CD & DVD-recensie

Van auditieve indigestie tot intens luistergenot:

drie concertregistraties uit 2010

 

© Niek Nelissen, december 2011

 

 
   
 
 

 

 

 

Valery Gergiev at the Abu Dhabi Festival 2010

Rossini: Ouverture Guglielmo Tell
Prokofjev: Symfonie nr. 1 in D, op. 25 (Klassieke)
Tsjaikovski: Symfonie nr. 5 in e, op. 64

World Orchestra for Peace o.l.v. Valery Gergiev

Unitel Classica 707008 (dvd)

 


Summer Night Concert Schönbrun 2010
‘Moon, Planets, Stars’

(muziek van Josef Strauss, Johann Strauss II, Liszt, Lanner, Nicolai Holst en Williams)

Yefim Bronfman (piano),
Wiener Philharmoniker o.l.v. Franz Welser-Möst.

DG 476 3793 (cd) (ook op dvd verkrijgbaar)

 

Salzburg Festival Opening Concert 2010

Beethoven: Pianoconcert nr. 4 in G, op. 58
Boulez: Notations
Bruckner: Te Deum

Dorothea Röschmann (sopraan), Elina Garanca (alt),
Klaus Florian Vogt (tenor), René Pape (bas),
Wiener Staatsoperchor,
Wiener Philharmoniker o.l.v. Daniel Barenboim.

Unitel Classica 706808 (dvd)

 


Programmeurs van symfonieorkesten lijken in toenemende mate gegijzeld door de gemakzucht en de vluchtige belangstelling van de minder gedreven concertganger. Blijft deze weg bij ‘moeilijke’ muziek of bij onbekende namen, dan houdt men het veiligheidshalve op Beethoven, Brahms, Tsjaikovski en niet te vergeten Mahler en Sjostakowitsj. Om het publiek maar te behagen wordt een concert steeds vaker verkocht als een ‘beleving’, vergelijkbaar dus met de manier waarop handige marketingdeskundigen een bijzonder kopje koffie in de markt zetten. En net als bij de koffie, die de speciale sfeer deels moet hebben van de associatie met een bekende Amerikaanse acteur of de vorm dan wel de kleur van het kopje, gaat het bij die ‘beleving’ slechts ten dele om de inhoud, de muziek in dit geval. Een gunstige uitzondering op de vaak te eenzijdig trend- en marktgerichte orkestdirecties is de leiding van het Koninklijk Concertgebouworkest, die de nek uitsteekt door jonge, onbekende dirigeertalenten in te zetten, compositieopdrachten te geven en avontuurlijke programma’s aan te bieden. Dat het maken van gedurfde keuzes en het kiezen voor inhoud en kwaliteit de moeite waard zijn, bewijst het succes van triple A-serie. In oktober 2011 dirigeerde chefdirigent Mariss Jansons het KCO in een programma met muziek van Goebaidoelina, Stravinsky en Varèse voor een uitverkocht Concertgebouw.

Helaas is deze ruime en verlichte blik op de artistieke koers bij de meeste orkesten ver te zoeken. Neem het fantasieloze programma dat Valery Gegiev gaf met het World Orchestra for Peace op 4 januari 2010 in het Emiratenpaleis in Abu Dhabi. Het concert werd geopend met Rossini’s Ouverture Guglielmo Tell, gevolgd door Prokofjevs Klassieke symfonie. Na de pauze werd Tsjaikovski’s Vijfde symfonie ten gehore gebracht, waarop de Tritsch-Tratsch-Polka van Johann Strauss klonk als toegift. Ook een niet bijster origineel programma als dit kan boeiend zijn door Gergievs spraakmakende ‘magie’ op het podium. Talloze concertbezoekers in de Doelen ervoeren in het verleden dat deze dirigent met zijn bijzondere uitstraling het Rotterdams Philharmonisch Orkest, ook tijdens een slecht of zelfs niet voorbereid concert, op een hoger niveau wist te tillen. Herkenbaar in Abu Dhabi zijn Gergiev snelle, fladderende bewegingen met de vingers waarmee wonderschone momenten zijn ingezet, maar hier blijft de magie helaas uit. Vooral in de virtuoze delen van Prokofjevs opus laat de homogeniteit van het orkest bovendien te wensen over. Fraaie momenten daargelaten, zoals de gave hoornsolo in het langzame deel van Tsjaikovski’s Vijfde, zijn dit doorsnee-uitvoeringen, waarvoor je niet naar de concertzaal van Abu Dhabi hoeft. Kennelijk geldt dit ook voor de liefhebbers in de buurt, getuige de lege plekken in de zaal. In de toegift krijgen dirigent en orkest toch nog de geest, maar dan ervaar je pas goed wat je tijdens het concert hebt gemist.

