Interview

"Dit orkest is het best bewaarde geheim

van de internationale muziekwereld"

 

Click here for the English version on MusicWeb International


© Bas Westerop en Aart van der Wal, januari 2009

 

We zijn in gesprek met Michael Fine over het Rotterdams Philharmonisch Orkest (RPhO), de verschillen tussen de Amerikaanse, Europese en Aziatische cultuur, en over Valery Gergiev.

Michael Fine is de adjunct-directeur artistieke zaken van het RPhO, maar heeft ook als producer in het opnamedomein zijn sporen ruimschoots verdiend. Zo won hij met een groot aantal opnamen voor meer dan een dozijn platenlabels de prestigieuze Grammy Award. En alsof dat nog niet genoeg was prijkte in de diverse landen menige opname op de bestsellerslijsten. Toch is dat niet zo verwonderlijk voor deze uiterst muzikale en energieke duizendpoot, die het bij Deutsche Grammophon tot Vice President van Artists & Repertoire (A&R) heeft geschopt en de muziekwereld van binnen en van buiten op zijn duimpje kent. Een meer dan leuk uitstapje vormt zijn betrokkenheid bij het Seoul Philharmonic Orchestra, dat hij met raad en daad bijstaat. Deze bepaald niet onverdienstelijk spelende klarinettist en freelance opnameproducer draagt niet alleen de muziek maar ook de mensen waarmee hij werkt een warm hart toe.

Uw functie bij het RPhO werd kortgeleden opgewaardeerd van 'artistiek manager' naar ´adjunct-directeur artistieke zaken'. Wat was de aanleiding?
Het daarachter liggende idee is dat de artistieke afdeling rechtstreeks verbonden is met de kerntaak van het orkest. Mijn positie als hoofd van die afdeling dient dit ook uit te stralen. Misschien is het eveneens een beetje erkenning voor wat ik in de afgelopen paar jaar - mede dankzij een geweldig team - heb weten te bereiken.
Ik mag dan in die zin een nieuwe medewerker zijn, feit is wel dat ik als consultant al sinds 2004 nauw bij het orkest betrokken ben en de laatste vier concertseizoenen heb geprogrammeerd. Inmiddels werk ik alweer aan de samenstelling van het programma voor de seizoenen 2010/11 en 2011/12. Ik prijs me bovendien gelukkig dat mijn contract mij in staat stelt om opnamen te blijven maken en mij voor het orkest in Seoul in te spannen. En eens te meer, omdat het Rotterdamse orkest met zijn verleidelijke charme eigenlijk uniek in zijn soort is. Daarvoor geef ik graag een deel van mijn onafhankelijkheid op.

Lukt het u om zowel Rotterdam, Seoul als uw opnameprojecten managen?
Ik denk dat het elkaar op een positieve manier aanvult. Het muziekbedrijf is internationaal, terwijl mijn opnamewerk mij in aanraking brengt met vele artiesten, die we dan graag uitnodigen om met het RPhO samen te werken. Je zou het een zeer vruchtbare kruisbestuiving kunnen noemen, die per saldo artistieke synergie oplevert. Zo blijkt mijn lange opnamegeschiedenis bij het London Symphony Orchestra weer bijzonder handig nu Valery Gergiev daar tot chefdirigent is benoemd. Valery 's afsprakenagenda is berucht om zijn complexiteit, maar met goede vrienden in het bestuur van het LSO kunnen sommige gordiaanse knopen gemakkelijker worden ontward.
Dus ja, ik zie mijn verschillende taken als complementair, al gaat het soms wel met erg veel stress gepaard. Toch zou ik het niet anders willen, want het is bijzonder stimulerend en verrijkend, hoewel het zèlf muziek maken voor mij van grote betekenis blijft. Ik grijp dus graag naar de klarinet en probeer naast het vele studeren ieder jaar minstens een of twee kamermuziekconcerten te spelen. Voor mij is dit 'mijn eerlijke werk', dat mij heel dicht bij de muziek zelf brengt. Maar eigenlijk is het met mijn opnamewerk niet veel anders, althans wat betreft de postproductie en mijn inbreng in het creatieve proces. Zoals het artistieke management niet minder fascinerend is: gastmusici uitnodigen en dan het geluk smaken om het klinkende resultaat dankzij een orkest van wereldklasse te mogen horen. Maar er is ook die andere kant, waarin politiek, geld, impresariaten, en niet in de laatste plaats het publiek - dat kunst als iets volkomen vanzelfsprekends kan beschouwen, wat ik gevaarlijk vind - een plaats hebben. Als je het Klarinettrio van Brahms speelt, gaat het alleen maar om de muziek. Echter, iedereen die zich intensief met de administratieve aspecten van een orkest bezighoudt, zal je vertellen, dat als zo'n orkest in een fantastisch concert het beste van zichzelf geeft, het juist daarvoor wordt gedaan! We doen het uiteindelijk met z'n allen voor het orkest. Geen wonder dus dat we van de daken zouden willen schreeuwen dat Rotterdam over zo'n gewéldig orkest beschikt!

