DVD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2012

 

 

 

 

 

Mahler: Symfonie nr. 1 in D - nr. 2 in c - nr. 3 in d - nr. 4 in G - nr. 5 in cis - nr. 6 in a - nr. 7 in e - Rückert-Lieder

Prokofjev: Pianoconcert nr. 3 in C, op. 26

Eteri Gvava (sopraan), Magdalena Kozená (mezzosopraan), Anna Larsson (alt), Orféon Donostiarra, Arnold Schönberg Chor, Tölzer Knabenchor, Yuja Wang (piano - Prokofjev), Lucerne Festival Orchestra o.l.v. Claudio Abbado

EuroArts 2058574 (4 Blu-ray discs)

* * *

Mahler: Symfonie nr. 9 in D

Lucerne Festival Orchestra o.l.v. Claudio Abbado

Accentus Music ACC20214 (1 dvd)

Bonus: dirigentencamera (alleen in Andante comodo)

Opname:Cultuur- en Congrescentrum, Luzern
Symfonie nr. 1: 11/15-8-2009
Symfonie nr. 2: 21-8-2003
Symfonie nr. 3: 19-8-2007
Symfonie nr. 4: 21/22-8-2009
Symfonie nr. 5: 18/19-8-2004
Symfonie nr. 6: 10-8-2006
Symfonie nr. 7: 17/18-8-2005
Symfonie nr. 9: 1/21-8-2010
Rückert-Lieder: 21/22-8/2009


Na de beëindiging van zijn contract als chefdirigent van de Berliner Philharmoniker (hij was in 1989 in die functie Herbert von Karajan opgevolgd) ging Claudio Abbado uiteraard niet achter de bloempotten zitten, maar nam een groot aantal deels nieuwe engagementen aan. Al vrij kort daarna, in 2002, was hij een van de stuwende krachten achter de oprichting van het Lucerne Festival Orchestra dat sindsdien vanuit zijn vaste stek, het Cultuur- en Congrescentrum in Luzern, de muziekwereld voortdurend versteld heeft laten staan: door het enorme technische raffinement dat het ensemble in huis heeft. Dan heb ik het tevens over de 'miniaturisering', ofwel het kameleontische vermogen om in een oogwenk te acteren als een echt kamerorkest, en dan ook nog een kamerorkest van topklasse. Hier zijn orkestleden aan het woord die werkelijk goed naar elkaar luisteren en een feeling hebben ontwikkeld die heel wat verder reikt dan alleen maar perfect samenspel. Misschien is het ook wel zo dat de kwaliteit van met name de eerste lessenaars daarvoor min of meer doorslaggevend is geweest. Ik denk in dit verband aan bijvoorbeeld de fluitist Emmanuel Pahud, de hoboïst Albrecht Mayer, de klarinettiste Sabine Meyer en de concertmeesters Gregory Ahss, Kolja Blacher en Seba Breuninger; maar ook aan een Stefan Arzberger van het Leipziger Streichquartett. Dit zijn stuk voor stuk musici die zich zowel thuis voelen in het symfonie- als in het kamerorkest of zich in het trio- en kwartetspel hebben bekwaamd. Nodeloos te zeggen dat alle musici van het Festivalorkest uit de Europese toporkesten worden gerekruteerd. De uitkomst is navenant: de spelkwaliteit staat op het niveau van een Berliner Philharmoniker, Wiener Philharmoniker of Koninklijk Concertgebouworkest. Dat moet voor iedere dirigent heel fijn werken zijn: hoofdzaken laten zich al snel van bijzaken scheiden en er komt gewoon een extra dimensie bij, terwijl het bovenal heerlijk is om met een orkest als dit werkelijk alles te kunnen doen zonder dat daarvoor een stortvloed aan woorden nodig is. De synergie die hieruit voortvloeit (het werkt immers in beide richtingen positief uit: van de dirigent naar het orkest maar ook van orkest naar dirigent) horen we zonder mankeren duidelijk terug in deze Mahler-uitvoeringen die - het moet worden benadrukt - tot stand zijn gekomen in de nadagen van Abbado's grootse dirigentencarrière, met een groot aantal Mahler-opnamen achter zich.

