DVD-recensie

 

© Maarten Brandt, december 2019

 

Yannick Nézet-Séguin - A film by Christiaan van Schermbeek

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 4 in c, op. 43

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin + repetitiefragmenten en gesprekken met orkestleden

Rotterdams Philharmonisch Orkest, Mediafonds • 75' + 127' • (2 dvd's)
Opname symfonie: 10 en 11 december 2016, De Doelen, Rotterdam

Te bestellen bij https://www.bol.com/nl/p/portrait-concert/9200000109287855/

 

Wat is een charismatische dirigent? En is die bij de gratie van dat charisma altijd goed? Op deze vraag zijn natuurlijk vele antwoorden mogelijk. Zeker is dat er dirigenten bestaan met een uitstraling op het podium die men charismatisch zou kunnen noemen, maar die – indien men in staat is daar even doorheen te prikken – muzikaal en laat staan: spiritueel-muzikaal, bar weinig te melden hebben. Dirigenten voor wie vele orkestmanagers maar wat graag door de knieën gaan in een tijd waarin het muzikale gebeuren op het podium soms bedenkelijk veel weg begint te krijgen van een circusact in plaats waar het allemaal om is begonnen, althans om begonnen zou moeten zijn: het koesteren en verder ontwikkelen van de symfonische cultuur. En juist die cultuur, maar daarover kunt u elders op deze site veel meer lezen, staat tegenwoordig danig onder druk om niet te zeggen dat het voortbestaan daarvan allerminst kan worden gegarandeerd als er binnen de leidingen van de orkesten niet snel iets verandert en het artistieke wederom het primaat krijgt. Er zijn natuurlijk ook niet-charismatische dirigenten en de vraag is of die per definitie minder zijn dan zij die dat wel zijn. Neem wijlen Karl Böhm, een ongelooflijk vervelende vent, een notoire Nazi bovendien (die zelfs nog na de oorlog een van de orkestleden aansprak met “Die kleine Jude da”) en met een manier van dirigeren die absoluut niet oogt. Maar die wel onder meer heeft gezorgd voor een Tristan en een Ring uit Bayreuth waar iedereen het – en terecht – nog over heeft. Alsmede een Brahms-cyclus met de Wiener Philharmoniker waar je ook anno 2019 nog de vingers bij aflikt. Of noem de onverdachte Hans Rosbaud, die als geen ander in zijn tijd het totale repertoire beheerste van Rameau tot en met Xenakis. En dit alsof het de gewoonste zaak van de wereld betrof. Maar die verder, wanneer men het geluid wegdraaide, de indruk wekte van een dirigerende registeraccountant. Een visueel aspect dat zich haaks verhoudt tot zijn gedreven interpretaties – luister maar eens naar diens door het lint gaande vertolking van Bergs Drei Orchesterstücke met het KCO in de Anthology-reeks! - die een ieder die ze ooit heeft gehoord nimmer zal vergeten. Een eigenschap die Rosbaud overigens deelt met Boulez die de kunst bij hem heeft afgekeken.

Kern
Deze gedachten speelden mij door het hoofd tijdens het bekijken van het fascinerende filmportret van Christiaan van Schermbeek over de recentelijk vertrokken chefdirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest Yannick Nézet-Séguin. Het charisma van deze musicus staat nergens ter discussie, integendeel. Terwijl het ook zo duidelijk als wat is dat we hier met een kunstenaar te maken hebben die zijn vak voor de volle honderd procent serieus opvat. We zien hem aan het werk met bijvoorbeeld de Achtste van Bruckner en de Cooke-versie van de Tiende van Mahler. Twee stukken die Yannick zeer na aan het hart gebakken liggen en dat is aan alles te horen. Het tot leven wekken van een Bruckner-symfonie is voor hem bijvoorbeeld net zo iets als het beoefenen van topsport en het monteren van een flits uit Bruckner 8 op een episode waarin we de maestro zien gewichtheffen is een van de vele originele vondsten waarop Van Schermbeek ons in zijn magistrale productie trakteert. Want zowel in de sport als bij het musiceren gaat het om het vinden van het juiste evenwicht, en niet alleen dat: ook de echte kern waarom het gaat. Die balans laat ook vrijheden toe, zoals Yannick haarscherp uitlegt. Immers zonder om het even welke vorm van fluctuatie zou een interpretatie saai zijn, om niet te zeggen stilstaan en dat laatste kan nooit de bedoeling zijn. Juist dat balanceren halverwege vrijheid en gebondenheid maakt onder andere het Brucknervak zo sensationeel, een vak dat deze uit Montréal afkomstige en Frans-georiënteerde dirigent tot in de puntjes beheerst. Niet alleen nam hij met het Orchestre Métropolitain van deze stad een integrale Bruckner-cyclus op (helaas zonder de Nulde en de finale van de Negende), we beschikken wat de Achtste betreft nog over een tweede en live vastgelegde opname met de Rotterdammers die zijn oude nog in ruime mate overtreft en die door DG in de ‘Collection Yannick Nézet-Séguin' is uitgebracht en door mij voor de site is besproken.

