Ensembles en orkesten

Het Koninklijk Concertgebouworkest

 

© Aart van der Wal en Jan de Kruijff, januari 2007

 

Over het Concertgebouworkest is in het Nederlandse taalgebied al zoveel gepubliceerd dat het van ongekende hybris zou getuigen om daaraan nog wat wezenlijks toe te voegen. Niettemin een paar aantekeningen bij het onderwerp. "U bent aardige mensen, maar slechte musici. Van nu af aan zal ik mijn muziek nog slechts in Utrecht maken." Woorden van ongeveer deze strekking bezigde de oude Brahms over het muziekleven in Amsterdam aan het begin van de jaren 1880. En inderdaad moet het Nederlandse muziekleven midden negentiende eeuw nogal onbeduidend zijn geweest.

De oprichting van de Wagner Vereeniging in 1882 en de opening van het Amsterdams Conservatorium een jaar later moeten de muziekliefhebbers echter de hoop hebben gegeven op een kwaliteit van muziek maken die de stad niet had gekend sinds de totaal andere maatschappij van de vroege zestiende eeuw en later de exclusieve Muiderkring.

Binnen vijf jaar na de oprichting van de Wagner Vereeniging was een nieuwe concertzaal ontworpen en gebouwd, een fraai en voor die tijd eenzaam bouwsel naast percelen en polderlandschap aan de Van Baerlestraat. In akoestisch opzicht was het een triomf. Ondanks de mislukking van de megalomanische Engelse Royal Albert Hall met zijn 5.000 zitplaatsen en veel te lange nagalm had de tweede helft van de negentiende eeuw een reeks akoestisch zeer geslaagde concertzalen en operagebouwen opgeleverd. Het Concertgebouw volgde op eerdere successen als de Weense Musikverein, de nieuwe Parijse Opéra en Wagners Bayreuth.

Een eeuw later was een ingewikkelde en grondige restauratie van de fundering van het gebouw nodig zonder dat de akoestiek en het concertbedrijf daaronder te lijden hadden. In akoestisch opzicht was het gebouw ontworpen om het volledig ontwikkelde eind negentiende-eeuwse orkestgeluid met een speciale mengeling van warmte en helderheid te presenteren. Met overleg gebruikt kan de grote zaal niet alleen muziek uit vele stijlperiodes recht doen, maar ook allerlei bezettingen van solopiano via strijkkwartet tot groot slagwerkensemble. Producers van in de lege zaal gemaakte opnamen vonden vaak dat het beter was om het orkest in de zaal dan op het podium te plaatsen. Het afwezige publiek werd in dat geval gesimuleerd met behulp van gordijnen en doeken.

Omdat een concertzaal zonder orkest even nutteloos is als een  bibliotheek zonder boeken werd snel een orkest gerecruteerd. Het gaf zijn eerste concert 3 november 1888 onder leiding van de 32-jarige Willem Kes (afb. rechts), een paar maanden na de officiële opening.

Kes, van huis uit violist, had bij Wieniawski in Brussel en Joachim in Berlijn gestudeerd voordat hij als solist, concertmeester en tenslotte dirigent van het Park orkest naar Nederland terugkeerde. Van het begin af aan regeerde hij met ijzeren hand over het orkest en het publiek. Socialisatie gedurende de concerten - eten, drinken en converseren tijdens een concert - werd verboden. Laatkomers werd de toegang ontzegd.

Het orkest zelf begon de traditie van grondige muzikale voorbereiding op concerten die tot op de dag van vandaag heerst.

Net als Von Bülow - met Henri Viotta aanvankelijk eerste keus in Amsterdam - in Berlijn bleef Kes maar betrekkelijk kort bij het orkest. In 1895 toog hij naar Glasgow om het toen vier jaar oude Schots orkest te leiden dat was opgericht om de Glasgow Choral Union te beconcurreren. In 1895, het jaar waarin Nikisch Von Bülow in Berlijn opvolgde, werd Willem Mengelberg benoemd als opvolger van Kes. Het kan haast geen toeval zijn dat deze twee aankomende orkesten, elk voorbestemd voor een ereplaats op het Europese orkestplatform, nu in handen waren van twee van de grootste virtuoze dirigenten uit hun (en latere) tijd.

Glenn Gould merkte ooit op: "Mengelberg was een van de meest formidabele orkestrale technici. Persoonlijk geloof ik dat hij met Stokowski de grootste dirigent was die ik ooit op platen heb gehoord." Hij voegde daar aan toe dat Mengelbergs vermogen om het orkest bijeen te houden gedurende zijn vaak eigenzinnige en merkwaardige tempowisselingen zijn bewondering alleen nog maar groter maakte. Ook in ander opzicht toonde Mengelberg groot talent. Hij was als pianist goed genoeg om de solopartij uit het pianoconcert in Es van Liszt te spelen tijdens het afscheidsconcert van Kes.

>Zijn aanstelling bij het Concertgebouworkest had hij als jongeman van 24 min of meer alleen op aanbeveling gekregen. Hij behield die positie zo'n vijftig, soms turbulente jaren tot zijn dubbelhartige houding tegenover het Derde Rijk hem in 1945 zijn baan kostte en hij zich onbegrijpend in zijn Zwitserse chalet terugtrok. Zoals zo vele musici was hij waarschijnlijk te naïef en/of te egocentrisch om te beseffen wat hij had gedaan. Dat moet ook Otto Klemperer hebben gedacht toen hij zich bereid verklaarde om in het Concertgebouw een in memoriam Mengelberg concert te dirigeren een paar dagen na de dood van Mengelberg in maart 1951. Onder gelukkiger omstandigheden had 's dirigenten tachtigste verjaardag groots kunnen worden gevierd, maar het liep anders.

Willem Mengelberg

Wat ook zijn visie op Mengelbergs politieke opvattingen mag zijn geweest, Klemperer had een hoge dunk van Mengelberg als Mahler-pionier en orkesttrainer. Na zijn debuut bij het Concertgebouworkest in 1929 bestempelde Klemperer het als "het beste dat ik ooit heb gedirigeerd" en accepteerde hij de kritiek die volgde op een concert waar hij de 2e symfonie van Mahler sneller dan gebruikelijk had uitgevoerd. Van meet af aan was Mengelberg niet alleen een hartstochtelijk exponent van Beethoven (zijn leraar was op zijn beurt leerling van Beethovens schurkachtige amanuensis Anton Schindler), maar ook van andere tijdgenoot componisten. Naast Mahler was dat met name Richard Strauss. In 1898 droeg Strauss zijn symfonisch gedicht Ein Heldenleben aan Mengelberg en zijn tien jaar jonge orkest op. Dat werk werd in 1941 door Telefunken in Amsterdam opgenomen. Maar de vertolking die zo'n indruk maakte op Glenn Gould ontstond in 1928 en was met het New York Filharmonisch Orkest gemaakt.

Het Concertgebouworkest bleef altijd een uitstekend Strauss-orkest. Dat bleek al uit de in 1943 onder Karajan gemaakte opname van Don Juan. Ook Eugen Jochum, die in 1941 al voor het eerst het orkest had geleid, voegde in de jaren zestig Strauss aan de Concertgebouw discografie toe, ruim tien jaar later gevolgd door Haitink met inderdaad opnieuw een Heldenleben en - mooier nog - de Alpensinfonie.

De Mahler-connectie is zo belangrijk en wordt zo vaak aangehaald dat het misschien de moeite loont om hem eens nader te bezien. Mahler ontmoette Mengelberg de eerste keer in 1902 in Krefeld toen hij daar - off all places - zijn derde en eerste symfonie dirigeerde. Twee dingen waren toen meteen duidelijk. In de eerste plaats ontdekte Mahler Mengelberg uitstekende eigenschappen als orkesttrainer. In de tweede plaats zag Mahler Mengelberg als een interessante en goed bruikbare pion in de interne strijd met de Weense orkestcultuur. In 1904 schrijft Mahler aan Mengelberg: "Werkelijk goed nieuws dat je tenminste de baas bent in eigen huis. Ik maakte me daar al grote zorgen over en ik heb al geprobeerd om je hier naar toe te halen." 'Hier' was dus Wenen, maar het betrekkelijk geringe salaris dat de Musikverein bood deed Mahler aarzelen. Het was evenzeer duidelijk dat Mahler Mengelberg en de orkestleden die loyaal aan hem waren zoveel hij maar kon wilde helpen. Met dat doel in dezelfde brief stelde hij voor om twee uitstekende Nederlandse instrumentalisten die toen in het Weense Hoforkest speelden naar Amsterdam terug te zullen sturen. Mahler vond het wel jammer dat hij zijn fluitist Arie van Leeuwen zou kwijtraken; deze ging bij nader inzien ook niet. Maar het aanbod was genereus. Net zoals Mahlers bereidheid om een heel onhandelbare cellist van Mengelberg over te nemen om hem in Wenen "op maat teruggebracht" te gebruiken.

Mahlers hoge dunk van Mengelberg bleef onverminderd van kracht. Toen Mahler werd aangeboden om het Boston Symfonieorkest als opvolger van Muck over te nemen, weigerde hij maar probeerde hij Mengelberg over de halen om deze post te aanvaarden. Hij beval niet alleen het orkest aan, maar ook het salaris, de sociale status (eentje 'die geen musicus in Europa ooit kan bereiken') en het enthousiaste publiek.

Maar nadat hij zoveel strijd in Amsterdam had gestreden en gewonnen, aarzelde Mengelberg om weg te gaan uit Amsterdam en de baan ging naar Max Fiedler. Het jaar daarop schreef Mahler die nog steeds vond dat Mahler door de provinciale Nederlanders werd ondergewaardeerd: "Ik geniet iedere keer als ik over je groeiend succes lees. Ik neem an dat nu zelfs ook de deftige stand in Amsterdam erin gelooft?"