Het zijn bijzonder vruchtbare nadagen, en niet in de laatste plaats voor de muziek van Gustav Mahler. Het valt niet mee om, gemeten naar intensiteit, concentratie en indringendheid van zijn uitvoeringen, een echt gelijkwaardige pendant te vinden. Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen, maar een ervan is ongetwijfeld de ernstige ziekte waarmee de dirigent alweer jaren geleden werd geconfronteerd, maar die hij - zo laat het zich nu althans aanzien - uiteindelijk toch heeft weten te overwinnen. Die ziekte (Abbado leed aan kanker) heeft tot een dirigeerstijl (of zo u wilt opvatting) geleid die - en ik overdrijf niet - enerzijds verzengend en anderzijds diep beschouwend is, waarbij de balans tussen beide, laat staan de combinatie ervan, niet altijd even helder is. Echter, er ontstaat een dubbelzinnigheid die in de praktijk ongelooflijk spannend uitpakt: het schuurt voortdurend langs de afgrond, met een intensiteit die ik zelfs in de Mahler-vertolkingen onder Bernstein niet in deze mate terugvindt. Waarbij we intensiteit niet moeten verwarren met puur emotionele, subjectieve evocaties. Horen we bij Bernstein de golfbeweging, bij Abbado lijkt die permanent, maar fascinerend door de gradaties die hij daarin aanbrengt. Abbado's consistente, dramatisch ijzersterke puls die over een lang discours wordt volgehouden doet in deze muziek regelrecht wonderen. Waar Bernstein verslapt, houdt Abbado de veer voortdurend strak gespannen. Onrust, gisting, het kolkt en het bruist, maar wel met grote autoriteit en een ontzagwekkende greep op deze zowel duivels complexe als verraderlijk eenvoudige muziek.
Abbado's autoriteit en intensiteit is evenwel niet minder in Mahlers muzikale poëzie wanneer die tegen haar lichte en ijle grenzen aanloopt. Dat geldt zowel voor de 'Nachtmusiken' in de Zevende als voor het al even wonderschoon gespeelde 'Ruhevoll' in de Vierde symfonie, zoals er ook in de Tweede en Derde symfonie veel van dergelijke kostbare momenten zijn aan te wijzen. Abbado is onophoudelijk de buitengewoon alerte alchemist die binnen lange frases zomaar een accent doet oplichten dat zijn werkelijke betekenis pas achteraf binnen de context van het geheel openbaart. Abbado dirigeert met de blik vooruit en dat doet hij meesterlijk. Het is een vorm van wat ik proactief dirigeren noem: niet alleen weten hoe de kleinste kleurschakeringen hun optimale effect sorteren, maar dat ook te zien in samenhang met het daaraan te verbinden ritmische en dynamische plan. Hier is een dirigent aan het werk die eerst diep heeft nagedacht, misschien wel heel diep heeft ademgehaald en vervolgens volkomen gecontroleerd in het diepe is gesprongen.Het is Abbado die het collectief zo weet te leiden en aan te sporen dat een volmaakt afgewogen, bij vlagen zelfs individueel kleurenpalet daarvan het resultaat is. Dit is Abbado's grote kunst van het dirigeren. Maar je moet er wel het orkest voor hebben dat dit kan waarmaken. Dat verloopt hier zo voortreffelijk dat de zangkunst van de in maagdelijk wit gestoken Magdalena Kozená (voor wie het niet weet: zij is getrouwd met Simon Rattle) daar toch wat bleekjes tegen afsteekt. Zowel in de Rückert-Lieder als in het slotdeel van de Vierde symfonie schiet haar expressieve vocabulaire, afgezet tegen de pastelkleurige penseelstreken van het orkest, duidelijk te kort. We horen wel puur vocale schoonheid maar van subtiele schaduwwerking is geen sprake; ze doet geen moeite om bepaalde passages net even dat extra zetje te geven, als het ware op te lichten. Er zijn zeker grootse, zo niet etherische momenten, zoals het vierde Rückert-lied, 'Ich atmet einen linden Duft,' dat zij tot een volstrekt ongrijpbare, rijkelijk geurende schoonheid verheft. In het slotlied, 'Ich bin der Welt abhanden gekommen', is de orkestklank zo teer dat die onder zijn eigen soortelijk gewicht bijna lijkt te breken. Na het in het luchtledige opgeloste slot vraag je je onwillekeurig af waar deze weggestorven klanken uiteindelijk naar op weg zijn gegaan? Het publiek denkt mogelijk hetzelfde, blijft nog even muisstil, het wil de betovering zelf nog niet verbreken.