Palet
Een andere eigenschap die hij deelt – om een ouder voorbeeld te noemen – met onder andere Eduard van Beinum is zijn overtuiging dat alle musici (en dus niet in de laatste plaats de orkestmusici, voor wie hij tijdens een tournee ooit een massage betaalde) gelijkwaardig zijn (“Er is in principe geen verschil in contact met onverschillig welke musici, ook al heb je door omstandigheden soms met de ene meer contact dan de andere.”). De naam van Van Beinum – die een enorme affiniteit had met de Franse toonkunst - laat ik hier niet zo maar vallen, want een van de duidelijke verschillen met zijn voorganger Valéry Gergiev is zijn opmerkelijke affiniteit met het Franse repertoire dat veel heeft bijgedragen aan de verandering van de klankcultuur die het RPHo tijdens de chefdirigentschaps-periode van Yannick heeft doorgemaakt. Of, om het in zijn eigen woorden te vatten: “Ik voelde dat het orkest toe was aan een zekere verfijning van de klank. Daarom was de Franse muziek juist datgene wat men nodig had: de discipline, de meer bescheiden dynamiek. En gedurende de afgelopen jaren doen we opnieuw Russisch repertoire, zij het met dit toegevoegde palet.” Wat me ook weer eens opviel – tijdens het bekijken van de repetitiefragmenten in de film, maar ook die in de vorm van de extra's welke zijn bijgevoegd op de dvd met de live-vertolking van de Vierde van Sjostakovitsj – is het duidelijke onderscheid tussen het beschikken van natuurlijke autoriteit en het vertonen van autoritair gedrag. Welnu dat laatste zal men bij Yannick vergeefs zoeken. Hij koketteert nergens met zijn enorme partituurkennis, maar weet die op een luchtige en vol kwinkslagen stekende wijze voor het voetlicht te krijgen waardoor alle musici op een volkomen natuurlijke manier met hem in zee gaan. Ergens komt een van de motieven in de finale van de Achtste Bruckner voorbij en legt de dirigent een verband met een Canadese tv-tune, bekend onder de benaming ‘passe partout'. En aan het eind van een van de repetities van de Vierde Sjostakovitsj schuwt Yannick al evenmin om met ‘zijn' Rotterdammers de Feyenoord-hymne in te zetten. De vriendelijk- en voorkomendheid in het karakter van deze man was – als we zijn ouders mogen geloven die ook in beeld komen – van meet af aan aanwezig. Aanvankelijk was hij voor geen enkel gat te vangen. Hij wilde journalist, advocaat, architect, econoom en zelfs Paus worden. Dat laatste is des te opmerkelijker, want als er iemand is die zich uitgerekend niet als een Paus voor het orkest opstelt is het Yannick wel! Maar hoe dan ook, laatstgenoemde schuwt anekdotes geenszins, in het bijzonder niet, wanneer ze functioneren om het begrip te bevorderen van wat hij muzikaal van zijn kompanen wil, dan wel bijdragen tot de ontspanningsmomenten binnen het – intense – repetitieproces.

De bijlslagen van Giulini
Zoveel is ook duidelijk en dat is dat hij echt een man van deze tijd is. We zien hem buiten lopen en fietsen met een smartphone of hem in korte broek een promenadeconcert in Montreal dirigeren. Daarover gesproken is het opvallend te zien hoezeer Yannick zich bewust is van de sociale functie van de klassieke muziek. Iets wat hij niet alleen demonstreerde met openluchtconcerten in zijn geboorteplaats, maar ook door met zijn ‘tableau de la troupe' de wijken in te trekken en scholen te bezoeken. Een van de indrukwekkendste momenten in de film is dat waarop een van zijn idolen aan de orde komt en die hij bovendien als aanstormend talent ook nog heeft kunnen ontmoeten: Carlo Maria Giulini. Van Schermbeek heeft een zwart/wit filmfragment van de Italiaanse maestro ingevoegd van het begin van het Dies Irae uit het Requiem van Verdi, waarin de ogen van Giulini bijna letterlijk vuur lijken te spuwen en de meppen op de grote trom (Yannick spreekt terecht van bijlslagen) je door merg en been gaan. Ook en niet in de laatste plaats is hij danig onder de indruk van het vermogen van Giulini door bij machte van slechts één oogbeweging de klank van het orkest geheel en al te veranderen.

