DVD-recensie

Een Space Odyssey in vier delen:

Der Ring des Nibelungen in Valencia

 

© Paul Korenhof, januari 2011

 

 
   
   

Wagner: Der Ring des Nibelungen

Juha Uusitalo (Wotan), Ilya Bannik (Donner), Germán Villar (Froh), John Daszak (Loge), Franz-Josef Kapellmann (Alberich), Gerhard Siegel (Mime), Matti Salminen (Fasolt, Hunding, Hagen), Stephen Milling (Fafner), Anna Larsson (Fricka), Sabina von Walther Freia), Christa Mayer (Erda-R, Schwertleite), Silvia Vázquez (Woglinde), Ann-Katrin Naidu (Wellgunde), Hannah Esther Minutillo (Flosshilde-R, Rossweisse), Marina Prudenskaya (Flosshilde-G), Peter Seiffert (Siegmund), Petra Maria Schnitzer (Sieglinde), Jennifer Wilson (Brünnhilde), Bernadette Flaitz (Gerhilde), Helen Huse Ralston (Otrlinde), Pilar Vázquez (Waltraute-W, 2. Norn), Eugenia Bethencourt (Helmwige, 3. Norn), Heike Grötzinger (Siegrune), Manuela Bress (Grimgerde), Lance Ryan (Siegfried), Catherine Wyn-Rogers (Erda-S, Waltraute-G), Marina Zyatkova (Waldvogel), Ralf Lukas (Gunther), Elisabete Matos(Gutrune), Daniela Denschlag (1. Norn), Cor de la Generalitat Valenciana, Orquestra de la Comunitat Valenciana
Dirigent: Zubin Mehta
Visuele vormgeving: La Fura dels Baus
Regie: Carlus Padrissa

C Major 703904 (4 Blu-ray)

Opname: juni 2009


Hoe de bouw van een theater de culturele positie van een stad kan veranderen, hebben we een kwart eeuw geleden in Amsterdam gezien. Na de Tweede Wereldoorlog was het operaleven in Nederland lange tijd niet echt spectaculair geweest, behalve dan als het Holland Festival een bijzondere productie organiseerde. Met de opening van Het Muziektheater in 1986 ontstond er echter een geheel andere situatie, zeker toen Pierre Audi enkele jaren later bij De Nederlandse Opera het artistieke roer overnam. Opeens werd Amsterdam een stad die in de internationale operawereld ging meespelen en zelfs een magneetfunctie kon gaan vervullen met als eerste grote hoogtepunt nog altijd de productie van Moses und Aron van Schönberg met het KCO, dirigent Pierre Boulez en regisseur Peter Stein in 1995.

Calatrava in Valencia
Terwijl momenteel in Enschede op bescheiden schaal een vergelijkbare ontwikkeling op gang lijkt te komen, is er ten minste één andere Europese stad die zich dankzij de bouw van een theater eveneens in hoog tempo op de culturele landkaart heeft weten te plaatsen: het Spaanse Valencia. Om te beginnen kan het daar in een totaal gemoderniseerde stedelijke infrastructuur neergezette en in 1996 geopende Palau de les Arts Reina Sofía in architecturale uitstraling eigenlijk alleen maar vergeleken worden met het befaamde operahuis in Sydney. Van de ontwerper Santiago Calatrava, die eveneens verantwoordelijk was voor het station in Luik en enkele bruggen in de Haarlemmermeer, kon men eigenlijk al bijna niet anders verwachten, en dan nog moet geconstateerd worden dat het resultaat visueel alle verwachtingen overtreft.
Ook de bespeling van het nieuwe theater was vanaf het eerste moment spectaculair. Hier geen kruideniersgedoe met wisselende orkestdiensten, maar een jong ensemble van hoge kwaliteit waarvoor dirigenten als Lorin Maazel en Zubin Mehta gewonnen konden worden. Voor de invulling van repertoire en stijl koos de intendant Helga Schmidt daarbij een weg die het spectaculaire theatrale gebeuren combineerde met de beste solisten die te vinden zijn. Dat het 'ijzeren repertoire' daarbij een centrale plaats zou gaan innemen, leek onvermijdelijk, al worden ook hier nieuwe werken en experimenten niet geschuwd. Hoe het allemaal verder gaat, moeten we natuurlijk afwachten, maar de stad Valencia lijkt zich goed bewust van het feit dat een culturele trekpleister van deze omvang wel degelijk positieve gevolgen kan hebben voor de internationale uitstraling en de toeristenindustrie.