Mahlers muziek is de muziek van uitersten. Er is geen groter contrast denkbaar dan tussen dat verstilde slot van de Rückert-Lieder en de roerige ketelmuziek die in de finale van de Zevende overheerst. Dat is gespeelde, een en al gespierde branie die in een feestelijke roes eindigt, maar niet nadat eerst de ene enorme climax op de andere is gestapeld, afgewisseld door dansachtige episodes die door Abbado net dat beetje 'Wienerisch' worden gemarkeerd.
Abbado's Mahler-concept heeft veel weg van wat hij zelf eens over zijn orkest zei: "Iedereen is hier voor zijn plezier, om met passie en groot engagement muziek te maken. Dan voel ik mij omgeven door mijn beste vrienden. Iedereen is bereid om alles voor mij te doen met als enig doel om de muziek de dienen. Desnoods om door ruiten en deuren, of zelfs door het vuur te gaan."

Natuurlijk dient de vraag zich aan of Abbado's kijk op Mahler geen al te excessieve kenmerken heeft. Wie als dirigent expressief over de schreef gaat, meer uit de muziek wil halen dan er daadwerkelijk inzit, creëert een getormenteerde schijnwereld die niet tegen herhaald beluisteren bestand hoeft te zijn. Het antwoord kan kort zijn: van een overdreven aanpak is nooit en te nimmer sprake. Abbado's dirigeerstijl is die van het grote gebaar (wat Mahlers muziek eenvoudigweg nodig heeft), maar ook van de uiterst subtiele wendingen waardoor verrassende vergezichten worden geopend en met het minimale het maximale wordt bereikt.We horen het in de formidabele Derde (met een glorieuze Anna Larsson en twee uitmuntende koren: het Weense Arnold Schönberg Chor en het Tölzer Knabenchor) en de reeds genoemde indrukwekkende Tweede: Een ander sterk voorbeeld van die 'stijl' is het openingsdeel van de Zesde (Allegro energico, ma non troppo. Heftig aber markig), waarin Abbado, naar pure zeggingskracht gemeten, zelfs Karajan (DG) nog overtreft (met Haitink op Philips als de ietwat lichtere, maar wel subliem geformuleerde tegenhanger). Het dreigende, onheilspellende en sinistere in de mars wordt door Abbado niet aangedikt, maar vloeit op een puur natuurlijke manier voort uit zo effectief mogelijk voorbereide(!) en vervolgens geraffineerd uitgewerkte contrasten die de vele majeur-mineurvarianten, het Alma-thema of dat breed uitgesponnen ritardando (maat 120) bijna vleugels geeft. De kunst van het toewerken naar belangrijke overgangen is een kunst die Abbado niet heeft uitgevonden maar wel tot in het kleinste detail verstaat. Ik noem er in dit verband een aantal (referentie: Kahnt/Erwin Ratz-uitgave, 1963/1998/2000: vanaf het poco ritenuto (maat 73 e.v.) naar Schwungvoll ( 77 e.v.), van 242 (thema in de basklarinet) tot 250 (Tempo 1, subito, sehr energisch!). Dan vanaf 361 tot 373 (a tempo aber gemessener), met zowel de triolen van basklarinet, fagotten en drie van de zes hoorns als de eerste violen glashelder geponeerd. Dat zijn momenten die een mens bijblijven.