Mijn orkest in Seoul is heel jong. Het is in staat is om zeer enerverende concerten te geven, vooral als chefdirigent Myung-Whun Chung op de bok staat. In Azië gaat het heel anders toe: ieder orkestlid heeft niet meer dan een eenjarig contract (hetzelfde geldt trouwens voor alle kantoormedewerkers). Eenmaal per jaar moet er opnieuw auditie worden gedaan en is het aan de chefdirigent voorbehouden om een schriftelijke evaluatie af te geven. Hun arbeidsovereenkomst is heel simpel: het werk begint om negen en eindigt om zes uur, of wanneer de dirigent zegt dat het erop zit. Dat is dus wel wat anders dan de werkomstandigheden in de VS en Europa, al is het daar zeker niet altijd zwart-wit. Zo herinner ik me dat Charles Dutoit met een veeleisend programma kwam, waaronder de complete Daphnis et Chloé. De repetities liepen behoorlijk uit, ver buiten de normale tijd, maar geen enkel orkestlid had daar moeite mee. Integendeel, ze zaten op het puntje van de stoel, en vonden het bijzonder leerzaam. Maar in Seoul is het toch een andere wereld, met soms in een week zeven concerten in alle districten van Seoul. Het is duidelijk dat het orkest daar een sterk gevoel van dienstbaarheid aan de gemeenschap heeft, wat door het publiek gelukkig in hoge mate wordt gewaardeerd. Er heerst loyaliteit tegenover het orkest: na afloop van een concert zwellen de golven van applaus immens aan, eigenlijk zoals ik het nog nooit eerder zo heb meegemaakt.
De nog zeer jonge artistiek leider van het Seoul Philharmonic bracht eens een bezoek aan het RPhO om met eigen ogen te zien hoe het er in onze kantoren aan toe gaat en om naar het orkest te luisteren. Het deed haar goed dat er zoveel oudere mensen naar onze concerten kwamen. Dit in tegenstelling tot Seoul, waar de meeste concertbezoekers tot de jonge generatie behoren, met niet alleen een enorme honger naar muziek, maar tevens muzikaal goed op de hoogte. Het komt regelmatig voor dat iedere stoel in de zaal is bezet, maar dat er toch nog muziekliefhebbers tot de lobby worden toegelaten, waar ze dan met het oor tegen de deur gedrukt een glimp van de muziek proberen op te vangen.

Ik ben tot de conclusie gekomen dat live-concerten door de symfonieorkesten in Amerika zo langzamerhand op een dood spoor zijn gekomen. In Europa zijn er weliswaar voldoende overlevingskansen, maar de groei is eruit, in tegenstelling tot Azië, waar de klassieke muziek groeit en bloeit als nooit tevoren. Tijdens de recente Azië-tournee van het RPhO speelde het orkest ook in Seoul. Een van de jongere orkestleden vertelde me dat hij daar het gevoel had een rockster te zijn!
In Zuid-Korea merkte ik dat de klassieke muziek 'cool' is. Als je aan Koreaanse ouders uit de middenklasse vraagt wat hun kind later wil worden, is het antwoord een violist, pianist of dirigent. In het Aziatische maatschappelijke en culturele leven heerst niet alleen groot ontzag voor de kunstmuziek, maar zij wordt bovendien als iets heel belangrijks beschouwd. Tijdens de inhuldiging van de huidige president speelde het Seoul Philharmonic Beethovens Negende. Na afloop overhandigde Myung-Whun Chung hem plechtig zijn dirigeerstokje. Het was op de tv allemaal live te volgen. Chungs geste kon echt niet worden misverstaan: het is uw taak als president van de republiek om de kunsten te beschermen, zowel de traditionele als de westerse klassieken. En omdat de maatschappij dit zelf belangrijk vindt kwam die boodschap bij jong en oud duidelijk over.