Van Solti tot Mehta
Evenals in Amsterdam duurde het in Valencia slechts een tiental jaren eer de eerste complete uitvoering van Der Ring des Nibelungen in het nieuwe theater over de planken kon gaan, en evenals in Amsterdam werd het een spektakel van de eerste orde. Wat dat betreft is de wereld in de afgelopen vijftig jaar enigszins veranderd. Toen John Culshaw in 1958 met Georg Solti op de bok in Wenen voor Decca de eerste studio-opname van Das Rheingold maakte, was verre van zeker of de eerste opname van de complete Ring ooit voltooid zou worden, en toen het project in 1965 werd afgesloten, voorspelde menigeen dat het nog lang zou duren, eer er een nieuwe versie zou komen. Toegegeven, er waren wel al de nodige radiobanden van een complete Ring, maar de tijd van live-opnamen was nog lang niet aangebroken. Sterker nog: de complete opname van de tetralogie die Decca zelf in 1956 in het Bayreuth had opgenomen en die nu algemeen beschouwd wordt als een van de beste registraties die ooit van Wagners magnum opus gemaakt zijn, zou al met al een halve eeuw op de plank blijven liggen...

Inmiddels zijn we enkele decennia en veel Ringen verder. Op Solti volgden onder meer Karajan, Janowski, Haitink en Levine in de studio, maar de grote uitbreiding van de catalogus kwam door het nog steeds groeiende aantal live-opnamen, ten dele voor de cd gemaakte registraties, ten dele uitgaven van radiobanden. In totaal ligt het aantal officiële uitgaven dat ik in de kast heb staan, al ruim boven het dozijn en daar komen dan ook zeker nog twee dozijn uitgaven uit het grijze circuit bij. Compleetheid heb ik daarbij zelf overigens nooit nagestreefd. Waarom zou ik een opname in de kast laten staan waarvan ik weet dat ik die nooit meer zal draaien, hetzij omdat de uitvoering niet aan mijn verlangens voldoet, hetzij omdat de klank dermate belabberd is, dat al het luistergenot mij daardoor bij voorbaat wordt ontnomen. Een krakende, ruisende en zwevende aria van Maria Callas is nog uit te zitten, al is dat vaak al geen genoegen, maar als het gaat om veertien uur Wagner, moet dat technisch wel aan hoorbaar zijn, zeker waar het de orkestklank betreft.

Met de komst van de dvd werd een nieuwe fase ingeluid. Na een viertal voorzichtige uitgaven van de complete Ring op videoband en laserdisc, waarvan die onder Sawallisch uit München en onder Barenboim uit Bayreuth helaas nog steeds niet op dvd verkrijgbaar zijn, volgden snel achter elkaar zeven nieuwe verfilmingen, en bepaald niet alleen uit de grootste theaters. Dat de muzikale kwaliteit daarbij niet altijd even hoog lag, spreekt voor zich, en daarom is het des te verrassender dat de opname die in 2008- 2009 in Valencia gemaakt werd, meteen al een plaats inneemt die vergelijkbaar is met die van de Chéreau-productie uit Bayreuth.

Overigens moet daarbij meteen vermeld worden dat de Opera van Valencia niet alleen verantwoordelijk was voor het succes, al is Helga Schmidt zeker wel de grote motor achter het project. Zij vond echter een partner in Zubin Mehta, die sinds 1985 chefdirigent en artistiek leider is van de Maggio Musicale Fiorentino, en leidde tot een nauwe samenwerking met het festival van Florence, waar het grootste deel van de tetralogie als 'losse voorstellingen' in première ging. De 'Spaanse inbreng' kwam vooral tot uiting in het visuele aspect, omdat toneelbeelden en regie werden toevertrouwd aan het Spaanse theatercollectief La Fura dels Baus, dat onder meer tijdens diverse Salzburger Festspiele van zich had doen spreken.