Een bestudering van de programma's van het Concertgebouworkest uit de periode van 1903 tot 1909 leert dat Mahler daar zijn al bestaande eerste drie symfonieën en het Klagende Lied dirigeerde, waarbij hij het orkest gebruikte om nieuwere werken uit te proberen. Tijdens een beroemd geworden concert op 23 oktober 1904 werd de 4e symfonie twee keer op dezelfde avond uitgevoerd. In het geval van de 5e symfonie in 1906 en de 7e in 1909 ging het steeds om een reeks uitvoeringen in en buiten Amsterdam. Mahler en Mengelberg dirigeerden bij toerbeurt, een duidelijk bewijs dat Mahler het orkest gebruikte als een laboratorium om de steeds complexer wordende orkestratie van zijn symfonische werken fijner af te stemmen.

Als Mahler er zelf niet was, maakte Mengelberg wel terugtrekkende bewegingen. Hoewel hem koebellen werden gezonden en hem belangrijke wijzigingen in de partituur bereikten (de maten 407-414 en 429-430 uit de finale, zie de Editie van Ratz uit 1962), voerde Mengelberg de nieuwe 6e symfonie niet uit in Amsterdam. In 1909 aarzelde hij nog te oordelen aan de hand van een memo dat hij van Mahler kreeg. Tenslotte dirigeerde hij het werk in 1916, een paar maanden na de slag bij de Somme. Op dat moment was een van de grote profetische symfonieën al getransformeerd tot een verschroeid commentaar op een historisch feit.

Na Mahlers dood in 1911 ging Mengelberg een integrale Mahlercyclus samenstellen. De 1e en 4e symfonie werden regelmatig gespeeld en de overige Wunderhorn symfonieën werden geleidelijk opnieuw geïntroduceerd in Mengelbergs eigen uitvoeringen. Ondertussen werden ook de tot dan toe onuitgevoerde late werken geleidelijk in het repertoire van het orkest opgenomen. Het Lied von der Erde en de 9e symfonie bijvoorbeeld. De 9e werd in mei 1918 minus de Rondo burleske uitgevoerd en daarna volledig in oktober. In 1919 deed Mengelberg weer alleen het eerste en laatste deel tijdens een concert.

Langzamerhand achtte Mengelberg de tijd rijp voor een groot Mahler festival. Nadat in november 1918 de wapenstilstand die een eind maakte aan de Eerste Wereldoorlog was getekend, raakten de plannen in een stroomversnelling. Het festival vond plaats van 6 tot 21 mei 1920. Het omvatte naast orkestliederen en het Klagende Lied alle symfonieën in chronologische volgorde tot tijdens het voorlaatste concert met het Lied von der Erde. De 9e volgde nog en het festival werd afgesloten met - hoe kon het anders - de machtige 8e.

Gedurende de eerste vijfentwintig roemruchte jaren van het Concertgebouworkest, jaren waarin het ensemble grote internationale allure verwierf, waren er natuurlijk meer belangrijke wapenfeiten. Amsterdam werd een trefpunt van beroemde componisten die eigen werk kwamen leiden: behalve Mahler en Strauss bijvoorbeeld ook Grieg, Pierné, Busoni, Rachmaninov, Casella, Elgar, Skrjabin, Debussy en Schönberg. In later stadium gevolgd door Milhaud, Hindemith, Stravinsky, Ravel en Bartók. In 1902 vond een - eigenlijk verboden - concertante uitvoering van Wagners Parsifal plaats. Dan waren er bijvoorbeeld de Nederlandse muziekfeesten in 1902 en 1912.

In een tijd, waarin wordt gediscussieerd over de 7% norm van Nuys en Van der Ploeg om orkesten te verplichten Nederlandse muziek uit te voeren, is het goed eraan te herinneren dat vroeger elk seizoen tenminste drie Nederlandse werken in première gingen bij het Concertgebouworkest.

Waren  er ook rimpelingen en conflicten? Zeker wel. In 1904 werd voor het eerst in een salarisstrijd de positie van de orkestleden ter discussie gesteld en kwam de vraag over de relatie tussen Gebouw en Orkest serieus aan de orde. En dan was er natuurlijk het mooie "Leve Sousa!" incident rond Telegraaf criticus Matthijs Vermeulen in november 1918 tijdens een uitvoering van Doppers Zuiderzee symfonie (zie Historie en kroniek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest Deel I blz. 135 e.v.).

Na het Mahlerfeest in 1920 trad in de periode tot 1940 een zekere consolidatie in. In datzelfde jaar 1920 ontstond het instituut van de goedkope Volksconcerten, in 1922 was een Frans muziekfeest; in mei 1926 werden de eerste Columbia opnamen van het orkest gemaakt: Wagners Ouverture Tannhäuser (L 1770/1), Berlioz' Hongaarse mars en sylfendans uit La damnation de Faust (L 1810), Beethovens ouvertures Egmont en Coriolan (L 1799 en L 1848), het Adagietto uit Mahlers 5e (L 1798)

Zelfs in die laatste opname klinken de strijkers prachtig in het Adagietto. Het portamento is flink overdreven, maar wordt wel zinvol toegepast. De opvatting is eerder gepassioneerd dan bezonnen langzaam, een dramatische meditatie van een type dat tegenwoordig zeldzaam is. Langere symfonische werken werden in 1928 en 1929 aangepakt: de 4e symfonie van Tsjaikovski (Columbia L 2366/70), deels heel boeiend gedaan, gevolgd door de 3e  van Brahms in 1932 (Columbia LX 8008/11).

Ook al sloeg Mengelberg het aanbod van het Boston Symfonieorkest af, hij werkte part-time in de jaren twintig wel met het New York Filharmonisch Orkest. Daardoor noopte hij het Concertgebouworkest om te zien naar ander talent. Mengelbergs tweede man werd in 1909 al Cornelis Dopper (1870-1939), die we ons nu voornamelijk nog herinneren als componist van onder andere de genoemde Zuiderzee symfonie. Dopper introduceerde veel nieuw Frans repertoire in Amsterdam en bevestigde zo de reputatie van het orkest, dat de belangen van tijdgenoten er in goede handen waren. In het Hilversumse radio archief bevindt zich een opname van die Zuiderzee (7e) symfonie uit 1940, door Mengelberg als eerbetoon uitgevoerd. Evert Cornelis speelde een bescheidener rol als dirigent.

In oktober 1924 debuteerde Pierre Monteux bij het orkest met Stravinsky's Sacre. Dat was het begin van een samenwerking die om te beginnen als tweede eerste dirigent naast Mengelberg tot 1934 en daarna als regelmatige gast bijna veertig jaar zou duren. Bruno Walter volgde Monteux van 1934 tot 1939 als een zeer gewaardeerde gastdirigent op. Andere gasten waren onder andere Ernest Ansermet, Igor Marketvitch, Adrian Boult, Fritz Busch, Erich Kleiber en Otto Klemperer.

In april 1931 werden geluidsfilmopnamen van het orkest gemaakt in het Franse Epinay-sur-Seine. Lange tijd werden de bewuste fragmenten - opnieuw de Hongaarse mars uit Berlioz' Damnation de Faust en verder het Adagietto uit Bizets L'Arlésienne en Webers Oberon  ouverture - verloren gewaand, totdat ze ineens in verrassend goede kwaliteit opdoken in deel 2 van de Telefunken video documentaire The art of conducting (4509-95710-3). En weer maakt met name de strijkerssectie diepe indruk.

De ontsluiting van de omroeparchieven heeft veel gedaan om ons aan documentatiemateriaal te helpen van Mengelbergs werk in zijn nadagen. Nadere aandacht is daaraan nader besteed in het aan Mengelberg gewijde hoofdstuk in Spraakmakende musici. Bijvoorbeeld onder meer aan de belangrijke uitvoering van Mahlers 4e (Mengelbergs partituur vol aantekeningen van Mahler en hem is ook overgeleverd) uit 1939 en een spraakmakende Matthäus-Passion uit datzelfde jaar. Een felle maar in essentie onfanatieke 7e Beethoven uit 1944 rondt op effectieve manier de era Mengelberg af. Het niveau van de uitvoeringen was - afgezien van Mengelbergs grilligheden - nogal wisselend.

Het lot van Mengelberg en het orkest in de oorlogsjaren is genoegzaam bekend. Gedreven door eerzucht en belust op nog meer roem maakte de dirigent zich onmogelijk. Eduard van Beinum, sinds 1931 al tweede dirigent en sinds '38 de eerste man, nam al gedurende die periode veel over en dirigeerde haast meer dan de vaak afwezige of zieke Mengelberg. Onder het regime van de zowel bij orkest als publiek juist ook vanwege zijn democratische instelling na de nogal dictatoriale era Mengelberg geliefde Van Beinum lag het programmatische accent nogal op Franse muziek en Bruckner. In 1941 c.q. 1943 vallen nog een paar optredens van respectievelijk Jochum en Karajan als bijzonderheid te registreren.

Het eerste naoorlogse concert vond 29 juli 1945 plaats. Na zestien jaar onder sterk wisselende omstandigheden te hebben  gewerkt, was Eduard van Beinum (afb. rechts) nu "de baas". De eerste gastdirigent in november 1945 was Adrian Boult. Boult speelde logisch genoeg graag Engelse muziek in Amsterdam. Bij zijn debuut in 1925 had hij de ouverture The wasps van Vaughan Williams, balletmuziek uit Holsts The perfect fool, de Symfonische variaties van Parry en het vioolconcert van Elgar geïntroduceerd. In 1948, als blijk van de Nederlandse dankbaarheid voor de Britse hulp gedurende de oorlog, werd Boult uitgenodigd om Elgars Dream of Gerontius te komen dirigeren. In sommige opzichten fungeerde Boult als bruggenbouwer tussen de twee landen en twee orkesten.

In 1949 werd Eduard van Beinum benoemd als eerste dirigent bij het Londens Filharmonisch Orkest. De relatie werd geïntensiveerd toen Bernard Haitink die als 18-jarige al aan Boult had verraden dat hij graag dirigent wilde worden, jaren later dezelfde funktie overnam. De as Amsterdam-Londen is altijd sterk geweest.