In een maatschappij als in Amerika heeft kunst iets van het incidentele of luxueuze. Men heeft er daar geen boodschap aan dat kunst echt belangrijk is. Misschien is het nog vervelender dat door het ontbreken van kritische normen bijna iedere vorm van expressie zo'n beetje als kunst wordt beschouwd. Stel je een samenleving voor die bibliotheken als overbodige ballast beschouwt, geen wezenlijk belang hecht aan boeken, ze simpelweg te duur vindt. Terwijl in boeken juist onze tradities en onze cultuurgeschiedenis worden vastgehouden. Maar men vindt dat niemand daar op zit te wachten. Het resultaat is een ongeletterde samenleving die het risico loopt het contact met het verleden te verliezen, geen enkel historisch besef te hebben. Ik vind dat gevaarlijk. Dat is, naar ik vrees, de weg die in de VS is ingeslagen.

Michael Fine (Foto: Marco Borggreve)

We mogen ons gelukkig prijzen dat we in Europa dat historisch besef wel hebben en de kunsten een warm hart toedragen. In het bijzonder van Nederland ben ik onder de indruk: in mei besteedden niet minder dan vijf tv-omroepen aandacht aan het vertrek van Valery Gergiev als chefdirigent van het RPhO. Zo'n gebeurtenis zou in de VS überhaupt geen enkele media-aandacht hebben opgeleverd. Ik ken trouwens geen ander land waar vijf kranten de onze concerten op de voet volgen. In het Westen is dit zonder meer uniek. In vrijwel alle Amerikaanse steden zou het verdwijnen van een orkest - met uitzondering van de 'Big Five' - bij het grote publiek niet eens opvallen, laat staan dat de goegemeente er wakker van zou liggen.
Het Amerikaanse model wordt gekenmerkt door private en bedrijfssponsoring. Op zich is dat prima, want het maakt de mensen bewust van het feit dat kunst duur is en dat men ervoor moet betalen. Maar er zit tevens een gevaarlijke kant aan: zo ken ik een welgestelde sponsor die zijn donaties aan een regionaal toporkest van de ene op de andere dag stopte, waardoor het ensemble gedwongen werd om het hierdoor plotsklaps ontstane begrotingsgat van maar liefst drie miljoen dollar elders bij elkaar te graaien. Als de concertprogrammering niet meer overeenstemt met de persoonlijke smaak van een belangrijke sponsor kan dat de poppen snel aan het dansen brengen.

In West-Europa wordt het merendeel van de kunsten door belastingopbrengsten gesteund. Daardoor wordt de muziek naar in het middelpunt van de openbare discussie verplaatst, waar niets op tegen kan zijn. Hier in Rotterdam werd onderzoek gedaan naar wat er over het orkest onder de bevolking leeft. Een "nee" op de vraag "bezoekt u concerten van het orkest?" leidde tot de volgende vraag: "Zou u het vervelend vinden als het orkest zou verdwijnen?" Het antwoord bleek toch minder voor de hand liggend: "Ja, we zouden best de kans willen aangrijpen om naar een concert te gaan. We betalen er immers voor!" Dat is een goede zaak, want het bevestigt dat kunst geen pure luxe is, maar een essentieel bestanddeel uitmaakt van een goede maatschappij.
Men vraagt weleens of het niet belangrijker is om ziekenhuizen en sociale instellingen financieel te steunen, in plaats van orkesten. Het antwoord zou volgens mij moeten zijn dat de kunst net zo belangrijk is voor een gezonde samenleving. We berokkenen ons niet alleen als individu maar ook als deelgenoot daarvan schade als we dit uit het oog verliezen.