Totaaltheater
Het werk van La Fura aan Wagners Ring kan alleen maar omschreven worden als een gigantisch, alle theatrale grenzen overschrijdend 'Gesamtkunstwerk', waarbij dat overschrijden van de 'theatrale grenzen' heel letetrlijk genomen dient te worden. Zo gaat elk van de vier opera's van de tetralogie in deze registratie vergezeld van een 27 minuten durende 'making of' waarin we niet alleen delen uit het wordingsproces te zien krijgen. Evenals deze productie zelf behelst ook de 'making of' veel meer, bijvoorbeeld flitsen van het spektakel dat zich tijdens de voorstellingen buiten het operatheater afspeelde en dat iets totaal anders bood dan alleen maar 'de opera op een groot doek'. Sterker nog: voor het 'buitengebeuren' (gelukkig is het in Valencia meestal wel aardig weer 's avonds) had La Fura een 'parallelspektakel' bedacht met gigantische machinerieën, dansers, acteurs en bewegingskunstenaars, die onder begeleiding van de binnen gespeelde muziek de hele opera buiten uitbeeldde. En niet op een soort podium! La Fura dels Baus pakt de zaken groots aan en had behalve het hele plein rond het theater ook het gebouw zelf tot schouwtoneel gemaakt. Wanneer de ronde, schuine en opngewerkte constructgies van Calatrava's theatrale droom maar benut konden worden, gebeurde dat ook en verscheen Wotan, Erda, Brünnhilde of Siegfried daar in een overweldigend belichtingseffect om de zang van zijn of haar 'toneelcollega' op adembenemende en soms ook waaghalzerige wijze te visualiseren. Je kunt zeggen wat je wilt, maar zo breng je opea wel 'onder het volk'!

Intussen ontrolde zich in de grote zaal een enscenering die waarlijk niet minder ingenieus, kleurrijk, inventief en adembenemend genoemd kan worden. Schuivende wanden waren daarin gecombineerd met decorstukken van levende mensen (een acrobatische dansgroep, op het gebied van projecties, belichting en digitaal opgebouwde effecten gebeurde tijdens dit zestien uur durende muziekdrama meer dan zich beschrijven laat en daartussendoor bewogen zich de solisten in een combinatie van realistisch spel en uitgekiende choreografieën, waarbij uitgebreid gebruik was gemaakt van elektronica (zelfs elektrische steps!), bewegende stellages en wat er verder maar te bedenken viel.

Mythische benadering
Hoe het ondertussen het publiek in de zaal verging, weet ik niet. Zelf had ik echter de ervaring dat mijn concentratie op het beeldscherm door al wat er te zien was, af en toe verslapte als gevolg van visuele vermoeidheid. Ik wil dat niet meteen als negatief punt in de regie aanmerken, hoewel iets meer rust op het toneel zeker geen overbodige luxe schijnt. Het probleem werd echter dat de camera ook een (bewegende!) rol speelt. Hij zuigt de toeschouwer af en toe in het toneelgebeuren of confronteert hem met details die door het oog van de lens sterk uitvergroot worden, terwijl zij voor een toeschouwer in de zaal gewoon een intrinsiek onderdeel van het totale toneelgebeuren vormen. Op dit punt had videoregisseur Tiziano Mancini zich van mij iets bescheidener mogen opstellen. Bovendien wekte zijn sterk op details inzoomende cameravoering bij mij regelmatig een verlangen om te zien wat zich elders op het toneel afspeelde, of gewoon om meer zicht op het totale toneelbeeld te krijgen.