Het seizoen 1946/7 zag onder andere de terugkeer van Bruno Walter. Ook Beecham gaf acte de présence. De tijd van belangrijke, regelmatig terugkerende gasten als Kubelík, Krips, Kleiber, Klemperer, Monteux, Giulini, Dorati brak aan.

In 1948, het jaar van het eerste Holland Festival, waaraan het Concertgebouworkest door de jaren heen een belangrijk aandeel leverde, werden verder bijvoorbeeld vier concerten gegeven om het zestig jarige bestaan van het Concertgebouworkest te vieren. Geheel in de geest van het naoorlogse positivisme. Belofte en boetedoening was het motto van het eerste, door Van Beinum gedirigeerde concert met Bruckners Te Deum en 9e symfonie. Het tweede concert plaatste Beethovens 4e pianoconcert met Robert Casadesus als solist tegenover Stravinsky's Vuurvogelsuite en twee Nederlandse werken: de door Eduard Reeser gemaakte suite uit Diepenbrocks Marsyas (1910) en Rudolf Eschers Musique pour l'esprit en deuil uit 1943. Diepenbrock was een goede vriend van Mahler en Mengelberg. Er is een bekende foto uit maart 1906 waarop het drietal met hun dames is afgebeeld aan de oever van de (toenmalige) Zuiderzee. Monteux nam de twee resterende concerten voor zijn rekening. Hij begon met een typisch Frans-Duits programma, dat het vioolconcert van Brahms bevatte en Berlioz' Symphonie fantastique. Het slotconcert eindigde met Ravels Daphnis et Chloé en werd voorafgegaan door Pijpers aan Monteux opgedragen eendelige 3e symfonie, Debussy's Prélude à l'après midi d'un faune en Strauss' Till Eulenspiegel.

Over de periode Van Beinum (1931-1959) zijn de berichten wat controversieel. In de vooroorlogse jaren bleef zijn aandeel ten gevolge van de dominantie van Mengelberg wat beperkt, de oorlogsperiode zelf kan men beter vergeten, zodat hij pas na 1945 de volle aandacht kreeg. Het contrast met Mengelberg was groot. Van Beinum, de democraat, was onopvallend. Hij werd gerespecteerd en gewaardeerd als musicus. Zijn gezondheid was niet optimaal en zijn leven eindigde tragisch tijdens een repetitie van het langzame deel uit Brahms' 2e symfonie, op 13 april 1959.

Decca-producer John Culshaw en George Szell vonden dat de orkestdiscipline wat te wensen overliet, wat volgens hen werd veroorzaakt door de geïntroduceerde vorm van zelfbestuur van het ensemble. Het gebeurt wel vaker dat wanneer orkestmusici te maken krijgen met het management, de administratie, de financiën, promotioneel werk en de muziekpolitiek, dat het georganiseerd muziek maken wat in de knel komt.

In de problematische jaren na de bevrijding besteedde het orkest nog steeds ongeveer een kwart van zijn tijd aan modernen, een beleid dat toen door artistiek directeur Marius Flothuis duidelijk werd gestimuleerd.

Niettemin getuigen de opnamen die gedurende de jaren 1950 en de vroege jaren 1960 werden gemaakt door onder andere Van Beinum, Erich Kleiber, Szell en Monteux van de grote klasse van het orkest. Waar andere Europese orkesten toen in een overgangsfase verkeerden of zelfs tekenen van verval vertoonden, was het Concertgebouworkest een relatief stabiel ensemble. Gek genoeg waren er overeenkomsten met het Philharmonia orkest uit Londen, dat na de oorlog was opgericht door een groot muzikaal autocraat, Walter Legge, en dat werd getraind door Karajan wiens gaven in die tijd vergelijkbaar waren met die van de jonge Mengelberg. De Amsterdamse strijkers waren ver boven het gemiddelde en de blazers onderscheidden zich bijzonder. Een van de aantrekkelijke kanten van het orkest is altijd geweest dat het de uitgevoerde muziek nooit heeft overbelast en een overdreven toverglans heeft meegegeven zoals dat in Berlijn en Wenen niet ongebruikelijk was. Ook heeft het zich nooit overgegeven aan het soort gezamenlijke virtuositeit dat we van Amerikaanse orkesten kennen.

De individuele, frisse blazerssectie van het orkest is bijvoorbeeld heel mooi te horen in de opname van Beethovens Pastorale onder Erich Kleiber uit 1952. Het wekt ook nauwelijks verwondering, dat de eerste fagottist, Thom de Klerk, in 1960 het Nederlands Blazers Ensemble oprichtte, al zaten en zitten daar al lang niet meer exclusief leden van het Concertgebouworkest in.

Dan was er Piet Heuwekemeijer, die al in 1935 als violist bij het orkest - toen nog onder Willem Mengelberg - was aangetreden, en het in 1959 tot directeur bracht, maar acht jaar later verloor die positie. weer verloor. De ontslagprocedure verliep moeizaam, met als een van de belangrijkste uitkomsten dat de partijen geen woord naar buiten zouden brengen over de aard en de omvang van het conflict. Aan de geruchten hierover kwam pas in 2000 een einde, toen Heuwekemeijer in zijn autobiografie openheid van zaken gaf. Het ging in die roerige jaren zestig om het zogenaamde Plan Heuwekemeijer, dat er samengevat op neer kwam dat het orkest meer ruimte moest bieden aan modern, zelfs eigentijds repertoire en dat uit de orkestmusici meerdere ensembles gevormd zouden moeten worden die zich dan met name voor de moderne muziek dienden in te zetten. Dat al uit de oorlogsjaren stammende plan had Heuwekemeijer aangepast aan de actualiteit en was daarmee keurig in lijn met een oproep van de Nederlandse componist Ton de Leeuw om een flexibel ensemble te vormen voor de uitvoering van eigentijdse muziek. Voor Bernard Haitink was het Plan onaanvaardbaar. Er ontstond commotie, er werden diepe voren getrokken door de eens zo goede verhoudingen, de dirigent dreigde te vertrekken en Heuwekemeijer - die in de ogen van het orkestbestuur beduidend minder belangrijk was dan Haitink - moest het veld ruimen.

Maar mogelijk wilde men toch ook om andere redenen van deze 'lastpost' af. In 1951, toen de oorlogswonden nog zo vers waren, ontstond hevige beroering bij zowel het publiek als in de orkestgelederen toen de Nederlandse dirigent Paul van Kempen, die zich weliswaar in de oorlog tot Duitser had laten naturaliseren met ten onrechte van collaboratie met de nazi's werd beschuldigd, aantrad. De politie moest er uiteindelijk zelfs aan te pas komen om de gemoederen tot bedaren te brengen. De musici in deze heksenketel kregen van Heuwekemeijer het teken om het podium te verlaten, wat de meeste van hen ook deden. Dit terwijl het bestuur van het Concertgebouw (toen nog gescheiden van het Concertgebouworkest) juist opdracht had gegeven dat zij op hun plaats moesten blijven.

De ruim zestig weglopers werden kort daarop beloond met hun ontslag wegens werkweigering. Minister Cals moest er tenslotte aan te pas komen om het ontslag ongedaan te maken, maar eerst nadat de betrokken orkestleden hun spijt hadden betuigd. Daarmee werd tevens de loskoppeling van Gebouw en Orkest een feit.

Jaap van Ginneken, de eerste Philips producer van Haitink vanaf begin jaren zestig, heeft erop gewezen hoe grillig en onevenwichtig het orkest in de jaren zestig soms was. Het duurde vaak een poos voordat het ensemble vlam vatte, maar dan kon het ook gedurende lange tijd gloedvol spelen. Een van de mooiste momenten om dit te illustreren was tijdens een Holland Festival concert uit 1963. Pierre Monteux dirigeerde een Wagnerprogramma met Birgit Nilsson als soliste. Ergens gedurende de Venusberg muziek uit de ouverture Tannhäuser raakte het orkest zonder enigerlei ingreep van de als altijd rustig dirigerende 88-jarige Monteux in een soort collectieve koortstoestand die niemand verwacht had, zelfs niet als Dionysos zelf ten tonele was verschenen. Het gevolg: een gesmolten lavastroom van de strijkers en een prachtig raspende pracht van het koper in de recapitulatie van de hymne. Op zichzelf onderstreepte Monteux heel fraai Wagners beïnvloeding door Berlioz.

Na de dood van Van Beinum raakte het orkest duidelijk even in beroering. Gelukkig was daar op de achtergrond Marius Flothuis, die als jongeman al van 1937-1942 bij het ensemble had gewerkt voordat hij door de nazi's gevangen werd gezet. Hij was van 1953-1974 artistiek directeur.
Om te beginnen werden de ervaren Eugen Jochum (afb. rechts) en de beginneling Bernard Haitink naast elkaar aangesteld. Haitink, jong, kundig en snel ervaring opdoend, had voor het eerst in 1956 als invaller voor Carlo Maria Giulini voor het orkest gestaan; hij nam in 1963 het roer alleen over. Zijn regime was vervolgens zeer succesvol succesvol in termen van repertoire en muziek maken en groeide het orkest uit tot een hecht eerste klas ensemble, consistenter dan de Londense orkesten, minder hoogglans gepolitoerd dan de Berlijners, niet zo artistiek op drift als de Weners en niet terugvallend als de orkesten in Cleveland na de dood van George Szell en New York na het vertrek van Leonard Bernstein.

Een achteraf kleine rimpeling was de tamelijk ludieke en ten slotte niet erg succesvolle Notenkrakeractie uit 1969 van wat "jonge wilden" om meer ruimte te krijgen voor eigentijds repertoire.. Eigenlijk vormde de komst van "authentist" Harnoncourt meer aanleiding voor revolutionaire ontwikkelingen sinds hij in 1975 Bachs Johannes-Passion kwam dirigeren. Aanvankelijk vooral voor beide Passionen van Bach keerde hij jaarlijks terug, maar greep geleidelijk aan via Händel ook naar later repertoire: eerst Haydn en Mozart, later zelfs Schubert, Johann Strauss, Dvorák en Bruckner.