De Negende symfonie, tevens een superieur voorbeeld van Mahlers collagetechniek, werd, in tegenstelling tot alle daaraan voorafgaande symfonieën, niet opgenomen en uitgebracht door EuroArts maar door Accentus, blijkbaar de nieuwe multimediapartner van de festivalleiding. Voor Abbado's inmiddels vierde vastlegging van dit werk maakt dat uiteraard niets uit. Ook in de Negende leggen de musici van begin tot eind getuigenis af van hun instrumentale meesterschap. Hoe anders klinkt het hier dan in die legendarische eerste uitvoeringen van de Negende! Neem bijvoorbeeld de eerste op de plaat (toen nog 78-t.) vastgelegde uitvoering, in 1938 in de 'gouden' zaal van de Musikverein, met de Wiener Philharmoniker onder Bruno Walter (later door EMI, Dutton en Naxos op cd uitgebracht). Daar, in Wenen, vochten de musici in het Rondo-Burleske bij wijze van spreken op leven en dood met deze nog nooit eerder vertoonde, technisch uiterst weerbarstige materie, waren ze hoorbaar verwikkeld in een soort hellevaart, terwijl in Luzern het puur technische gemak er vanaf straalt. Het doet plotsklaps wezensvreemd aan, die glanzende perfectie. Maar wat wil je met al die musici van de bovenste plank, waaronder 'onze' Jacques Zoon (fluit I) en Jörgen van Rijen (trombone I)? Het belangrijkste is evenwel dat Abbado onverschrokken de reis maakt naar het einde van de nacht, de enorme klankerupties (zwaar koper, pauken!) en de gitzwarte pianissimovelden (violen!) in het openingsdeel voluit uitspelend.
Evenals in de overige zeven symfonieën zijn de hoofdtempi en de afgeleiden daarvan (zoals 'etwas frischer'; 'fliessend'; 'plötzlich sehr mäßig und zurückhaltend'; 'noch etwat zögernd allmählich übergehen zu Tempo I; Mit Wut, Allegro risoluto; enz.) perfect gekozen. Er ontstaat geen spoortje van twijfel, het is allemaal 'spot on'.
Het tweede deel ('Im Tempo eines gemächlichen Ländlers') heeft van de componist een aanvullende maar wel uiterst belangrijke aanwijzing meegekregen: 'Etwas täppisch und sehr derb', ofwel 'Een beetje onhandig (stuntelig) en zeer ruw (grof)'. Het zou met evenveel gemak ook als 'boertig' kunnen worden betiteld, er althans vanuitgaande dat we dat oude begrip nog wel mogen associëren met zoiets als 'grof'. Hoe het ook zij, dat lukt een toporkest niet (het is niet het soort 'onhandigheid' zoals in de fagotpartij in het Scherzo van Beethovens Pastorale of in Mozarts Dorpsmuzikantensextet). Dat onhandige, dat ruwe als kunstvorm, hoe moet dat in de praktijk? Abbado en zijn makkers laten die vraag onbeantwoord: ze kiezen duidelijk voor de volkomen elegantie die Mahler absoluut niet heeft bedoeld, al zou ik de term 'gelikt' hier zeker niet willen gebruiken.
Het Rondo-Burleske verloopt zoals het tegenwoordig vrijwel altijd verloopt: tumultueuze chaos die strikt in de hand wordt gehouden. De voorboden van het komende Adagio worden meesterlijk getroffen, tot het grandioze slotdeel zich op de G-snaar manifesteert en de reis naar het einde zich ontvouwt als een groots lied op de natuur en op het leven: geen beklemming maar bevrijding. Het is geen catharsis die zich ten slotte in het halfdonker afspeelt: de lichten in de zaal en op het podium zijn zoveel mogelijk gedoofd (in opdracht van Abbado?). Dan zijn er aan het slot die laatste paar tergende minuten (in de uitvoering van het Koninklijk Concertgebouw onder Bernstein bijna onhoudbaar), waarin het leven uiterst langzaam wegvloeit, waarna er niets meer is behoudens de oorverdovende stilte. Een stilte die zelfs niet wordt verbroken als Abbado, duidelijk aangedaan, de handen laat zakken. De ovatie werkt als een anticlimax.
Daarmee zijn we bijna aan het einde van de cyclus gekomen: er resteert nog de Achtste, die in augustus van dit jaar gepland staat (met naast het festivalorkest het koor van de Beierse en Zweedse omroep, het Tölzer Knabenchor, de sopranen Juliana Banse, Anna Prohaska, de alten Anna Larsson en Sara Mingardo, en de bas René Pape). En misschien maken we het in 2013 nog mee dat Mahlers Tiende op het programma prijkt, hetzij in een 'performing version' van Deryck Cooke, hetzij alleen het Adagio, en dan uiteraard gedirigeerd door Abbado.

