Bewerkt 27-11-2018 voor Cultuurpers


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links