In Engeland klinkt soms door dat de klassieke kunsten niet zo belangrijk zijn. Dat is dan vanuit de gedachte dat een multiculturele samenleving de westerse kunst niet per se hoeft te steunen. Echter, daar staat dan tegenover dat daarmee de eigen cultuur op het spel wordt gezet. In een stad als Rotterdam, met zijn meer dan 150 verschillende nationaliteiten, is het van groot belang dat de mensen zich met de cultuur van hun nieuwe thuishaven kunnen identificeren. Dan is het eerder een bindend dan een scheidend element, waarbij nog komt dat klassieke muziek niet alleen krachtig, maar ook universeel is, en juist daardoor iedereen kan aanspreken, mits men bereid is om te luisteren.
De Fransen vinden het belangrijk dat ministers concerten bezoeken. Daar gaat immers een helder signaal vanuit. Onze voormalige burgemeester Ivo Opstelten zag zijn concertbezoek zelf als een belangrijk aspect van zijn verantwoordelijkheid. Dat komt volgens mij neer op cultureel leiderschap. Ik kan dat helaas niet zeggen van de huidige Amerikaanse president George W. Bush. Zelfs indien politici geen affiniteit hebben met de kunsten zouden ze het belang moeten inzien van hun aanwezigheid bij concerten en theatervoorstellingen, het ballet en de opera, maar bijvoorbeeld ook musea moeten bezoeken.

Wat wilt u in de komende vijf jaar in Rotterdam bereiken?
Voor mij is het voornaamste doel om de mensen bekend te maken met het orkest. Want dit orkest is het best bewaarde geheim van de internationale muziekwereld! Dit komt deels door het beeld dat Rotterdam wereldwijd uitstraalt, dat van een havenstad met een groot achterland en een complex netwerk van industriële bedrijvigheid. Zeker geen culturele stad. Het is best lastig om dat beeld om te buigen - alleen wie hier woont en werkt weet dat in deze stad een groot aantal fraaie culturele instituten met een sterk publieke basis actief is. Maar deze stad heeft ook een orkest met een grote internationale uitstraling, een virtuoos ensemble met een aantal ongelooflijke stermusici. In het afgelopen jaar hebben we zoveel geweldige concerten - met dirigenten als Valery Gergiev, Simon Rattle, John Eliot Gardiner en onze nieuwe chef Yannick Nézet-Séguin als de opvolger van Gergiev - meegemaakt, dat het eigenlijk ondoenlijk is om er een paar uit te pikken. Wat voor mij echter onvergetelijk is waren de RPhO-concerten in het Lincoln Center in New York, met Gergiev op de bok, in de Vijfde en Vijftiende symfonie van Dmitri Sjostakovitsj. Er werd niet alleen op het allerhoogste niveau gemusiceerd, maar ook met een ongelooflijke intensiteit die diepe indruk maakte. Om dit evenwel tijdens een lang concertseizoen onverminderd vast te houden, ook onder dirigenten van mindere portuur, is bijzonder lastig, maar dat het orkest een zeer hoog spelniveau bezit staat buiten kijf.

Vrienden van mij in het Cleveland Orchestra hebben eens gezegd dat ze er trots op waren het beste te geven onder dirigenten die zij het minste mochten. Ze vonden dat ze dit aan hun publiek verplicht waren, zelfs als ze hun leidsman minder geïnspireerd of zelfs competent vonden. Dat zou ook ons doel moeten zijn. Onze reputatie in de wereld weerspiegelt soms een andere kant van ons muzikale karakter: een orkest met een soms wat lastige houding. Veel dirigenten vertellen me dat het RPhO tijdens een eerste repetitie moeizaam op gang komt, maar dat, als de zaken in de goede richting marcheren, zich een onbegrensd potentieel ontvouwt. Een tamelijk bekende dirigent merkte eens op dat hij nog nooit had gewerkt met zo'n 'emotioneel expressieve' groep musici. Hij bedoelde muzikaal, en het was een compliment!