Op zijn best was het orkest technisch even goed als onder Mengelberg en hoewel Haitink (afb. rechts) een beduidend minder geladen musicus was, toonde hij ter compensatie veel meer menselijke trekken. Hij was minder grillig en autoritair, en beheerste een breder repertoire. Muzikale zwaartepunten waren voor hem de symfonieën van Bruckner en Mahler, en de orkestwerken van Debussy en Ravel. Barokmuziek liet hij wijselijk over aan specialisten op dat gebied, met de twee Weense klassieken Haydn en Mozart had hij weinig affiniteit, terwijl zijn Beethoven meer weg had van een typische 'middle-of-the road benadering. Aan de verworvenheden van de zogenaamde historiserende uitvoeringspraktijk had hij in die dagen niet of nauwelijks boodschap. Soms klonk zijn kritiek door dat door Harnoncourt de klankcultuur van "zijn" orkest aan verandering onderhevig was.

Om allerlei persoonlijke en artistieke redenen (de duidelijk toegenomen invloed van Harnoncourt op het repertoire dat ook Haitink sterk ambieerde was er een van) ontstonden tenslotte steeds groter wordende wrijving en conflicten, waardoor Haitink per september 1988 ontslag nam en naar het Londense Covent Garden verdween om zich eindelijk aan opera te kunnen wijden. Wel zou hij uiteindelijk als eredirigent aan het orkest verbonden blijven.

Als belangrijk "Mahler-orkest" heeft het Concertgebouworkest altijd een naam te verliezen gehad. Gelukkig is dat nooit gebeurd. De Mahlertraditie is altijd gekoesterd en zoals een oude hond nauwelijks nieuwe trucjes wil leren zo is dat mogelijk de verklaring voor het feit dat Simon Rattle in 1986 zoveel problemen had met Mahlers 10e in de concertversie van Cooke. Chailly heeft het in dit verband wel over de "intellectuele benadering door de orkestleden". Rattle bevestigt dat, maar heeft daarnaast een andere verklaring: "Ik geloof dat ze op een andere manier te werk gaan. Repetities worden gebruikt om geleidelijk een oplossing te vinden voor die dingen die ze belangrijk vinden. Ze kunnen zo hun eigen vormen vinden. Ze denken in frasen, wat me erg goed beviel. Maar het is me niet gelukt om met hun gevoel voor ritme in het reine te komen." Het zou de moeite waard zijn om dit thema eens uit te diepen omdat ritme een sleutel vormt voor elk musiceren en onze reactie daarop plus de ritmische beheersing van het orkest onder dirigenten als Kleiber, Monteux, Dorati en Szell en hun gevoel voor de dwarsverbindingen tussen polsslag, frasering en accenten onder Haitink hebben altijd tot de treffendste eigenschappen van het ensemble behoord. Eigenlijk is het jammer dat dirigenten in het algemeen de openheid van Rattle missen om over dergelijke ervaringen te praten. Wat dat betreft zijn het net schoolmeesters die liever niet over het ordeprobleem in klas 4C praten omdat dan mogelijk hun competentie in twijfel zal worden getrokken.

Rattle bericht in het boek van Nicholas Kenyon Simon Rattle: the making of a conductor, Faber 1987 blz. 164/5 ook hoe lastig het is voor een gastdirigent om door de vooropgezette stijl van een orkest heen te dringen. Wat ons terugbrengt tot het probleem waarmee de beste orkesten telkens weer worden geconfronteerd als het erom gaat een goede, passende dirigent te vinden, die ook gedurende langere tijd zijn lot aan die van het orkest verbindt.

Met Riccardo Chailly (afb.rechts) lijkt dat sinds 1988 in Amsterdam opnieuw goed gelukt. Veel aandacht schenkt hij aan de modernen en sinds het midden van de jaren negentig wijdde hij zich met overtuiging en succes aan de voor Amsterdam zo erfelijk belaste componisten Bruckner en Mahler, die hij in een  heel helder, transparant daglicht plaatst.

Vier belangrijke, grote dirigenten, gesteund door een reeks belangrijke gasten als Walter, Monteux, Klemperer, Kubelík, Dorati, Krips Szell, Giulini, Davis, Kondrashin en Harnoncourt in de eerste ruim honderd jaar is geen slechte score.

Uitspraken over het Concertgebouworkest

"Het was de mooiste uitvoering van Zarathustra die ik ooit heb gehoord. De repetities van de orkestsecties strekten zich uit over drie weken. Het was geweldig! Voeg daarbij de gastvrijheid van de Nederlanders - drie keer daags champagne en oesters." (Richard Strauss in een brief aan Franz Strauss, november 1898).

"De belangrijkste reden van deze brief is om mijn dank te betuigen aan je geweldige orkest. Wat het gedurende die paar dagen bereikte, kan slechts door mij en jou worden beseft. Het is vooral dat unieke élan, waaraan ik een echt voorbeeldige uitvoering van mijn moeilijkste werk te danken heb." (Gustav Mahler in een brief aan Willem Mengelberg, november 1904).

"Ik geloof dat ze de indruk hadden dat ik erg koud ben, wat heel interessant is omdat het ook de indruk is die ik omgekeerd van het orkest had. We moeten dus erg verward over elkaar zijn geweest." (Simon Rattle tegen Nicholas Kenyon, november 1986).

"Deze zaal en dit orkest - wat een combinatie!" (Riccardo Chailly, 1988).

Selectieve discografie

Na wat minutieus door Jan van Bart aan opnamen van het Concertgebouworkest is opgesomd in zijn ter gelegenheid van het honderdjarig jubileum van het orkest verschenen, inmiddels al aardig verouderde, maar ter wille van het lp bestand onmisbare Discografie (Walburg Pers, 1989) en wat ik in de discografieën bij de aan Bernstein, Chailly, Haitink, Harnoncourt en Mengelberg gewijde hoofdstukken van Spraakmakende musici (Balkema, 1997) en de bij Ashkenazy, Van Beinum, Böhm, Boulez, Dutoit, Giulini, Jansons, Jochum, Van Kempen, Karajan, Kleiber, Klemperer, Marketvitch, Monteux, Rosbaud, Solti, Szell, De Waart en Walter in Spraakmakende dirigenten (Gopher, 2001) al heb vermeld zou het uilen naar Athene dragen zijn om hier nog eens een volledige opsomming te maken.

Leemten zijn trouwens ook dan haast onvermijdelijk. Om te beginnen zijn bijvoorbeeld sommige belangrijke dirigenten als Kubelík nooit behoorlijk met Concertgebouworkest opnamen vertegenwoordigd. Ook het werk van anderen als Davis, Dorati, Fournet, Kondrashin, Krips, Van Otterloo, Sanderling, Sawallisch, Schuricht, Stokowski, Tennstedt, Tilson Thomas en Zinman mankeert in mijn boeken en last but not least mist zo'n lijst altijd de ultieme actualiteit. Niettemin hier een redelijk representatief lijstje voor wie een goed beeld wil krijgen van het orkest door de jaren heen.

In Mengelbergs tijd waren het vooral eerst Columbia en daarna Telefunken die opnamen van het orkest maakten. Daar tussendoor lopen de radio-opnamen uit 1938/40, die door Philips werden uitgebracht. Tijdens de oorlog verscheen DG ten tonele voor Van Beinum, Van Kempen en Karajan. Meteen in 1946 ging Van Beinum exclusief voor Decca opnemen. In 1954 ging die exclusiviteit gedurende vijfentwintig jaar bijna geheel over naar Philips. Vrijwel, want het aandeel van iemand als Solti bleef bij Decca. In 1979 eindigde het zo exclusieve Philipscontract en grepen EMI, Decca DG, CBS/Sony, Et'cetera hun kansen incidenteel. Dankzij een binding van Chailly aan Decca is dat label nu feitelijk de hoofdproducent.

Curieus is nog wel om eens te bezien welk van de aan het Concertgebouworkest en/of zijn dirigenten opgedragen of door hen bestelde werken fonografisch zijn vastgelegd. Hier een lijstje, waarbij de intussen doorgaans geheel in vergetelheid geraakte Nederlandse composities zijn weggelaten.

R. Strauss: Ein Heldenleben (1889). Mengelberg, Teldec 8.44163, 3984-28409-2 (1941); met Don Juan (1941/1938): Dutton CDEA 5025.

Rachmaninov: De klokken (1923). Ashkenazy, Decca 414.455-2.

Pijper: 6 Symfonische epigrammen (1928). Van Beinum, Philips AL 00219 (lp

Milhaud: Cantate nuptiale (1938). -

Bartók: Vioolconcert nr. 2 (1939). Szekely/Mengelberg, Dante LYS 242.

Kodály: Pauwvariaties (1939). -

Lutoslawski: Mi-parti (1976). -

Berio: Formazioni (1987). Chailly, Decca 425.832-2.

CD DISCOGRAFIE

(in alfabetische volgorde op dirigentennaam; lp's zijn buiten beschouwing gelaten)

Karel Ancerl

Beethoven: Vioolconcert; Rachmaninov: Paganinirapsodie (1970). Met resp. Herman Krebbers en Daniël Wayenberg. Tahra TAH 155.

Vladimir Ashkenazy

Rachmaninov: De 3 symfonieën; Symfonische dansen; Het dodeneiland; De klokken (1980/3). Decca 455.798-2 (3 cd's).

Rachmaninov: Symfonie nr. 1 (1982). Decca 411.657-2.

Rachmaninov: Symfonie nr. 2 (1981). Decca 400.081-2.

Rachmaninov: Symfonie nr. 3; Symfonie in d (1980/2). Decca 410.231-2.

Rachmaninov: Symfonische dansen; Het dodeneiland (1983). Decca 410.124-2.

