DVD-recensie

Afdalend uit de hemel: Beethovens Missa Solemnis

 

© Aart van der Wal, juli 2013

 

 

Beethoven: Missa Solemnis in D, op. 123

Marlis Petersen (sopraan), Elisabeth Kulman (alt), Werner Güra (tenor), Gerald Finley (bas), Liviu Prunaru (vioolsolo, Benedictus), Groot Omroepkoor, Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt

Opname: 19-25 april 2012, Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam

 

"Von Herzen - möge es wieder zu Herzen gehen!" schreef Beethoven bovenaan de eerste partituurpagina van zijn in 1823 voltooide tweede Mis in D, op. 123 (de door prins Nikolaus Esterházy bestelde, kleinschaliger opgezette eerste Mis in C, op. 86 dateert uit 1807).

De titelpagina van de Missa Solemnis in Beethovens handschrift

Achtergrond
In 1819 toonde Beethoven zich in zijn brief aan zijn leerling aartshertog Rudolph nog optimistisch over zijn plan: "Der Tag, wo ein Hochamt von Mir zu den Fejerlichkeiten für I.K.H. soll aufgeführt werden, wird für mich der schönste meines Lebens sejn, u. Gott wird mich erleuchten, dass meine schwachen Kräfte zur Verherrlichung dieses Fejerlichen Tages bejtragen."

Rudolph zou een jaar later, op 19 maart 1820, als aartsbisschop van het Moravische Olmütz worden geïnstalleerd, maar de compositie, een spontaan gelegenheidswerk, vorderde slechts langzaam. In ieder geval mag de voorzichtige conclusie wel worden getrokken dat Beethoven in 1819 nog niet kon bevroeden dat de Missa langzaam maar zeker zou uitgroeien tot een zowel naar concept als afmetingen reusachtig werk. Schindler bericht: "Gleich bei Beginn dieser neuen Arbeit schien sein [Beethovens] ganzes Wesen eine andere Gestalt angenommen zu habe, welche besonders seine älteren Freunde wahrnahmen, und ich muss gestehen, dass ich Beethoven niemals vor- und niemals nach jener Zeit mehr in einem solchen Zustande absoluter Erdenentrücktheit gesehen habe, als dies vorzüglich im Jahre 1819 mit ihm der Fall gewesen." In de Konversationshefte vinden we ontwerpschetsen voor de Missa tussen aantekeningen van huishoudelijke aard.

Eerst op 19 maart 1823, op de kop af drie jaar na de inhuldiging, zond Beethoven aan Rudolph een kopie van de gereed gekomen Missa. Enige maanden later bood de componist het werk aan niet minder dan tien Europese hoven aan voor de prijs van 50 dukaten. De eerste complete uitvoering vond plaats in Sint-Petersburg op 24 maart 1824. Twee maanden later werden in Wenen alleen het Kyrie, Credo en Agnus Dei uitgevoerd. Pas in 1845 zouden in Wenen alle delen ten gehore worden gebracht, bijna achttien jaar na het overlijden van de componist.

Uit brieven en gesprekken blijkt duidelijk dat Beethoven de Missa als zijn grootste werk beschouwde, en dat hij ter voorbereiding ervan veel energie heeft gestoken in de bestudering van het liturgische proces, oude kerktoonsoorten en gezangen.

Beethovens ontwerpschets voor de slotfuga van het Credo: "...et vitam venturi saeculi"

Hoewel hij de gebruikelijk liturgie in de Missa strikt volgt, lijkt het werk toch vooral die zo menselijke behoefte aan innerlijke vrede en rust uit te stralen, waarbij strekking en betekenis van Beethovens religiositeit niet zo gemakkelijk te duiden zijn. Een notitie werpt misschien enig licht op het in dit reusachtige werk opgetaste gedachtegoed: "ein kleiner Hof, eine kleine Kapelle, von mir in ihr der Gesang geschrieben, aufgeführt, zur Ehre des Allmächtigen, des Ewigen, Unendlichen."

De Missa straalt een diepe ernst uit, wat al blijkt aan het prille begin, met de aanwijzing 'mit Andacht'. Het lijkt op een uiteindelijk volbrachte, zeer persoonlijk getinte zoektocht naar innerlijke vrede en rust, waarin grote dynamische contrasten (Gloria en Credo) niet worden geschuwd, en zelfs het militaire oproer kracht bijzet aan de roep om vrede in het Dona nobis pacem in het afsluitende Agnus Dei. Het is duidelijk dat Beethoven in zijn visionaire gedachten niet of nauwelijks rekening hield met de mogelijkheden van de menselijke stem: zowel van de solisten als van het koor wordt de uiterste virtuositeit verwacht (de gigantische fuga in het Gloria wordt om die reden alom gevreesd). Zeker als Beethovens metronoom-aanduidingen serieus worden genomen is het vrijwel onmogelijk om 'heelhuids' de eindstreep te halen.