Onlangs was Gardiner te gast en leidde hij het orkest in vier zonder meer overweldigende concerten. John Eliot en ik werkten nauw samen toen wij nog aan het Deutsche Grammophon label waren verbonden. Toen ik hem een paar jaar geleden toevallig in Amsterdam trof, vroeg ik of hij er zin in had een week met het RPhO ter werken. Hij was zo vriendelijk daarmee in te stemmen, maar door zijn overvolle agenda moesten we wel even wachten. Het uiteindelijke programma was zeker interessant: Sjostakovitsj, Bartók en Dvorák. Ik ben bang dat ik het orkest de stuipen op het lijf joeg met mijn aankondiging dat Gardiner buitengewoon lastig kon zijn en dat hij zomaar weg zou kunnen lopen. Orkestdiscipline is namelijk min of meer zijn eerste gebod. Maar ik moet zeggen dat tijdens die concerten het orkest glorieus speelde, op zijn best was, zo geconcentreerd en gedisciplineerd, vol 'giusto', met heldere en transparante lijnen, ritmische integriteit en een schitterende balans. Zó had ik dit orkest nog niet eerder gehoord! Gardiner is het dun gezaaide type dirigent dat zowel met het orkest als met de zaalakoestiek van de Doelen als het ware kan 'spelen'. Hij is in staat om het orkest zo te leiden dat de soms lastige akoestiek kan worden overwonnen. De nog jonge Robin Ticciati speelde dat in mei overigens eveneens klaar, in een van de mooiste Enigma-variaties die ik ooit hoorde. Maar ook onze Yannick weet wat dit betreft best wel van wanten, getuige zijn complete Ma mère l'oye. De Doelen laat je werken: je kunt niet achterover leunen en relaxen. Toen het Concertgebouworkest hier in 2007 speelde, hoorde ik enige moeilijke momenten in La mer, maar het orkest had zich, zeer professioneel, al snel aan de akoestiek aangepast en revancheerde zich na de pauze met een geweldige Symphonie fantastique.

Bestaan er plannen voor een vaste gastdirigent?
Ja, we hebben een dergelijke positie aan een dirigent aangeboden en onderhandelen momenteel met zijn impresariaat.

CD-plannen?
We gaan met Yannick alle Beethoven-symfonieën opnemen, de symfonische gedichten van Richard Strauss, maar ook Frans repertoire, waaronder Berlioz' Symphonie fantastique. Ravels Tweede suite uit Daphnis et Chloé, La valse, Ma mère l'oye en de Valses nobles et sentimentales hebben we al eerder voor EMI gedaan. Voor dit label staan tevens twee cd's gepland met Renaud Capuçon en Emmanuel Pahud.

Een cd, in het bijzonder een live-opname, is min of meer een snapshot, een souvenir. We namen onze Ravel-cd meer dan een jaar geleden op. Onlangs speelde het orkest onder Yannick La valse in Dortmund. We zeiden toen tegen elkaar dat we déze uitvoering hadden moeten opnemen, want die bleek de beste van allemaal te zijn! Dat is ook de reden dat veel dirigenten steeds opnieuw dezelfde stukken willen opnemen. Toen ik nog bij Deutsche Grammophon werkte stond ik volkomen achter Claudio Abbado's wens om alle Beethoven-symfonieën opnieuw met de Berliner Philharmoniker op te nemen. Hij had deze meesterwerken opnieuw onder de loep genomen, andere invalshoeken gevonden, een nieuwe visie erop ontwikkeld en wilde ze daarom opnieuw vastleggen. Het was een duur project maar de artistieke uitkomst ervan rechtvaardigde het financieel risico.

Ik ben er rotsvast van overtuigd dat het maken van opnamen mede essentieel is om een orkest beter te laten presteren: ze zijn voor alle musici bij uitstek het middel om objectief naar hun eigen prestaties en die van hun collega's te luisteren. Het opnameproces in de studio is, hoewel veeleisend, voor het moderne orkest van enorm belang. Sommige musici ervaren de aanwezigheid van microfoons als intimiderend, maar het systeem laat wel het nemen van risico's toe. Als het dan niet goed uitpakt, wordt het gewoon overgedaan.