Eduard van Beinum

De radio opnamen. Liszt: Pianoconcert nr. 2; Bach: Pianoconcert nr. 1; Cantate nr. 56; Concert voor 2 klavecimbels en orkest BWV 1060; Schubert: Entr'acte uit Rosamunde; Der Hirt auf dem Felsen; Tsjaikovski: Symfonie nr. 4; Romeo en Julia; Stephan: Musik für Geige und Orchester; Franck: Variations symphoniques; Ged. uit Psyché; R. Mengelberg: Salve Regina; Ravel: 2e Suite Daphnis et Chloé; Pianoconcert in G; Debussy: La mer; 3 Images; Printemps; Badings: Celloconcert nr. 2; Reger: Balletsuite; Bartók: Concert voor orkest; Stravinsky: 2e Suite De vuurvogel; Brahms: Symfonie nr. 1; Respighi: Fontane di Roma; H. Andriessen: Symfonie nr. 4; Miroir de peine; Schönberg: 5 Orkeststukken op. 16; Beethoven: Ouverture Egmont; Pianoconcert nr. 3; Vioolconcert; Pijper: Symfonie nr. 3; Henkemans: Altvioolconcert; Escher: Musique pour l'esprit en deuil; Verdi: Dormiró sol nel manto uit Don Carlos; Mozart: Symfonie nr. 40 (repetitie); Vioolconcert nr. 4; Diepenbrock: Te Deum. Irma Kolassi, Josef Pembaur, Mack Harrell, Johannes den Hertog, Dinu Lipatti, Jo Vincent, Georg Kulenkampff, Gerard Hengeveld, Cor de Groot, Solomon, Klaas Boon, Boris Christoff, Zino Francescatti, Yehudi Menuhin, Erna Spoorenberg, Nan Merriman, Ernst Haefliger, Laurens Bogtman en Toonkunstkoor Amsterdam (1936-1959). Q Disc 97015 (11 cd's en 1 DVD).

Bach: Orkestsuite nr. 2; Händel: Watermusic (1955/1958). Philips 420.857-2.

Bartók : Concert voor orkest (1948). Dante Lys LYS 431.

Beethoven: Vioolconcert; Brahms: Vioolconcert. Met Arthur Grumiaux (1957/8). Philips 468.828-2.

Brahms: De 4 symfonieën (1954-1958). Philips 462.534-2 (2 cd's).

Brahms: Symfonie nr. 1; Haydnvariaties; Altrhapsodie. Met Aafje Heynis (1954/1958). Philips 420.854-2.

Brahms: Pianoconcert nr. 1; Haydnvariaties. Met Clifford Curzon (1952/3). Decca 421.143-2.

Britten: Spring Symphony; Young Person's Guide tot the Orchestra; 4 Sea Interludes uit Peter Grimes (1949/1953). Met Jo Vincent, Kathleen Ferrier en Peter Pears en het Omroepkoor. Decca 440.063-2.

Bruckner: Symfonieën nr. 5, 7, 8 en 9 (1953-1959). Philips 464.950-2 (4 cd's).

Bruckner: Symfonie nr. 5 (1959). Philips 456.249-2.

Bruckner: Symfonie nr. 7 (1953). Decca 421.139-2.

Bruckner: Symfonie nr. 8 (1955). Philips 442.730-2.

Bruckner: Symfonie nr. 9 (1956). Philips 442.731-2.

Debussy: La mer; 3 Nocturnes; Ravel: La valse; Boléro (1957/8). Philips 420.856-2.

Debussy: 3 Nocturnes; Images; La mer (1954/1957). Philips 462.070-2.

Debussy: Berceuse héroique (1957). Philips 438.742-2.

Franck: Psyché; Mahler: Symfonie nr. 4. Met Margaret Ritchie (1953/1952). Decca 421.140-2.

Mahler: Das Lied von der Erde; Lieder eines fahrenden Gesellen (1956). Met Nan Merriman en Ernst Haefliger. Philips 462.068-2.

Mozart: Symfonie nr. 29; Fluit/harpconcert; J.C. Bach: Sinfonia's op. 18/2 en 4 (1957/8). Met Hubert Barwahser en Phia Berghout (1956/1957/1958). Philips 462.525-2.

Schubert: Symfonieën nr. 3, 6 en 8 (1957). Philips 422.177-2 en 462.724-2.

Leonard Bernstein

Beethoven: Missa solemnis (1978). Met Edda Moser, Hanna Schwartz, René Kollo, Kurt Moll en het Groot omroepkoor. DG 413.780-2 en 447.922 (2 cd's).

Mahler: Symfonie nr. 1 (1987). DG 427.303-2.

Mahler: Symfonie nr. 4 (1987). Met Helmut Wittek. DG 423.607-2.

Mahler: Symfonie nr. 9 (1985). DG 419.208 (2 cd's).

Mahler: Des Knaben Wunderhorn (1987). Met Lucia Popp en Andreas Schmidt. DG 427.302-2.

Schubert: Symfonieën nr. 5 en 8 (1987). DG 427.645-2.

Schubert: Symfonie nr. 9 (1987). DG 427.646-2.

Karl Böhm

Mozart: Symfonieën nr. 26, 32, 39, 40 en 41 (1955). Philips 438.956-2.

Pierre Boulez

Schönberg: Moses und Aron (1995). Met David Pittman-Jennings, Chris Merritt, Gabriele Fontana, Yvonne Naef e.a., het koor van de Nederlandse Opera en het Zaans jongenskoor (1996). DG 449.174-2 (2 cd's).

Riccardo Chailly

Berio: Sinfonia; Formazioni; Folk Songs. Met Jard van Nes en Electric Phoenix (1988/9). Decca 425.832-2

Brahms: Symfonie nr. 1; Akademische Festouverture. Decca 436.289-2.

Brahms: Symfonie nr. 2; Webern: Im Sommerwind. Decca 430.324-2.

Brahms: Symfonie nr. 3; Schönberg: Kammersinfonie nr. 1. Decca 436.466-2.

Brahms: Symfonie nr. 4; Schönberg: 5 Orkeststukken. Decca 433.151-2.

Bruckner: Symfonie nr. 0. Decca 521.593-2.

Bruckner: Symfonie nr. 2 (1991). Decca 436.154-2.

Bruckner: Symfonie nr. 4. Decca 425.613-2.

Bruckner: Symfonie nr. 5 (1991). Decca 433.819-2.

Bruckner: Symfonie nr. 6; Wolf: 4 Goetheliederen (1997). Met Matthias Goerne. Decca 458.189-2.

Bruckner: Symfonie nr. 9. Decca 455.286-2.

Bruckner: Symfonie nr. 9; Bach/Webern: Ricercare uit Musikalisches Opfer (1997). Decca 455.506-2.

Diepenbrock: Suite Elektra; Hymne An die Nacht; De vogels. Met Arleen Augér (1993). Donemus CVCD 50

Dvorák: Symfonie nr. 9; Ouverture Carnaval (1987). Decca 421.016-2.

Franck: Symfonie; Variations symphoniques. Met Jorge Bolet (1986). Decca 430.744-2.

Hindemith: De 6 Kammermusiken (1992). Decca 433.816-2 (2 cd's).

Leoncavallo: Pagliacci. Met José Cura, Barbara Frittoli, Carlos Alvarez, Simon Keenlyside Charles Castronovo, het Groot omroepkoor, het nationaal kinderkoor (2000). Decca 467.086-2.

Liszt: Faustsymfonie. Met Hans Peter Blochwitz en het Groot Omroepkoor (1991) Decca 436.359-2.

Mahler: Symfonie nr. 1; Berg/Verbey: Pianosonate (1995). Decca 448.813-2.

Mahler: Symfonie nr. 4; Berg: 7 Frühe Lieder (1999). Met Barbara Bonney. Decca 466.720-2.

Mahler: Symfonie nr. 5 (1997). Decca 458.860-2.

Mahler: Symfonie nr. 6; Zemlinsky: 6 Maeterlinck liederen. Met Jard van Nes (1989). Decca 425.040-2 (2 cd's).

Mahler: Symfonie nr. 7; Diepenbrock: Im grossen Schweigen. Met Hakan Hagegard (1994). Decca 444.446-2 (2 cd's).

Mahler: Symfonie nr. 8. Met Jane Eaglen, Anne Schwanewilms, Ruth Ziesak, Sara Fulgoni, Anna Larsson, Ben Heppner, Peter Mattei, Jan-Hendrik Rootering, het Praags filharmonisch koor, het Groot Omroepkoor, 2 jongenskoren (2000). Decca 467.314-2 (2 cd's).

Martin: Concert voor 7 blaasinstrumenten; 4 Ballades. Met solisten (1991). Decca 444.455-2.

Messiaen: Turangalila symfonie. Met Jean-Yves Thibaudet (1993). Decca 436.626-2.

Moesorgski: Schilderijententoonstelling; Ravel: Boléro; Debussy: Danse; Sarabande (1986). Decca 417.611-2.

Prokofjev: Symfonie nr. 3; Mosolov: Zavod; Varèse: Arcana (1991). Decca 436.640-2.

Ravel: Daphnis et Cloé; Debussy: Khamma (1994). Decca 443.934-2.

Rimski-Korsakof: Scheherazade; Stravinsky: Scherzo fantastique (1993). Decca 443.703-2.

Schat: The heavens (1992). Nederland Muziek NM 92033.

Schnittke: Concerti grossi nr. 3 en 4 (1991). Decca 430.698-2.

Schönberg: Kammersinfonie op. 9; 5 Orkeststukken op. 16; Webern: Im Sommer­wind; Passacaglia (1992). Decca 436.467-2.

Schumann: De 4 symfonieën (1989/91). Decca 425.608-2, 433.486-2.

Sjostakovitsj: Jazz suites; Pianoconcert nr. 1. Met Ronald Brautigam en Peter Maseurs (1988/1992). Decca 433.702-2.

Stravinsky: Petroesjka (1947); Pulcinella. Met Anna Caterina Antonacci, Pietro Ballo en William Shimell (1992/1993). Decca 443.774-2.