Harnoncourt
Het blijft een bijzondere ervaring Harnoncourt aan het werk te zien: het is een dirigeerstijl die je niet dagelijks tegenkomt, maar wel zeer effectief is. Niet alleen zijn gestiek spreekt boekdelen, maar ook zijn vaak priemende ogen dragen bij tot die bijzondere vorm van concentratie die ieder orkestlid onderkent. Ook tijdens (vaak lange) repetities weet Harnoncourt de aandacht gevangen te houden. Hij is het type dirigent dat de orkestklank snel kan doen veranderen, wat Haitink eens deed verzuchten dat hij 'zijn eigen orkestklank' soms niet meer herkende. Harnoncourt, fervent schrijver van boeken over muziek, bijna overlopend van de anekdotes en allerlei weetjes, altijd diep doordringend tot de materie en voortdurend op zoek naar de 'waarheid' achter de partituur. Archiefbezoek, bronnenonderzoek, het hoort allemaal bij de stijl van Nikolaus Harnoncourt. Een vasthouder ook, zoals ik jaren geleden mocht ervaren tijdens een repetitie van Haydns Symfonie nr.104, de Londense, met het Concertgebouworkest. Voor de buitenstaander moet het zijn overgekomen als eindeloos gepriegel in het Andante. De doedelzak werd breed uitgemeten, maar het resultaat was er dan ook naar. Het bleek een les om nooit meer te vergeten.

Het bij Harnoncourt is niet allemaal zilver wat er blinkt. Hij kan wel eens doorslaan, dan wordt het meer een kwestie van overmatig duwen en trekken, de adem verdwijnt uit de muziek en wordt de ene ultrastrakke spanningsboog na de andere gespannen, waardoor de zo broodnodige rust op het offerblok van de 'drive' in brokstukken uiteenspat. Dan lijkt het alleen nog maar te gaan om spanning en avontuur, met het paard zo kort voor de wagen gespannen. Met het klimmen der jaren werd Harnoncourt bedachtzamer, zo u wilt evenwichtiger en werd het uiteindelijk vaak een volmaakte combinatie van spanning en rust, van drive en contemplatie, fraai uitgebalanceerd en steeds weer met die orkestklank die een eeuwigheid mocht duren. Zelfs in Bruckners periodenbouw vond Harnoncourt uiteindelijk de rust die tot grootse vergezichten leidde, hoe aanvechtbaar soms zijn aanpak aan het begin van zijn toen hoogst individuele Bruckner-verkenning ook mocht zijn. Het is indrukwekkend dat zelfs deze 83-jarige nog zoveel energie weet te geven dat zijn optreden steeds weer als een interpretatie- en klankfeest uitpakt. Deze in Berlijn geboren en in Wenen wonende Johann Nicolaus Graf de la Fontaine und d'Harnoncourt-Unverzagt (zoals zijn volledige naam luidt) is een 'stijlfiguur' in de beste zin van het woord en bovenal een om rekening mee te houden. Waar hij als dirigent is geweest, heeft hij de nodige kennis achtergelaten.

Religieus testament
"Von Herzen - möge es wieder zu Herzen gehen!" schreef Beethoven boven de partituur. Het lijkt meer dan slechts een humanistisch gebaar: Beethovens wens om ons deelgenoot te maken van zijn geloof, zoals hij dit bijna massief, als uit graniet gehouwen, in het Credo laat doorklinken. Maar er is meer: 'mit Andacht', 'Bitte um außere und innere Frieden', aanduidingen die geen enkel misverstand laten bestaan over het discours dat Beethoven met deze mis is ingeslagen.

De overweldigende schoonheid van het werk kan mogelijk zonder religiositeit worden ondergaan, maar het was uiteindelijk toch zijn geloof dat Beethoven tot deze hoogste vorm van esthetica aanspoorde. Sterker nog, het ontstaan van de mis is anders ondenkbaar. Wie in de rol van musicus de achtergronden van het werk goed kent en gelooft in de Latijnse mistekst kan er wellicht een duidelijk voelbare dimensie aan toevoegen. Het lijkt er in ieder geval sterk op dat Harnoncourt met in zijn kielzog de vijf solisten (de concertmeester mag er wat mij betreft ook toe worden gerekend: de hemelse vioolsolo van Liviu Prunaru in het Benedictus reken ik tot de meest aangrijpende die ik ooit hoorde), het koor en het orkest daarin met glans zijn geslaagd. Op het podium is hoor- en zichtbaar zoveel betrokkenheid bij de tekst en de muziek dat menigeen een traan zal hebben weggepinkt. Er was toen zoveel momentum, zoveel uiterlijk dynamische maar ook zinderende, innerlijke energie en concentratie, dat het erop lijkt alsof iedereen toen van een goede fee vleugels had gekregen. De door ieder koor gevreesde, hondsmoeilijke passages (en dat zijn er in deze Missa heel wat, met name al die fugatische exuberanties in het Gloria en Credo) zijn in deze uitvoering van een ongekende vanzelfsprekendheid, contrastrijk en tegelijk rotsvast. De onmetelijke tederheid van het Incarnatus est doet het hart smelten, de inzet van het a cappella Et resurrexit doet het opvlammen. Zelfs in het Et vitam venturi saeculi, amen, weet het ensemble nog fiere spanningsbogen te trekken. Wat in deze uitvoering zo sterk treft is het expressieve en gedifferentieerde vocabulaire dat, naarmate het werk vordert, bijna historische proporties bgeint aan te nemen. Verheven en indringend klinkt het werk uit: Dona nobis pacem.

"Von Herzen - möge es wieder zu Herzen gehen!", het is bijna een lijfspreuk die alle uitvoerenden. aankleeft. Dat geldt trouwens niet minder voor de bijzondere prestaties van beeldregisseur, cameramensen en geluidstechnici. In twee woorden samengevat: een monument!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links