Het concert in Abu Dhabi getuigt van weinig programmatisch vernuft, maar ernstiger dan saaie of slechte programma’s zijn smakeloze en dat laatste geldt voor het openluchtconcert dat de Wiener Philharmoniker gaf in de tuin van paleis Schönbrun onder Franz Welser-Möst. Onder de noemer ‘Moon, Planets, Stars’ werd een bonte combinatie van stukken bijeen geveegd: fragmenten uit John Williams’ filmmuziek bij Star Wars, een deeltje uit Holsts The Planets en Weense titels van Lanner, Nicolai en telgen uit de Strauss-dynastie waar toevallig het woord ‘ster’ of ‘maan’ in voorkomt. Wat Liszts Tweede pianoconcert in dit rijtje doet, ontgaat me en dat geldt ook voor Wiener Blut, de wals die als toegift klinkt. Het thema lijkt vooral gekozen om de sfeer en de associaties die het zou kunnen oproepen bij een breed publiek, maar het krijgt hier geen enkele muzikale inhoud. Welser-Möst dirigeert dit ratjetoe aan composities als de kok die zonder blikken of blozen een diner uitserveert met een hamburger als voorgerecht, enkele bonbons als tussengerecht, een boeuf stroganoff als hoofdgerecht om te besluiten met meer bonbons en een bitterbal. De luisteraar wrijft zijn oren uit en houdt aan het concert een auditieve indigestie over. Onwillekeurig vraag je je af wie zo’n combinatie bedenkt. Het boekje geeft antwoord op die vraag: Seji Ozawa. De Japanse dirigent liep al langer rond met het plan om muziek uit Star Wars uit te voeren met de Wiener, bedacht vervolgens een groot deel van het programma, maar moest afzeggen. Welser-Möst nam het programma ongewijzigd over, wat niet pleit voor hetzij zijn smaak dan wel zijn artistieke integriteit. De sponsor van de Wiener Philharmoniker vond het kennelijk allemaal prachtig, getuige de trotse vermelding ‘Presented by Rolex’ op het cd-boekje. Of de beelden nog iets toevoegen weet ik niet, maar voor de verstokte verzamelaar: dit concert is ook verkrijgbaar op dvd.

Gelukkig speelt de Wiener Philharmoniker ook heel andere programma’s. Een maand na het Rolex-concert verzorgde het wereldberoemde orkest het openingsconcert van de Salzburger Festspiele. Met dit evenement werd niet alleen het negentigjarig bestaan van het festival gevierd maar tevens het feit dat het Grosses Festspielhaus een halve eeuw eerder werd geopend. Daniel Barenboim was solist en dirigent in Beethovens Vierde pianoconcert en leidde vervolgens uitvoeringen van de vijf georkestreerde delen van Boulez’ Notations en Bruckners Te Deum. Over het waarom van deze combinatie meldt het boekje bij de dvd helaas niets en ik kan er ook met de beste wil van de wereld geen samenhang in ontdekken. De keuze voor Bruckners Te Deum lag bij deze feestelijke viering voor de hand. Tijdens het eerste festival in het Grosses Festspielhaus in 1960 leidde Herbert von Karajan overigens ook een uitvoering van dit werk. Het concert van Beethoven zal gekozen zijn door Barenboim, die niet zo lang daarvoor met zijn Berlijnse orkest een cyclus had gegeven met de vijf pianoconcerten (ook op dvd verschenen). Het werk van Boulez vormt een misschien wat vreemde verbinding tussen Beethoven en Bruckner, maar maakt deze dvd op zichzelf al de moeite waard, mede door de sublieme uitvoering. Bij het zien van deze beelden is het bijna niet meer voor te stellen dat de Wiener Philharmoniker decennialang te boek stond als een bastion van oubolligheid. Begin jaren zestig resulteerden pogingen van het orkest om weer aansluiting te vinden bij de hedendaagse muziek, in een uitnodiging aan Aram Katsjatoerian, bepaald geen avant-gardist. Een doorbraak voor de Weners waren de concerten in de jaren negentig onder Claudio Abbado, die met de serie ‘Wien modern’ vernieuwende muziek in de programmering bracht. Barenboim plukt daarvan de vruchten in de zinderende uitvoering van Boulez’ Notations, waarin de musici spelen of hun leven ervan afhangt. De oorspronkelijke Notations ontstonden als pianowerken in 1945, toen Boulez pas twintig was. In 1978 orkestreerde de Franse componist vier van de Notations voor groot orkest, om die vervolgens - muziek is bij hem altijd ‘Work in Progress’ - zes jaar later al te herzien. Barenboim tekende voor de niet geheel bevredigende plaatpremière op Erato. In 1997 voegde Boulez een orkestratie toe aan het eerste viertal met Notation VII. In de Salzburger Festspiele van 2010 voerde Barenboim de vijf delen uit in een door Boulez voorgestelde volgorde (I, III, IV, VII, II), die een logische afwisseling biedt van snelle en langzame delen. Het korte en felle ‘Très vif - Strident’ vormt de vanzelfsprekende afsluiting. Deze twintig minuten Boulez zijn pas echt een ‘beleving’. Het beeld voegt hier iets wezenlijks toe, al was het maar door de blik op de batterij slagwerk, die door Boulez zo geraffineerd wordt ingezet dat je als luisteraar niet altijd weet wat je hoort. De vele slagwerkinstrumenten worden door Boulez niet ingezet om hoogtepunten te markeren, zoals vaak in de muziek, maar om de kleur die zich soms naadloos voegt bij die van andere instrumenten. In het recentst georkestreerde deel, ‘Hiératique’, zet Boulez zijn briljante kleurenpalet in om een wonderlijke sfeer en een fascinerend lijnenspel neer te zetten. Sinds ik de dvd voor het eerst bekeek, heb ik de track met ‘Hiératique’ al vele malen gedraaid en dat zal ik nog vaak doen. Of dat ook zal gelden voor deze versie van Beethovens Vierde pianoconcert vraag ik me af. Barenboim is in goede vorm en de Wiener Philharmoniker volgt hem op de voet, maar deze uitvoering voegt niet veel toe aan Barenboims videoregistratie met zijn Berlijnse orkest. De magistrale vertolking van Bruckners Te Deum is daarentegen een belangrijke aanwinst. Het zicht- en hoorbaar geïnspireerde Weense koor, de vier voortreffelijke solisten, het sublieme orkestspel en de grootse aanpak van de dirigent, alles werkt mee in deze imposante uitvoering, die nog lang naklinkt in het gehoor. Ook voor wie uiterst kritisch en selectief is bij het aanschaffen van concertregistraties is deze dvd een aanrader.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links