Stravinsky: Vuurvogelsuite (1945); Apollon musagète; Scherzo fantastique (1994). Decca 458/142-2.

Tsjaikovski: Manfred symfonie (1987). Decca 421.441-2.

Varèse: Complete werken. Met Sarah Leonard, Mireille Delunsch, Kevin Deas, Jacques Zoon, François Kerdoncuff, het Praags filharmonisch koor en ASKO ensemble (1994/1997). Decca 460.208-2 (2 cd's).

Wagenaar: Saul en David; Ouvertures Cyrano de Bergerac, Le cid; Amphit­rion; De getemde feeks (1991). Decca 425.833-2.

Wagner: Walkurenrit uit Die Walküre; Voorspel Die Meistersinger; Ouverture en bacchanaal uit Tannhäuser; Siegfrieds Rheinfahrt en Trauermarsch uit Götterdämmerung (1995). Decca 448.155-2.

Zemlinsky: Lyrische symphonie; Symphonische Gesänge. Met Alessandra Marc, Hakan Hagegard en Willard White (1993). Decca 443.569-2.

Zemlinsky: Eine Florentinische Tragödie; A. Mahler: 6 Liederen. Met Albert Dohmen, Heinz Kruse en Iris Vermillion (1997). Decca 455.112-2.

Myung-Whun Chung

Prokofjev: Suites uit Romeo en Julia (1993). DG 439.870-2.

Colin Davis

Beethoven: Vioolconcert. Met Arthur Grumiaux (1974). Philips 420.348-2, 442.287-2.

Berlioz: Symphonie fantastique (1974). Philips 464.692-2-2.

Dvorák: Symfonieën nr. 7-9 (1977). Philips 438.347-2 (2 cd's).

Dvorák : Celloconcert; Symfonie nr. 9. Met Heinrich Schiff (1977). Philips 442.401-2.

Haydn: Symfonieën nr. 94, 96, 100, 101, 103 en 104. (1979). Philips 464.707-2 (2 cd's).

Haydn: Symfonieën nr. 94, 100 en 101 (1979). Philips 442.649-2.

Stravinsky: Sacre; Petroesjka (1976/7). Philips 416.498-2.

Antal Dorati

Dvorák: Symfonie nr. 9 (1959). Philips 442.401-2.

Liszt: Faustsymfonie. Met Lajos Kosma (1982). Philips 442.642-2.

Smetana: Má vlast (1986). Philips 442.641-2.

Tsjaikovski: Suites De notenkraker (1975). Philips 426.177-2.

Tsjaikovski: Doornroosje (1979). Philips 446.166-2 (2 cd's). Charles Dutoit

Lalo: Symphonie espagnole (1995). Met Sarah Chang. EMI 555.292-2

Jean Fournet en Eliahu Inbal

Debussy: Prélude à l'après midi d'un faune (1959); La mer; 3 Nocturnes (1969). Belart 450.145-2.

Carlo Maria Giulini

Dvorák: Symfonieën nr. 7 en 9 (1992/3). Sony 58946 (2 cd's).

Ravel: Ma mère l'oye; Stravinsky: Vuurvogelsuite (1919) (1989). Sony 66832.

Bernard Haitink

De Symfonie editie. De complete symfonieën van Beethoven, Brahms, Bruc­kner, Mahler, Schumann en Tsjaikovski (1960-1987). Philips 442.355-2 (36 cd's).

Beethoven: de 5 pianoconcerten. Met Murray Perahia (1983-5). Sony 44575 (3 cd's).

Beethoven: Vioolconcert. Met Henryk Szeryng (1973). Philips 416.418-2.

Beethoven: Vioolconcert. Met Herman Krebbers (1974). Philips 450.042-2.

Bizet: Symfonie; Jeux d'enfants; Debussy: 2 Dansen. Met Vera Badings (1977). Philips 416.437-2.

Brahms: De 4 symfonieën; de 2 Serenades; Tragische ouverture; Akademi­sche Festou­verture; Haydnvariaties; 3 Hongaarse dansen (1970-1978). Philips 442.068-2 (4 cd's, ook los leverbaar).

Brahms: Pianoconcert nr. 1 (1981). Met Vladimir Ashkenazy. Decca 410.009-2.

Brahms: Pianoconcert nr. 2 (1973). Met Alfred Brendel. Philips 456.659-2.

Brahms: Vioolconcert. Met Henryk Szeryng (1973). Philips 416.438-2.

Brahms: Dubbelconcert. Met Itzhak Perlman en Mstislav Rostropovitsj (1979). EMI 749.486-2.

Bruch/Mendelssohn: Vioolconcerten. Met Itzhak Perlman (1983). EMI 747.074-2.

Bruckner: De 10 symfonieën (1963-1981). Philips 442.040-2 (9 cd's).

Bruckner: Symfonie nr. 7 (1978). Philips 446.580-2.

Bruckner: Symfonie nr. 8; Wagner: Siegfried Idyll (1981/1974). Philips 412.465-2 (2 cd's).

Bruckner: Symfonie nr. 9 (1981). Philips 410.039-2.

Debussy: Prélude à l'après midi d'un faune; 3 Nocturnes; La mer; Iberia (1977-1980). Philips 464.697-2. 

Debussy: 3 Nocturnes; Jeux (1979). Philips 400.023-2.

Debussy: La mer; Iberia uit Images; Prélude à l'après midi d'un faune (1976/7). Philips 416.444-2.

Dvorák: Symfonieën nr. 7 en 8; Smetana: De Moldau (1957/1961/1963). Philips 462.077-2 (2 cd's).

Mahler: De 9 symfonieën; Fragment Symfonie nr. 10 (1962-1971). Met Elly Ameling, Maureen Forrester, Roberta Alexan­der, Jessye Norman, John Shirley-Quirk, Aafje Heynis en het Groot Omroepkoor. Philips 442.050-2 (10 cd's).

Mahler: Symfonieën nr. 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 9; Lieder eines fahrenden Gesellen; 4 Liederen uit Des Knaben Wunerhorn. Met Roberta Alexander, Maria Ewing, Jard van Nes, Carolyn Watkinson, Benjamin Lxon, Tom Kause, het Groot Omroepkoor en het Noord-Hollands jongenskoor (1977-1987). Philips 464.321-2 (9 cd's).

Mahler: Symfonie nr. 1 (1972). Philips 456.658-2.

Mahler: Symfonie nr. 2; Liederen uit Des Knaben Wunderhorn (1968/1976). Met Elly Ameling, Aafje Heynis, Jessye Norman en John Shirley-Quirk. Philips 462.537-2 (2 cd's).

Mahler: Lied von der Erde; Kindertotenlieder. Met Janet Baker en James King c.q. Hermann Prey (1975/1970). Philips 454.014-2.

Messiaen: Et expecto resurrectionem; Takemitsu: November Steps (1969). Philips 426.667-2.

Rachmaninov: De 4 pianoconcerten. Met Vladimir Ashkenazy (1984-1986). Decca 421.590-2 (2 cd's).

Ravel: 2e Suite Daphnis et Chloé; Ma mère l'oye; (1971). Philips 416.495-2.

Schumann: De 4 symfonieën; Ouvertures Manfred en Genoveva (1981-1984). Philips 442.079-2 (2 cd's).

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 5 (1981). Decca 425.066-2.

Sjostakovitsj: Symfonieën nr. 6 en 12 (1982/1983). Decca 425.067-2.

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 13 (1984). Met Marius Rintzler. Decca 425.073-2.

Strauss: Alpensinfonie (1985). Philips 416.156-2.

Strauss: Also sprach Zarathustra (1987). Philips 420.521-2.

Strauss: Ein Heldenleben (1970). Philips 432.276-2.

Strauss: Tod und Verklärung; Tijl Uilenspiegel; Don Juan (1981/1982). Philips 411.442-2.

Tsjaikovski: De 6 symfonieën; Manfredsymfonie; Slavische mars; Francesca da Rimini; Capriccio italien (1964-1979). Philips 442.061-2 (6 cd's).

Nikolaus Harnoncourt

Bach: Matthäus-Passion (selectie). Met Kurt Equiluz, Ruud van der Meer, Robert Holl e.a. het St. Bavo jongenskoor en Concertgebouwkoor (1985). Teldec 2292-42411-2.

Brahms: Vioolconcert; Dubbelconcert. Met Gidon Kremer, Clemens Hagen (1996). Teldec 0630-13137-2.

Bruckner: Symfonie nr. 3 (1995). Teldec 4509-98405-2.

Bruckner: Symfonie nr. 4 (1997). Teldec 0630-17126-2.

Dvorák: Symfonie nr. 7; De houtduif (1996). Teldec 3984-21278-2.

Dvorák: Symfonie nr. 8; De middagheks (1999). Teldec 3984-24487-2.

Dvorák: Symfonie nr. 9; De waterman (2000). Teldec 3984-25254-2.

Haydn: Symfonieën nr. 68, 93 en 100 (1986/1981/1985). Teldec 9031-74859-2.

Haydn: De Londense symfonieën (1979-1988). Teldec 4509-92628-2 (5 cd's).

Haydn: Symfonieën nr. 94 en 95 (1981/1980). Teldec 9031-73148-2.

Haydn: Symfonieën nr. 96 en 97 (1981/1980). Teldec 9031-77315-2.

Haydn: Symfonieën nr. 98 en 99 (1979/1988). Teldec 2292-46331-2.

Haydn: Symfonieën nr. 101 en 102 (1988). Teldec 2292-43675-2.

Haydn: Symfonieën nr. 103 en 104 (1987). Teldec 2292-43526-2.

Mozart: Symfonieën nr. 25, 26 en 28 (1983/1988).Teldec 4509-91189-2.

Mozart: Symfonieën nr. 29-31 (1984-1988). Teldec 4509-91187-2.

Mozart: Symfonieën nr. 32-34 (1984/1981/1980). Teldec 4509-91190-2.

