Ensembles en orkesten

Het Orchestre de la Suisse Romande honderd jaar

 

© Aart van der Wal, januari 2019

 

 
 
Affiche van het openingsconcert in Genève op 30 november 1918

Het in Genève gevestigde Orchestre de la Suisse Romande (OSR), opgericht in 1918, dankt zijn bestaan aan de Zwitserse dirigent Ernest Ansermet (1883-1969). Het zal de nodige voeten in de aarde hebben gekost: niet alleen was de Eerste Wereldoorlog net ten einde, maar er was ook nog sprake van een ware griepepidemie die vanuit Spanje was overgewaaid en ook in Zwitserland een deel van het openbare leven deels had lamgelegd. Dat alle begin moeilijk was, was onder deze omstandigheden een waar eufemisme. Maar op zaterdag 30 november 1918 was het dan toch zo ver: 65 orkestleden maakten hun opwachting in Victoria-Hall in Genève om hun eerste openbare concert te geven, uiteraard onder leiding van Ansermet (een paar dagen later, op 2 december, vond een herhaling van dit concert plaats, maar nu in het theater van het nabijgelegen Lausanne).

 
 
Affiche van het tweede concert op
2 december 1918 in Lausanne

Het zou tot in de jaren dertig duren, alvorens zich een grote crisis aandiende die het voortbestaan van het orkest zelfs rechtstreeks bedreigde: de effectenbeurs op Wall Street was ingestort en had ook de Europese beurzen in zijn val meegesleurd. Ook in Zwitserland, toen zo ongeveer het financiële centrum van Europa, werd die schok hevig gevoeld. En alsof dat nog niet genoeg was kwam de SSR, de Zwitserse omroep, met het snode plan om in Lausanne een radio-orkest in het leven te roepen dat exclusief gebruik kon maken van een geheel nieuw ingerichte omroepstudio met alle denkbare faciliteiten en voorzien van de nieuwste snufjes. De concurrentie met het OSR werd nog verder op de spits gedreven door de arbeidsvoorwaarden, die, althans vergeleken met die van de OSR, voor de omroepmusici beduidend aantrekkelijker waren. Bovendien moesten de OSR-musici anders dan hun omroepcollega's genoegen nemen met een halfjaarcontract: in de zomermaanden waren er geen concerten en werden ze dus niet betaald.

Voor het voortbestaan van het OSR en uiteraard ook voor Ansermet als chefdirigent vormde dat kersverse initiatief van de omroep enerzijds een bedreiging maar anderzijds een regelrechte uitdaging. Er werd naarstig naar een tegenwicht gezocht en ook gevonden: een eigen zomerfestival. Niet in Genève of Lausanne, maar in Luzern. Daarmee herhaalde zich in zekere zin de geschiedenis: het moeizaam bijeenbrengen van de daarvoor benodigde financiële middelen en het optuigen van de festivalorganisatie. Maar in 1937 konden dan eindelijk de eerste concerten door het Zwitsers Festival Orkest worden aangekondigd. Het Festival van Luzern zou later uitgroeien t tot een van de meest prestigieuze West-Europese muziekevenementen, kwalitatief op het zelfde niveau acterend als de Salzburger Festspiele.

 
 
Wervende oproep aan abonnees en muziekvrienden om het abonnement te vernieuwen. Het voortbestaan van orkest hangt ervan af!

Alles goed en wel, maar voor het OSR was daarmee nog steeds geen voldoende fundament gelegd die het voortbestaan van het orkest kon verzekeren. Ansermet liet het er echter niet bij zitten en kwam in 1938 met het plan om alle belangrijke partijen samen te brengen: het orkest, de omroep en – heel belangrijk! – de subsidiënten. Het bleek een schot in de roos, hoewel het ook ditmaal niet van een leien dakje ging. Maar vijf jaar later wist het OSR zich dan eindelijk verzekerd van een stevige financiële en juridische basis die hoop gaf op een zonnige toekomst. Zozeer zelfs dat het aantal musici kon worden uitgebreid tot 84 (nu inmiddels 112). Voorts sloot het orkest in 1947 twee belangrijke overeenkomsten: een met de Zwitserse omroep en een met de Stad Genève met als doel de inkomsten van de orkestleden gedurende het gehele jaar (dus niet alleen in het gebruikelijke concertseizoen) te kunnen garanderen.