Claudio Abbado dirigeert in Luzern Mahlers Negende symfonie (19-21 augustus 2010)

Prokofjevs populaire Derde pianoconcert (het is waar, de melodieën stromen vrijelijk en er is maar weinig weerbarstigs aan te ontdekken en de componist toont zich hier jegens zijn publiek zéér inschikkelijk) wordt door de Chinese Yuja Wang verdienstelijk gespeeld, als 'appetizer' voor de daaropvolgende Eerste symfonie, maar een hogere kwalificatie kan ik er toch niet aan geven: wie de uitvoering kent onder dezelfde dirigent maar met Martha Argerich aan het klavier, een DG-opname uit 1995, merkt al snel wat er wordt gemist in Wangs uitvoering, die het vooral moet hebben van haar - wel zeer indrukwekkende - virtuositeit.

Hoe kan, afsluitend, Abbado's Mahler het beste worden samengevat? Dat hij Mahlers muziek duidelijk toekomstgericht heeft benaderd en daarbij tevens afstand heeft genomen van die typisch verzadigde orkestklank die jarenlang bijna synoniem is geweest van het 'Mahler-orkest'. Pierre Boulez is altijd een voorvechter geweest van het 'slankheidsideaal', waarbij hij - evenals Abbado - het visionaire, vooruitblikkende in die muziek voortdurend heeft onderstreept. Beide dirigenten beschouwen de contrastwerking niet als de verbeelding van botsende rudimentaire emoties maar als deel van een complex aan melodische, harmonische, ritmische en dynamische gradaties. Maar bij Abbado is daar in de loop der tijd toch iets bijgekomen, ongetwijfeld sterk ingegeven door zijn ziekte die hem bijna fataal werd: de intensiteit van zijn musiceren die bij Mahler in uiterst vruchtbare bodem valt.

Als bonus werd aan de dvd-uitgave van de Negende symfonie nog een zogenaamde dirigentencamera toegevoegd: de kijker ziet het orkest als het ware vanuit de positie van de dirigent (alleen in het openingsdeel, Andante comodo). Veel meerwaarde heb ik hier niet in kunnen ontdekken. De beeldkwaliteit van de gehele serie is uitstekend, zij het nogal stereotiep (close-ups naast integrale beelden). Alleen de dvd van de Negende ontving ik niet in Blu-ray. Het verschil is niet dramatisch maar wel onmiskenbaar: Blu-ray biedt grotere definitie en scherpte, terwijl ook het klankbeeld er (vaak) beter vanaf komt. De enige kritiek op het audiogedeelte betreft de Tweede symfonie met nogal ondervoed koper (de tuba wordt eerder gezien dan gehoord) en wat zwakjes doorkomende pauken, terwijl het 'orkestje aus der Ferne' wel erg letterlijk ver weg klinkt. In de Negende ten slotte had een wat opulenter totaalklank het toch al fenomenale karakter van deze uitvoering nog meer toegevoegde waarde gegeven. De bijgeleverde documentatie voldoet zeker, al wordt men er niet plotsklaps een Mahler-kenner van. Maar dat zal u zeker ook niet hebben verwacht.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links