Mozart: Symfonieën nr. 35 en 36 (1980/1984). Teldec 9031-77595-2.

Mozart: Symfonieën nr. 38 en 39 (1981/1984). Teldec 9031-77596-2.

Mozart: Symfonieën nr. 40 en 41 (1983/1982). Teldec 9031-75861-2.

Mozart: Symfonieën nr. 31-41 (1980-1988). Teldec 9031-72484-2 (4 cd's).

Mozart: Pianoconcerten nr. 23 en 26 (1983). Met Friedrich Gulda. Teldec 4509-92150-2 of 4509-97483-2.

Mozart: Concert voor 2 piano's en orkest. Met Chick Corea en Friedrich Gulda (1983). Teldec 2292-42988-2.

Mozart: Cosi fan tutte. Met Charlotte Margiono, Dolores Ziegler, Anna Steiger, Deon van der Walt, Gilles Cachemaille, Thomas Hampson (1991). Teldec 9031-71381-2 (2 cd's). Hoogtepunten: 9031-76455-2.

Mozart: Don Giovanni. Met Thomas Hampson, Robert Holl, Edita Gruberova, Hans Peter Blochwitz, Roberta Alexander en het Nederlands Operakoor (1988). Teldec 2292-44184-2 (3 cd's); Hoogtepunten: 9031-72485-2.

Mozart: Le nozze di Figaro. Met Thomas Hampson, Charlotte Margiono, Barbara Bonney, Anton Scharinger, Petra Lang, Kurt Moll, Philip Langridge en het koor van de Nederlandse opera (1994). Teldec 4509-90861-2 (3 cd's).

Mozart: Der Schauspieldirektor; Salieri: Prima la musica. Met Magda Nador, Krisztina Laki, Roberta Alexander, Robert Holl, Thomas Hampson en Harry van der Kamp (1986). Teldec 2292-43201-2.

Mozart: Thamos. Met Thomas Thomaschke, Anne-Marie Mühle, Marius van Altena, Harry van der Kamp en Collegi­um vocale Gent (1980). Teldec 2292-42895-2.

Schubert: De 8 symfonieën (1992). Teldec 4509-91184-2 (4 cd's).

J. Strauss: Walsen enz. (1986). Teldec 9031-74786-2.

Strauss: Die Fledermaus. Met Josef Protschka, Barbara Bonney, Edita Gruber­ova, Werner Hollweg, Waldemar Kmennt, Anton Scharinger, Marjana Lipovsek, Elisabeth von Magnus en het Koor van de Nederlandse Opera (1987). Teldec 2292-42427-2 (2 cd's); Hoogtepunten: 4509-91974-2.

Mariss Jansons

Berlioz: Symphonie fantastique; Ouverture Carnaval romain (1992). EMI 754.479-2.

Neeme Järvi

Prokofjev: De 5 pianoconcerten. Met Boris Berman (1989). Chandos CHAN 8938 (2 cd's)

Rachmaninov: Paganinirapsodie; Saint-Saëns: Pianoconcert nr. 2 (1981). Met Bella Davidovich. Philips 410.052-2.

Reger: Hiller variaties; 4 Symfonische gedichten naar Böcklin (1989). Chandos CHAN 8794.

Stravinsky: Jeu de cartes; Orfeus (1991). Chandos CHAN 9014.

Eugen Jochum

Bach: Johannes-Passion. Met Agnes Giebel, Marga Höffgen, Ernst Haefliger, Alexander Young, Walter Berry, Franz Crass en het Groot Omroepkoor (1967). Philips 426.645-2 (2 cd's).

Bach: Matthäus-Passion. Met Ernst Haefliger, Walter Berry, Agnes Giebel, Marga Höffgen, John van Kesteren, Franz Crass en het Groot Omroepkoor (1965). Philips 420.900-2 (3 cd's).

Beethoven; Symfonieën nr. 6 en 8 (1968/9). Philips 434.529-2.

Beethoven: Symfonie nr. 9 (1969). Met Liselotte Rebmann, Anna Reynolds, Anton de Ridder, Gerd Feldhoff en het Groot Omroepkoor. Philips 432.225-2.

Bruckner: Symfonie nr. 5 (1964). Philips 426.107-2.

Grieg: Pianoconcert; Schumann: Pianoconcert (1979). Met Emil Gilels. Tahra TAH 241.

Mahler: Lied von der Erde. Met Nan Merriman en Ernst Haefliger (1963). Philips 439.471-2.

Schubert: Symfonie nr. 8; Beethoven: Symfonie nr. 5 (1952). Tahra TAH 238.

Strauss: Don Juan; Tijl Uilenspiegel; 2 Suites uit Der Rosenkavalier. (1960). Philips 442.281-2 (2 cd's).

Herbert von Karajan

Brahms: Symfonie nr. 1; Strauss: Don Juan. (1943). DG 423.527-2.

Beethoven: Ouverture Leonore III; Brahms: Symfonie nr. 1; Strauss: Don Juan; Sluierdans uit Salome; Weber: Ouverture Freischütz (1943). DG 423.526-2 (6 cd's).

Paul van Kempen

Tsjaikovski: Symfonie nr. 5; Capriccio italien (1951). Philips 420858-2.

Erich Kleiber

Beethoven: Symfonieën nr. 5 en 6 (1953). Decca 417.637-2.

Beethoven: Symfonieën nr. 3 en 5 (1951, 1953). Decca 467.125-2.

Otto Klemperer

Bach: Cantate nr. 202 (1957). Met Elisabeth Schwarzkopf. EMI 567.206-2.

Beethoven: Symfonie nr. 7; Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen; Mozart: Symfonie nr. 25 (1948). Met Hermann Schey. Archiphon ARC 109.

Falla: Nachten in de Spaanse tuinen; Janácek: Sinfonietta; Beethoven: Ah! Perfido; Bartók: Altvioolconcert (1951). Met Willem Andriessen, Gré Brouwenstijn en William Primrose. Music & Arts CD 752.

Mahler: Symfonie nr. 2. Met Jo Vincent en Kathleen Ferrier (1951). Decca 425.970-2.

Strauss: Tijl Uilenspiegel; Bruckner: Symfonie nr. 7 (1957). Music & Arts CD 751.

Kirill Kondrashin

Hindemith: Celloconcert; Klarinetconcert (1973). Met Tibor de Machula c.q. George Pieterson. Et'cetera KTC 1006.

Rachmaninov: Symfonische dansen; Tsjaikovski: Orkestsuite nr. 3 (1976/1974). Emergo EC 3962-2.

Rimski-Korsakov: Scheherazade (1980). Met Herman Krebbers. Philips 442.643-2.

Skrjabin: Symfonie nr. 3 (1976). Et'cetera KTC 1027.

Josef Krips

Mozart: Symfonieën nr. 21-41 (1973). Philips 454.085-2 (12 cd's).

Mozart: Symfonieën nr. 31, 35 en 36 (1972/1973). Philips 426.063-2.

Mozart: Symfonieën nr. 32, 38 en 40 (1973/1972). Philips 422.476-2.

Mozart: Symfonieën nr. 39 en 41 (1972). Philips 422.974-2.

Igor Markevitch

Berg: Vioolconcert (1967). Met Arthur Grumiaux. Philips 462.856-2 (2 cd's).

Tsjaikovski: Ouverture 1812 (1964). Philips 438.386-2, 442.586-2 (2 cd's).

Neville Marriner

Elgar: Enigma variaties; Pomp and circumstance marsen nr. 1, 2 en 4. Philips 434.159-2.

Holst: The planets; Elgar: Pomp and circumstance marsen nr. 1, 2 en 4. Belart 450.053-2.

Willem Mengelberg

Bach: Ged. uit de Orkestsuites; Klavecimbelconcert BWV 1056; Vivaldi: Ged. uit de Concerti op. 8; J.C. Bach: Pianoconcert T 295/1; Mozart: Eine kleine Nachtmusik. Met Agi Jambor en Marinus Flipse. Archive documents ADCD 112.

Bach: Matthäus-Passion. Karl Erb, Willem Ravelli, Jo Vincent, Ilona Durigo, Louis van Tulder, Herman Schey en het Amsterdams Toonkunstkoor (1939). Philips 416.206-2 en 462.092-2 (3 cd's).

Beethoven : De 9 symfonieën; Ouverture Fidelio (1940). Met To van der Sluys, Suze Luger, Louis van Tulder, Willem Ravelli en het Amsterdams Toonkunstkoor. Philips 462.526-2 (5 cd's).

Beethoven: Symfonie nr. 1; Pianoconcert nr. 5; Liszt: Hongaarse fantasie; Schelling: Overwinningsbal; Tsjaikovski: Slavische mars; Händel: Ged. uit Alcina. Wilhelm Backhaus en Cor de Groot met ook het New York Filharmonisch Orkest en het Omroeporkest Breslau. Archive documents AD 105/6 (2 cd's).

Beethoven: Symfonieën nr. 1 en 2 (1940). Philips 416.200-1.

Beethoven: Symfonie nr. 3 (1940). Philips 416.201-2.

Beethoven: Symfonieën nr. 4 en 5 (1940). Philips 416.202-2.

Beethoven: Symfonieën nr. 5 en 6 (1940). Teldec 3984-28408-2.

Beethoven: Symfonie nr. 6; Ouverture Fidelio (1940). Philips 416.203-3

Beethoven: Symfonieën nr. 7 en 8 (1940). Philips 416.204-2.

Beethoven: Symfonie nr. 7; Cherubini: Ouverture Anacreon; Mendelssohn: Ged. uit Midzomernachtsdroom. (ook met het BBC Symfonieorkest en het Berlijns omroeporkest). Archive documents ADCD 111.

Beethoven: Symfonie nr. 9 (1940). Met To van der Sluys, Suze Luger, Louis van Tulder, Willem Ravelli en het Amsterdams Toonkunstkoor. Philips 416.205-2.

Brahms: Symfonie nr. 1; Schubert: Ouverture, Entr'acte- en Balletmuziek nr. 2 uit Rosamun­de (1940). Philips 416.210-2.