Niet dat er in die donkere jaren dertig niet meer potten op het vuur stonden. Zo werd het OSR in 1934 het huisorkest van het ‘Grand Théâtre' in Genève, waar zowel concerten als operavoorstellingen werden gegeven, maar alles tezamen genomen was het nog steeds onvoldoende voor een hechte financiële basis en voldoende zekerheid voor de toekomst.

Het spelen van zowel oud als nieuw repertoire houdt een orkest goed scherp en werpt een stevige dam op tegen eenzijdigheid en daardoor beperktheid. Traditie is prachtig, maar eigentijdse stukken vragen nu eenmaal om een ander leerproces. Het is ronduit jammer dat het merendeel van de orkesten daarvan nog steeds niet voldoende is doordrongen. Het OSR heeft vanaf zijn oprichting echter geïnvesteerd in die twee kanten van de medaille: traditioneel en modern repertoire. Dat kan van de programmering worden afgelezen, maar is ook op deze set van Pentatone duidelijk te herkennen, met - zeker voor die tijd - veel Debussy, Ravel en Stravinsky, naast werk van het Russische Machtige Hoopje en regelmatige uitstapjes naar Bartók, Roussel, Prokofjev, Malipiero, Sjostakovitsj, Zimmermann, Hindemith, Messiaen, Dutilleux, Honegger, Martin, Richard Strauss en Britten. Waarbij - het spreekt bijna voor zich - ook het traditionele kernrepertoire niet werd verwaarloosd. Wat ook meespeelde was dat Ansermet er bijna een sport van maakte om in Genève met spiksplinternieuw werk de eer van een wereldpremière naar zich toe te trekken. Al moet er wel aan toe worden gevoegd dat Ansermet zich jegens de seriële muziek meer dan wantrouwig opstelde. Wat niet wegneemt dat het OSR onder Ansermet het publiek doelbewust en niet zonder programmatisch raffinement regelmatig ‘kunstzinnige vorming' bijbracht, zonder dat - merkwaardig genoeg - deze progressieve aanpak ten koste ging van de bezoekersaantallen.

 
 
Ernest Ansermet in 1966

Het vertrek van Ansermet in 1967 viel min of meer samen met een lacune in de prestaties van het orkest, hoewel dat uit een aantal opnamen onder leiding van Ansermets opvolger Paul Kletzki niet als zodanig valt af te leiden: hij liet een uitstekende Derde symfonie van Rachmaninov achter, leidde met verve Hindemiths symfonie Mathis der Maler en liet het orkest fonkelen en spetteren in Lutoslawski's Concert voor orkest. Maar het was toch Wolfgang Sawallisch (hij nam in 1970 het stokje van Kletzki over) die in de tien jaar van zijn bewind het orkest beduidend sterke impulsen gaf. Daarna kwamen Horst Stein (1980-1985), Armin Jordan (1985-1997), Fabio Luisi (1997-2002), Pinchas Steinberg (2002-2005), Marek Janowski (2005-2012), Neeme Järvi (2012-2015), Kazuki Yamada (2012-2017) en nu Jonathan Nott. Waar het in al die jaren na Ansermet misschien wel aan heeft ontbroken is een hecht en artistiek opbouwend verband tussen chefdirigent en orkest. Je zou ook kunnen zeggen: teveel wisselingen in relatief korte tijd. Een probleem overigens dat veel orkesten treft. Grote namen zeggen in dit verband niet zoveel.

 

Het OSR gaat in 1974 op tournee naar Japan

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links