Wat is het visuele resultaat? Aan de ene kant een verbluffende enscenering vol technische hoogstadjes, kaleidoskoopeffecten en wat dies meer zij, maar tegelijk ook beelden met een enorme zeggingskracht. Het Walhalla dat Wotan door de reuzen heeft laten bouwen, blijkt een gigantische menselijke structuur, waarbij de beeldtaal zich concentreert op het hoofd, en waarbij de bouwstenen menselijke lichamen zijn, hangend in een netwerk van takels en katrollen.
De duiding is even simpel als de vormgeving ingenieus: de goden bevinden zich in de menselijke geest, als mythische creaties van onze fantasie, of nog beter: onze behoefte aan een mythe die niet alleen ons bestaan een diepere zin verleent, maar dat bestaan ook plaatst in een behoefte naar eeuwigheid en eeuwige waarden.
In het streven zo nauw mogelijk aan te sluiten bij zo'n 'mythische' benadering (men leze de studie van de theologe Karen Armstrong, in het Nederlands uitgebracht onder de titel Mythen, ISBN 9789023427216) heeft La Fura dels Baus het verhaal zo simpel gehouden als maar mogelijk is. Reuzen zijn reuzen en goden zijn goden, dus reuzen zijn groot en goden zweven, in de lucht of langs de grond.

Menselijkheid
Dat alles maakt Das Rheingold tot een nu eens amusante, dan weer spannende maar altijd begrijpelijke 'vooravond' tot het werkelijke drama, maar het heeft soms ook iets van een 'hightech-poppenkast', waaraan het menselijke element ontbreekt. Loge op een elektrische step is leuk bedacht, maar als hij niet kan lopen en zijn handen aan het stuur moet houden, wordt hij wel heel erg beperkt in zijn acteren, en hetzelfde geldt voor de 'luchtgoden' als zij zich bevinden op hun 'luchtwagens', een soort rijdende kansels (met microfoon voorop!). En hoe ingenieus de reuzen ook bedacht zijn, aan de 'menselijkheid' die zij bezitten in de enscenering van Chéreau kunnen de combinaties van zangers met mechanische trucages niet tippen. Het duidelijkste wordt dat op de meest 'dramatische' momenten: de fatale confrontatie van Fasolt met Fafner en de dood van de eerste komen ondanks alle technische hoogstandjes in deze van snufjes en effecten overladen enscenering zelfs een beetje knullig over.
Deze trend zet zich vooral door in de 'godenscènes' van de volgende drie werken, met inbegrip van het slot van Die Walküre, als Wotan de meest menselijke van alle personages blijkt te zijn. Na de schitterend gerealiseerde - en in effecten niet overtrokken! - 'Feuerzauber' heb ik echter ook het slot van de Chéreau-enscenering maar weer eens gedraaid en dat bracht mij in een andere wereld: beeldtechnisch minder perfect, visueel veel minder spectaculair (hoewel het toneelbeeld daar nog altijd bijzonder indrukwekkend is), maar het emotionele niveau ligt wel enkele treden hoger, al moet ik daar meteen aan toevoegen dat de vocaal weliswaar imposante, maar de in zijn timbre wat vlakke en kleurloze Wotan van Juha Uusitalo daaraan ook een flinke bijdrage levert.

Meteen bij het begin van de eerste akte van Die Walküre wordt echter duidelijk dat La Fura hier een andere invalshoek kiest. Daar waar Das Rheingold volledig beantwoordt aan het nagestreefde mythische aspect, wordt de situering in tijd en plaats van de wereld van Siegmund en Sieglinde dermate geconcretiseerd, dat een fraai uitgevoerd zwaard in deze wereld van holbewoners zelfs overkomt als een anachronisme, meer in ieder geval dan de speer van de 19de-eeuwse Wotan van Chéreau. Dit Wälsungenpaar gedraagt zich als echte 'holenmensen' (zij besnuffelen elkaar zelfs...) maar dat maakte wel datr ik voor het eerste van mijn leven had ik hier bovendien het gevoel dat een toneelbeeld op gespannen voet staat met het taalgebruik van Wagner. Zijn prachtig 'hoogduitse' volzinnen en formuleringen klinken gewoon onnatuurlijk in de mond van dergelijke primitieve wezens. Het is alsof de holenmensen aan het begin van Kubrick's A Space Odyssey opeens in shakespeareaanse verzen uitbarsten!
Ook in deze immens populaire liefdesscène staat de spanning in de interactie echter niet altijd op het niveau dat ik zou wensen, ook zonder dat ik daarbij Jeannine Altmeyer en wijlen Peter Hofmann in mijn herinnering terugroep. Ik weet alleen niet of ik de reden daarvoor moet zoeken in de enscenering of in het in Valencia gevolgde systeem, dat een sterke nadruk legt op de aanwezigheid van 'sterren'. De première werd namelijk gezongen door Plácido Domingo en Eva-Maria Westbroek, maar voor de voorstelling die op film werd vastgelegd, werd een beroep gedaan op Peter Seiffert en zijn echtgenote Petra Maria Schnitzer. Voor die bezettingswisseling kunnen diverse redenen worden aangevoerd, een feit is dat wij niet weten welke combinatie het meest intensief met La Fura heeft kunnen samenwerken en in hoeverre het gebrek aan spanning dus is terug te voeren op ofwel de regie ofwel een mogelijk gebrek aan repetitietijd.