Brahms: Symfonie nr. 2; Tragische ouverture (1940). Teldec 8.44156.

Brahms: Symfonie nr. 3; Debussy: Prélude à l'après midi d'un faune; Franck: gedeelten uit Psyché; Liszt: Les Préludes. Archive Documents ADCD 107.

Brahms: Ein deutsches Requiem (1940). Jo Vincent, Max Kloos en het Amsterdams Toonkunst­koor. Philips 416.213-2, 468.099-2 (3 cd's).

Dvorák: Symfonie nr. 9 (1941); Franck: Symfonie (1940). Teldec 8573-83025-2.

Franck: Symfonie; R. Strauss: Don Juan (1940). Philips 416.214-2; 468.099-2 (3 cd's).

Mahler: Symfonie nr. 4 (1939). Met Jo Vincent. Philips 416.211-2 en 462.096-2.

Mahler: Ged. uit Symfonie nr. 5; Gluck: Ouverture Alceste; Beethoven: Ouvertures Egmont en Fidelio; Schubert: Ged. uit Rosamunde; Weber: Ouverture Oberon; Berlioz: Ouverture Carnaval romain; Wagner: Voorspel Lohengrin; Tsjaikovski: Slavische mars. Ook met New York Filharmonisch Orkest. Symposium SYMCD 1078.

Puccini: Ged. uit Madama Butterfly; Mozart: Exsultate jubilate; Weber: Gedeelten uit Oberon; Bach: Ged. uit de Matthäus-Passion. Met Gerald Moore, Bernard van den Bosch, Ria Ginster, Ruth Horna, Jo Vincent, Ilona Durigo, Karl Erb, Willem Ravelli en het Amsterdams Toonkunst­koor. Archive Documents ADCD 109.

Rachmaninov: Pianoconcerten nr. 2 en 3. Met Walter Gieseking. Music and Arts MACD 250.

Röntgen: 6 Oudnederlandse dansen. Concertgebouworkest (op verzamel cd In Holland staat een huis). Philips 462.104-2.

Schubert: Symfonieën nr. 8 en 9 (1939/40). Philips 416.212-2, 468.099-2 (3 cd's).

Schubert: Gedeelten uit Rosamunde, Claudine von Villa Bella en Didone abbandonata;

R. Strauss: Ein Heldenleben (1941). Teldec 9031-76441-2; 3984-28409-2 (met Don Juan en Tijl Uilenspiegel door de Wiener Philharmoniker o.l.v. Clemens Krauss.

R. Strauss Ein Heldenleben (1941); Don Juan (1938). Pearl GEM 0008, Dutton CDEA 5025.

R.Strauss: Ein Heldenleben(1941); Don Juan (1938); Wagenaar: Ouverture Cyrano de Bergerac. Dutton CDEA 5025.

Stravinsky: Ged. uit Le baiser de la fée; Koorvariaties; Perséphone; Hindemith: Vioolconcert. Met Ferdinand Helmann (deels met Vera Zorina en het Westminsterkoor en het Boston Symfonieorkest). Archive Documents ADCD 110.

Tsjaikovski: Symfonieën nr. 4 (1929), 5 (1938) en 6 (1941); Romeo en Julia (1930) en Serenade voor strijkorkest (1938). Music & Arts CD 809 (2 cd's).

Tsjaikovski: Symfonieën nr. 4-6; Romeo en Julia; Ged. uit Serenade voor strijkorkest. Music & Arts MACD 809.

Tsjaikovski: Symfonie nr. 5; Dvorák: Vioolconcert; Beethoven: Symfonie nr. 3; Ged. Egmont; Debussy: Fantaisie; Brahms: Symfonie nr. 3; Vioolconcert; Schubert: Arpeggione sonate; Bruch: Vioolconcert nr. 1; Wagner: Ouverture Tannhäuser. Met Maria Neuss, Herman Krebbers, Guila Bustabo, Gaspar Cassadó en Walter Gieseking. Music & Arts MACD 780.

Tsjaikovski: Symfonie nr. 6 (1937). Teldec 4509-93673-2.

Tsjaikovski: Symfonie nr. 6; Borodin: In de steppen van Centraal Azië; Grieg: Gedeelten uit Peer Gynt. Archive documents ADCD 108.

Tsjaikovski: Pianoconcert nr. 1; Symfonie nr. 5. Met Conrad Hansen en de Berliner Philharmoniker. Biddulph WHL 051.

Tsjaikovski: Pianoconcert nr. 1; Serenade voor strijkorkest. Met Conrad Hansen. Teldec 2292-43726-2.

De radio opnamen. Weber: Ouverture Oberon; Beethoven: Ouverture Egmont; Symfonie nr. 9; Pianoconcert nr. 5; Mahler: Symfonie nr. 4; Lieder eines fahrenden Gesellen; Adagietto uit Symfonie nr. 5; Bach: Pianoconcert in f; Cantate nr. 202 Weichet nur. Betrübte Schatten; Schubert: Liebe schwärmt auf allen Wegen; Der Vollmond strahlt; Brahms: Symfonie nr. 3; Vioolconcert; Mozart: Ouverture Die Zauberflöte; Fluitconcert nr. 2; Bella mia fiamma.Resta, o cara; Bruch: Vioolconcert nr. 1; Puccini: "Un bel di" uit Madama Butterfly; Pestalozza: Ciribiribin; Wagenaar: Ouverture De getemde feeks; Chopin: Pianoconcert nr. 2; Tsjaikovski: Symfonie nr. 5; Kodály: Háry Jánossuite; Pauwvariaties; Bartók: Vioolconcert nr. 2; Wagner: Ouverture Tannhäuser; Ravel: 2e Suite Daphnis et Chloé; Berlioz: Ged. uit La damnation de Faust; Grieg: Peer Gynt suite nr. 1; Bloch: Vioolconcert; Strauss: Tod und Verklärung. Met Cor de Groot, Hermann Schey, To van der Sluys, Betty van den Bosch - Schmidt, Ria Ginster, Guila Bustabo, Grace Moore, Theo van der Pas, Agi Jambor, Herman Krebbers, Zoltán Székely, Walter Gieseking, Joseph Szigety, Suze Luger, Louis van Tulder, Willem Ravelli en Jo Vincent. Q Disc 97016 (10cd's).

Dutch Masters. Schubert: Symfonieën nr. 8 en 9; Brahms: Deutsches Requiem; Franck: Symfonie; Strauss: Don Juan. Met Jo Vincent, Max Kloos en het Amsterdams Toonkunstkoor. Philips 468.099-2 (3 cd's).

Dimitri Mitropoulos

Brahms: Symfonie nr. 3; Strauss: Also sprach Zarathustra (1958). Orfeo C 458971.

Pierre Monteux

Beethoven: Symfonie nr. 3; Schubert: Symfonie nr. 8 (1962). Philips 420.853-2.

Brahms: Symfonieën nr. 1 en 3; Tragische ouverture ; Vioolconcert ; Berlioz : Symphonie fantastique ; Sibelius : Vioolconcert ; Stravinsky : Petroesjka (1950). Met resp. Nathan Milstein en Jan Damen. Tahra TAH 175/8.

Charles Munch

Brahms: Vioolconcert (1948). Met Ossy Renardi. Dante Lys LYS 478.

Willem van Otterloo

Franck: Symfonie (1964). Philips 442.296-2 (2 cd's).

Nicola Rescigno

Bellini: Oh! S'io potessi - Col sorriso d'innocenza uit Il pirata (1959). Met Maria Callas. EMI 566.432-2.

Kurt Sanderling

Beethoven: Pianoconcerten nr. 3 en 4 (1995). Met Mitsuko Uchida. Philips 446.082-2

Wolfgang Sawallisch

Beethoven: Symfonieën nr. 1, 3 en 8 (1993). EMI 573.323-2b (2 cd's).

Beethoven : Symfonieën nr. 4, 5, 6 en 7 (1991). EMI 573.326-2 (2 cd's).

Carl Schuricht

Mahler: Lied von der Erde (1939). Met Kerstin Thorborg en Carl Martin Ohman. Minerva MN-A30.

Georg Solti

Mahler : Symfonie nr. 4 (1961). Met Sylvia Stahlman. Decca 458.383-2 (2 cd's).

Mahler: Lied von der Erde (1992). Met Marjana Lipovsek en Thomas Moser. Decca 440.314-2.

George Szell

Beethoven: Symfonie nr. 5; Sibelius: Symfonie nr. 2 (1964). Philips 420.771-2

Mozart: Symfonie nr. 41; Pianoconcert nr. 9. Met Rudolf Firkusny (1958). Sony 68445.

Klaus Tennstedt

Beethoven: Vioolconcert; Bruch: Vioolconcert nr. 1 (1989). Met Kyung-Wha Chung. EMI 754.072-2.

Michael Tilson Thomas

Ives: Symfonie nr. 3; 2e Orchestral set (1982). Sony 37823.

Edo de Waart

Wagner: Ouvertures Der fliegende Holländer, Die Feen en Tannhäuser met Venusbergmuziek (1979). Philips 400.089-2.

Heinz Wallberg

Beethoven: Pianoconcert nr. 1; Mozart: Pianoconcert nr. 25 (1992). Met Martha Argerich. EMI 556.974-2.

Bruno Walter

Brahms: Pianoconcerten nr. 1 en 2 (1936). Met Vladimir Horowitz. Radio Years RY 54; nr. 1 apart: Music & Arts MACD 810.

DVD en VHS video

Eduard van Beinum

Beethoven: Symfonie nr. 3 (1957). Q-Disc

Carlos Kleiber

Beethoven: Symfonieën nr. 4 en 7 (1983). Philips 070-100-3 (VHS beeldband).

Willem Mengelberg

Weber: Ouverture Oberon; Bizet: Adagietto uit L'Arlésienne; Berlioz: Hongaarse mars uit La damnation de Faust. Q Disc 97016.


terug naar index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links