Een ander bijzonder belangrijk punt is het vertrouwen tussen producer en artiest, want dat bepaalt tijdens het opnameproces de efficiency en de artistieke invulling. Het is mijn taak om de musici de mogelijkheid te bieden hun ideale uitvoering neer te zetten en niet om mijn eigen mening erdoor te drukken. Dit betekent uiteraard dat er veel moet worden ge-edit. In het geval van het RPhO zou ik dit begrip willen aanscherpen met 'goede editing': meerdere takes van passages die alle gewoon goed zijn, met dan vervolgens de altijd weer kwellende vraag welke frase of zelfs individuele noot uiteindelijk op die cd terecht moet komen. Dan zijn er de gebruikelijke drie dagen voor het mixen, het balanceren van de vele verschillende stemmen en het aanbrengen van het 'akoestische vernis'. Natuurlijk bereiken we nooit de perfectie, zelfs niet in het best denkbare scenario, maar wel de afspiegeling van de inspanningen van de musici op dat gegeven moment. Geweldige opnamen zijn overigens niet synoniem aan uitsluitend perfecte noten.

Yannicks Beethoven kreeg een slechte recensie in de »Gramophone«
Ja, maar ik vraag me af of deze recensent überhaupt wel heeft geluisterd. Of hij was al vooringenomen, met de verkeerde notie. Wat ik als producer over mijn eigen opnamen kan zeggen is dat ik een slechte kritiek op zich niet vervelend vind. Het is nu eenmaal het primaat van de criticus om zijn mening te vormen en naar voren te brengen, maar dan hopelijk wel op basis van kennis van zaken. Natuurlijk vind ik een positieve recensie over een goede opname prettig, maar waar ik absoluut niet van houd is van een goede kritiek op een slechte uitvoering. Ik heb het voorrecht gehad om meer dan duizend commerciële opnamen te produceren, waarvan echt niet alle aan mijn hoogste normen of die van de artiest voldoen. In dit laatste geval zou ik niet graag een goede recensie daarover lezen, want vanaf dat moment kan ik de recensent niet meer vertrouwen. Terwijl we kritiek absoluut nodig hebben!

Het muziekonderwijs? Meer kinderen naar de concertzaal?
Ik ben ervan overtuigd dat onderwijs, ook het muziekonderwijs, een levenslang proces is. Het gaat er niet alleen om jonge kinderen naar de concertzaal te brengen.
Hoewel de klassieke muziek appelleert aan het universele karakter ervan, weet ik gewoon dat we nu eenmaal niet kunnen 'concurreren' met de populaire cultuuruitingen voor een massaal publiek. Maar ik weet wel dat wereldwijd ieder jaar opnieuw tallozen de emotionele en intellectuele aantrekkingskracht van de westerse klassieke muziek ontdekken, die dan bij menigeen vervolgens uitgroeit tot een ware passie waar men uiteindelijk niet meer buiten kan. Ben ik teleurgesteld als ik tijdens een geweldig concert tegen een lege zaal aankijk? Natuurlijk. Ik vind het betreurenswaardig dat er mensen zijn die muzikale schoonheid aan zich voorbij laten gaan of er zelfs geen zin in hebben daarvan deelgenoot te zijn. Maar ik kan best met het feit leven dat misschien maar 1200 mensen - de happy few - naar een van onze meer avontuurlijke programma's komen. Natuurlijk zou ik het geweldig vinden als de hele stad zou uitlopen voor onze concerten, maar dat is niet realistisch. En die happy few? Als het een goede uitvoering is zullen ze op hun eigen manier reageren op hetgeen onze musici over een muziekwerk te vertellen hebben. Misschien ben ik wel wat optimistisch, maar ik geloof dat een dergelijke respons voor iedereen mogelijk is, mits men zich maar de tijd gunt om werkelijk te luisteren. Dit vereist actieve deelname, in tegenstelling tot het zogenaamde 'entertainment', dat zo ontzettend passief kan zijn. We hoeven echt niet bang te zijn voor ons publiek; zoals we evenmin of de behoefte moeten onderschatten om actief te participeren en zelfs de eigen verwachtingen op de proef te stellen.