Het geheim van succes
Een van de andere hoogtepunten van de film is het moment waarop de protagonist met zoveel woorden zegt dat succes uiteindelijk niet wordt bepaald door de managers, maar of het gesternte gunstig is en de dingen op het juiste moment hun beslag vinden. Kortom, een pleidooi tegen het dogma van de zogenaamde maakbaarheid. Of een uitvoering wel of niet slaagt is het resultaat van de genade van het moment (of het ontbreken daarvan, dit uiteraard los van alle onontbeerlijke voorbereidingen). Dit doet mij denken aan de constatering van een andere wijze dirigent, namelijk dat men alles kan repeteren met uitzondering van inspiratie. Dat is heel andere taal dan die de huidige directeur van het RPHo Georg Wiegel – in een overigens voortreffelijk interview met collega Aart van der Wal – spreekt, die het over alles heeft, behalve… de muziek. Bij Yannick gaat het juist daarover of zoals zijn ouders het zeggen: “Hij wil mensen blij maken met de muziek.” En, zo zou ik er aan willen toevoegen, hen door middel daarvan raken en ontroeren. Dat hij daar voorbeeldig in slaagt zien we tijdens het moment waarop de orkestleden hem bedanken na die aangrijpende vertolking van Mahlers Tiende en een van hen de dirigent snikkend in de armen valt. Uiteindelijk gaat het daarom, al het andere is voor het merendeel tuinkaboutergezwets, wat nog eens onbarmhartig het verschil tussen het management-georakel van vandaag en een gezonde zakelijke leiding (zoals destijds met Dolf van Dantzig bij het Concertgebouworkest tijdens het artistiek leiderschap van Marius Flothuis) onderstreept. Een meesterlijke film die een schitterend licht achter de schermen werpt en ook nog eens duidelijk maakt dat goede muziek en dito culinaire specialiteiten uitstekend samengaan, ook al moet men van dat laatste met mate genieten. Zijn vaste mannelijke partner – “ik heb het feit dat ik ontdekte dat ik op mannen val als volstrekt normaal leren accepteren maar besef ook dat er vele plekken op deze wereld zijn waar dit niet als zodanig wordt ervaren dan wel geaccepteerd”- zorgt er altijd voor dat er tijdens een tournee niet avond na avond verplichte sociale ‘events' met de onvermijdelijke diners zijn, maar voldoende rust blijft gewaarborgd om energie te sparen. Maar het menselijke contact is hem oneindig veel waard, net zoals bloemen. “Dat je in Rotterdam bloemen krijgt na een concert, heel bijzonder. Dat wordt steeds zeldzamer in deze wereld, speciaal voor de mannen. En ik ben gek op bloemen.”

Tempo
En over die energie gesproken, die straalt in alle gradaties af van de fameuze vertolking van Sjostakovitsj Vierde symfonie die op 10 en 11 december 2016 werd gefilmd en op de andere dvd valt te zien en te beluisteren. En die dus uit dezelfde periode stamt als die welke door DG in bovengenoemde box werd uitgebracht. Energie ja, maar nooit ten koste van – daar heb je het weer – het trachten te bereiken van die juiste balans tussen de extremen waarin het in dit uiterst en meest weerbarstige werk van de Russische meester gaat. Al evenmin is er de opzwepende – en op zich fascinerende; daarover geen misverstand – gewelddadigheid van een Gergiev. Alles klinkt veel uitgebalanceerder, zij het absoluut niet gepolijst. En laat staan: gelikt. Nee, de rauwe accenten – waarop tijdens de repetities door Yannick grondig wordt ingegaan – ontbreken allerminst. Climaxen zijn perfect gedoseerd, net zoals in die tweede lezing van de Achtste Bruckner. Zoveel is duidelijk, deze dirigent is iemand die het gehele traject overziet, maar voor wie tegelijkertijd ook ‘elke noot telt' (waarbij hij graag een van de door hem bewonderde tennisspelers aanhaalt die zei: “You must go for every shot”). Het gevolg is een benijdenswaardige transparantie en bewijst dat zijn uitspraak “Helderheid is wel een beetje mijn obsessie” bepaald niet uit loze woorden bestaat, iets waarbij opnieuw die Franse muziek hem geen windeieren zal hebben gelegd. En hoe zit het dan met het tempo? Want tempi verschillen onder dirigenten in dit stuk in hoge mate. Opnieuw gaat hier de vergelijking met Bruckner op. Yannick is daar heel duidelijk over door op te merken dat hij zich in beginsel nooit vastlegt op een tempo en dat dit als allerlaatste aan de beurt komt. “Als alles wat er gebeurt goed is en het concept ook, dan klopt ook het tempo. Vele musici stellen het tempo voorop, maar dat is naar mijn gevoel onjuist.” Dit is natuurlijk vloeken in de kerk binnen het domein van bepaalde haviken uit het domein van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk (men denke in dit verband aan Sir Roger Norrington), maar toch een waarheid als een koe. Zo is men dikwijls vergeten dat metronoomcijfers louter aanwijzingen zijn, richtingbepalers hooguit, maar nooit strikt rigide kunnen worden opgevat. Neem alleen al de grootte van de zalen, die zonder meer van invloed is op de tempo-verhoudingen, evenals de omvang van het publiek.

Betekent dit nu dat Nézet-Séguin altijd tevreden is, dat er niets te wensen overblijft? Allerminst. Of om het in zijn eigen woorden te zeggen: “Je moet, ook al besef je dat het altijd beter kan, ook tevreden kunnen zijn. Deze twee dingen, tevredenheid en ontevredenheid, moeten naast elkaar kunnen bestaan.” Of, om met Goethe af te sluiten: “Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen.“ Een superset die geen enkele muziekliefhebber zich mag laten ondergaan!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links