Luilekkerland voor vormgevers
Kijkend naar Die Walküre begon ik overigens steeds meer te beseffen dat met deze uitgave een technisch hoogstandje op de markt is gebracht. Tijdens Das Rheingold was ik wellicht nog te zeer overdonderd om meer van het visuele gedeelte in mij op te nemen dan (een deel van) de spectaculaire toneelbeelden, maar hier begon ik steeds meer te beseffen hoeveel moeite ook aan de registratie was besteed. Toeval of niet, maar er zijn bijvoorbeeld prachtige momenten van beeldtaal en zelfs beeldrijm, zoals de overgang tussen het bovenaanzicht van de strijkerssecties in het orkest en de wijdvertakt uitwaaierende boom in de eerste akte.
De luchtigheid van de eerste akte van Siegfried, met een komedianteske en blij vlagen zelfs zo dansante stijl dat de parallel met de film niet ver weg meer ligt, brengt ons weer in heel andere wereld. Vreemd genoeg lijkt dat het aspect waarbij La Fura dels Baus zich het minste thuis voelt. Het blijft daar allemaal te serieus en na alle 'high-tech' uit de voorgaande delen zorgt de 'smeedscène' hier niet voor het broodnodige contrast, laat staan dat de hier vertoonde 'high-tech' komisch werkt. Juist hier zou een 'echt primitief' moment in het toneelbeeld misschien meer in overeenstemming met Wagners exuberante en tegelijk ook ietwat knarrige humor zijn geweest.
De tweede akte van Siegfried is natuurlijk een luilekkerland voor ontwerpers met fantasie, maar ligt het aan mij dat ik af en toe meer associaties had met de Janácek van Het sluwe vosje dan met het Nibelungen-epos van Wagner? De derde akte betekende daarna een terugkeer naar de wereld van Das Rheingold en Walküre-III, maar ook hier had ik meer dan eens het gevoel dat de muziek meer uitdrukte dan door La Fura dels Baus getoond werd. Over Gotterdämmerung kan na het bovenstaande niet veel nieuws worden gezegd, of het zou moeten zijn dat het Spaanse regiecollectief hier werkelijk alles uit de kast haalde in een groots samengaan van decors (Roland Olbeter), kostuums (Chu Uroz) en regie (Carlus Pedrissa) en belichting, maar meer dan eens kreeg ik de indruk dat de videobeelden van Franc Aleu in dit geheel toch de winnaar waren. Dosering blijft echter aangeraden, want anders kunnen op een gegeven moment die altijd maar draaiende, bewegende en anderszins veranderende achtergronden vermoeiend worden, zeker in combinatie met een hele rits - soms echt overbodige - figuranten.

Muzikaal indrukwekkend
Een uitgebreide muzikale analyse van deze vier werken is in dit kader ondoenlijk. Laat ik volstaan met de constatering dat de orkestrale weergave door het jeugdige Spaanse orkest onder leiding van Zubin Mehta overkomt als een mirakel van klankschoonheid. Ook wat dat betreft is dit een Ring om te hebben, zeker bij de klanktechnische weergave van deze Bluray-Discs, die op één lijn staat met de in scherpte, diepte en kleuring volmaakte beelden. De aanpak van Mehta is daarbij bewonderenswaardig en doet mij mee dan eens aan die van Solti denken: weergaloos mooi van helderheid, klank en balans, maar niet altijd getuigend van diepte en inzicht in de psychologische details. Solti was een klanktovenaar met een enorm oor voor klank en klankverhoudingen en in Mehta heeft hij een waardig navolger gevonden. Wel dirigeert de laatste soms naar mijn smaak iets te 'horizontaal', met onvoldoende aandacht voor de scherpe ritmiek van de muziek, waardoor psychologische details verloren gaan. In zijn natuurschilderingen bereikt hij echter adembenemende momenten en zijn 'Rheinfahrt' klinkt ook echt als een 'Rheinfahrt'.