Ik ben best trots op ons educatieprogramma, met als voornaamste doel om de muziek naar de mensen te brengen en de jonge generatie als concertbezoeker te mogen verwelkomen. Het is voor de jeugd o zo belangrijk dat de eerste kennismaking met een symfonieorkest positief, plezierig en misschien zelfs uitdagend uitpakt.
Dat geldt ook voor onze 'Young Person's Guide', een groep jonge tot zeer jonge muziekliefhebbers, die nog steeds groeit. Ik zal nooit die twee teenager-meisjes vergeten die na het debuutconcert van Robin Ticciati buiten zijn kleedkamer stonden te wachten om hem mee uit te nemen voor een dansfestijn! Maar het ging hen niet alleen om Robin: ze waren ook op de muziek verliefd geworden!

Hoe gaat het verder met Gergiev na 2012?
Ik zag hem nog onlangs in Londen. We hadden een heel goed gesprek. Ik moet zeggen dat ik heel veel van Gergiev heb geleerd, met name van zijn grote respect voor de muziek en de musici. In zekere zin is hij een van de hoffelijkste dirigenten. Als hij belt, is het altijd eerst: "Stoor ik? Hoe gaat het met je familie en met jou?" Legendarisch is niet alleen zijn ontzag voor de grote kunstenaars van vorige generaties, maar evenzeer zijn kennis van de oude, klassieke opnamen, waarover hij graag discussieert.
Ik kocht een nieuwe mastering van Bruno Walters opname van Mahlers Das Lied von der Erde uit 1952, die was gemaakt door Pristine Audio, een bedrijf dat op dit gebied al opmerkelijke staaltjes restauratiewerk heeft laten zien. Ik nam deze nieuwe uitgave mee naar Gergiev en stelde voor er samen naar te luisteren. Later belde hij me erover, terwijl hij op dat moment naar de televisie keek. Maar tegelijkertijd verraste hij mij met zijn diepe inzichten in die al even legendarische uitvoering.

Zijn liefde voor de muziek kent eigenlijk geen grenzen. Ik moest hem bellen met de een of andere vraag over een programma. Hij was toen in Baden-Baden, had last van een stevige verkoudheid en voelde zich daardoor niet in staat om naar zijn volgende bestemming af te reizen. Op de achtergrond hoorde ik La bohème. "La bohème?" vroeg ik hem. "Ja," antwoordde hij. "De opname van Toscanini. Vandaag is het vijftig jaar geleden dat de maestro overleed. Het is een belangrijke dag en dit is een belangrijke opname!"
Een keer belde hij me om een of twee uur in de nacht, toen we beiden in Rotterdam waren. Of ik de opname van Mahlers Eerste symfonie onder Bruno Walter op mijn iPod had en of ik die dan naar zijn hotelkamer kon brengen? Hij was nieuwsgierig naar een tutti-passage in de altvioolpartij in de finale. We brachten een fascinerend en hoogst plezierig uur met elkaar door, dat begon met Mahlers Eerste, waarna een groot aantal andere, even boeiende onderwerpen op tafel kwam.

Wanneer een jonge dirigent een Gergiev-uitvoering bijwoont, neemt Valery altijd de tijd om met hem te praten. Zijn master classes zijn voor het publiek hoogst onderhoudend, maar voor de bevoorrechte jonge musici kunnen ze het keerpunt in hun leven betekenen. Zij profiteren van Valery 's buitengewone inzichten in de kunst van het dirigeren en de muzikale interpretatie. Wat de mensen ook over hem mogen zeggen, de Rus die altijd haast heeft, van her naar der vliegt, enzovoorts, waar het uiteindelijk om gaat is zijn fundamentele muzikale en persoonlijke integriteit die zijn leven en zijn muziek bepaalt.

Hij houdt van dit orkest en natuurlijk willen we dat hij zoveel mogelijk terugkomt. Dan hebben we het niet alleen over het Festival, maar eveneens over een aantal weken gevuld met gastdirecties, en dan het liefst op regelmatige basis, met tevens de mogelijkheid van tournees. Ik was er verrukt over toen ik Gergiev tegen een jonge Engelse dirigent hoorde zeggen dat hij zou wensen dat de strijkers van het LSO net zo'n prachtige, ronde klank konden produceren als de collega's van het RPhO. Het is een opmerkelijke samenwerking geweest, en het is niet voorbij.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links