De hier bijeengebrachte bezetting staat voor een moderne theaterproductie op hoog niveau, maar kan zich niet op alle punten meten met die op plaat, cd of eerdere dvd-uitgaven. Aan de solide maar ook wat saaie Wotan van Uusitalo heb ik al gerefereerd en ook voor de Brünnhilde van Jennifer Wilson kan ik niet echt warm lopen. Aan de andere kant: bij de huidige schaarste aan dramatische sopranen mag het theater van Valencia zich de handen dichtknijpen dat zij zo'n zangeres gevonden hebben, want het is bepaald niet slecht wat zij doet en alle noten zijn er. Dat op zich is al het vermelden waard. Iets dergelijks geldt eveneens voor de Siegfried van de Amerikaan Lance Ryan, die vocaal alles voor deze veeleisende rol in huis heeft, maar van wie men zich kan afvragen of hij die nu al had moeten vastleggen.

Matti Salminen
Positieve uitschieters zijn er gelukkig in ruime mate en als eerste moet dan de werkelijk onverslijtbare Matti Salminen worden genoemd, een Wagner-zanger van de eerste orde, gepokt en gemazeld in het vak, die als Fasolt en Hunding al meewerkte aan de Ring van Chéreau en Boulez. Nu, dertig jaar later, is hij vocaal nog even indrukwekkend en herhaalt hij deze rollen op een gelijkwaardig niveau en met nog meer gevoel voor details. In Götterämmerung voegt hij daar nog een sinistere Hagen aan toe en ook in die rol bereikt hij het Bayreuther niveau van de 'goede oude tijd'. Een andere 'oudgediende' is Franz-Josef Kapellmann, die hier zijn Alberich uit de Brusselse enscenering van Herbert Wernicke herhaalt, vocaal misschien een fractie minder kernachtig dan twintig jaar geleden, maar interpretatief nog aanmerkelijk gegroeid. Weinig zangers hebben de psychische deformatie van deze Nibelung zo goed hoorbaar gemaakt zonder daarbij te vervallen in 'overacting'.

Gelukkig zijn zij niet de enigen op dit niveau. Peter Seiffert horen we hier als een glorieuze Siegmund naast de als altijd betrouwbare Sieglinde van Petra Maria Schnitzer, John Daszak zet een markante Loge neer en Mime lijkt Gerhard Siegel op het lijf geschreven. Genoten heb ik bovendien van Anna Larsson: eindelijk eens een jeugdige Fricka en in uitstraling ook de meest geloofwaardige die ik gezien heb sinds Hanna Schwarz de rol op haar Bayreuther repertoire nam.
Onder de overige solisten bevindt zich een behoorlijk contingent oprukkende 'beloften voor de toekomst', zoals de jonge, onstuimige Donner van Ilya Bannik. Dat niet iedereen even goed thuis is in het Duits, is begrijpelijk, maar storend is dat verder niet. Wel vroeg ik me soms af waarom de camera tegenwoordig zo op zangers moet inzoomen. Veel solisten zouden op eden iets grotere afstand aanmerkelijk overtuigender overkomen, en niet alleen omdat het absoluut geen positieve bijdrage levert als ons kijkplezier, als we voortdurend in een trillende keel moeten kijken.

Kortom: een muzikaal indrukwekkende Ring in een vormgeving en een enscenering die zonder meer spectaculair genoemd kunnen worden. Dat daarbij meteen gesproken wordt van 'de Ring van de 21ste eeuw' lijkt mij lichtelijk prematuur, maar ik kan het me wel voorstellen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links