DVD-recensie

Zin en onzin in Il trovatore

 

© Paul Korenhof, augustus 2018

 

Verdi: Il trovatore
Gregory Kunde (Manrico), Lianna Haroutounian (Leonora), Vitaliy Bilyy (Luna), Anita Rachvelishvili (Azucena), Alexander Tsymbalyuk (Ferrando), Francesca Chiejina (Ines), Samuel Sakker (Ruiz)
Royal Opera House
Dirigent: Richard Farnes
Regie: David Bösch
Toneelbeeld: Patrick Bannwart
Opus Arte OA BD7238 D (BD, ook op dvd)
Opname: Londen, 31 januari 2017

 

De onzin in Il trovatore, vooral geconstateerd door kenners die het libretto nooit gelezen hebben, valt in het niet bij de onzin in de regie van David Bösch, die zich niet beperkt tot Kalasjnikovs en de wreedheden van een burgeroorlog (alsof de opera daarover gaat). Om het verhaal op te leuken maakte Bösch Azucena bovendien tot lid van een groep rondtrekkende kermisklanken in woonwagens die afkomstig lijken uit Pipo de clown.

Voor de couleur locale zorgt verder een tank in iedere scène waarin we soldaten van graaf Luna tegenkomen, dus ook als hij in tweede bedrijf Leonora opwacht bij een klooster. Als Luna's mannen zich gaan 'verbergen', moet er een compleet camouflagegordijn vóór gehangen worden en je moet wel blind zijn om niet te zien dat daar iets groots aan het oog onttrokken wordt. Die tank, die we ook al gezien hadden in de openingsscène (hij moet tenslotte zijn geld opbrengen), keert terug aan het begin van het derde bedrijf, waar we fraai zingende soldaten (het Londense operakoor klinkt in deze opname schitterend!) met prachtige diminuendi naar mezzavoce en piano stoer automatische wapens zien schoonmaken.

In een volgend tafereel zien we Manrico samen met Leonora (steeds in dezelfde witte jurk), maar de kapel van het belegerde kasteel Castellor is vervangen door de woonwagen van Azucena met daarin kennelijk het orgel uit die kapel, want dat hóren we wel. En de toestormende troepen aan het slot van 'Di quella pira' zijn hier kermispersoneel, zigeuners en andere ondefinieerbare individuen. Als Manrico met deze soldaten de oorlog wil winnen, kan ik begrijpen dat Luna aan de winnende hand is.

Weer een tafereel later zingt Leonora haar aria bij het prikkeldraad van een gevangenenkamp dat kennelijk bevolkt wordt door 'Miserere' zingende monniken en intussen zien we soldaten ter verstrooiing een gevangene mishandelen en afmaken. Wat dat met die aria te maken heeft, ontging mij, maar misschien lette ik niet goed op omdat ik geconcentreerd was op de stralende sopraan en de meeslepende vertolking van Lianna Haroutounian. Eindelijk weer eens een Leonora die haar coloraturen de baas kan en haar noten zorgvuldig afrondt, die ontroert in haar aria's en straalt in haar cabaletta's, en die het als zangeres èn als persoonlijkheid met gemak tegen twee mannen kan opnemen!

Bij datzelfde prikkeldraad zien we in de laatste scène Azucena en Manrico in de sneeuw en nog vreemder wordt het als zij hun wandeling rustig buiten dat prikkeldraad voortzetten, terwijl het libretto benadrukt dat zij de gevangen van graaf Luna zijn. Even later verschijnt Leonora (nog altijd in haar witte jurk - midden in de nacht en ondanks de sneeuw!) die vertelt dat zij Manrico komt bevrijden, terwijl dat helemaal niet nodig lijkt. Hij wandelt daar vrij rond zonder dat er zelfs maar een bewaker in zijn buurt is.

Al die regievondsten spelen zich af tegen een zwarte achtergrond met als grootste verdienste dat de witte jurken en de witte bloemen in de scène van Leonora en Ines er zo leuk tegen afsteken. In interviews geven ontwerper Patrick Bannwart en regisseur David Bösch precies aan wat aan deze enscenering mis is. Ondanks een groot wit hart en de daarbij gekalkte namen van Leonora, Manrico en Luna op het graffitti-achtige voordoek blijken zij helemaal gefixeerd op het conflict tussen twee tegengestelde werelden, de wereld van soldaten en machthebbers en die van de vrijheidlievende zigeuners.

Kennelijk is Bösch en Bannwart ontgaan dat Il trovatore op de eerste plaats een opera is over de liefde van twee mannen voor één vrouw en over de liefde van een moeder voor een zoon die niet de hare is. Zowel die soldatenwereld als de vrijheidsliefde van de zigeuners zijn hooguit terug te voeren op twee koorscènes, beide aan het begin van een tafereel en vooral bedoeld om de sfeer te schilderen. Dat Manrico en Luna broers zijn die uit verschillende werelden komen, zorgt wel voor een versterking van het conflict, maar maakt er geen deel van uit. Het lijkt echter of de huidige regisseurs steeds meer gefixeerd raken op oorlogen, politieke conflicten en extreme tegenstellingen, en steeds minder geïnteresseerd zijn in het individu met zijn menselijke en emotionele conflicten. En bij deze productie vraag je je zelfs af of de regisseur het libretto wel gelezen heeft.

Zoals ik al schreef, is de Leonora van Haroutounian een goede reden om de regie op de koop toe te nemen (na één keer kijken beperk ik mij meestal beperk tot luisteren, zelfs bij een veel overtuigender enscenering). Niet minder geldt dat voor de Azucena van Anita Rachvelishvili, een warme altmezzo met het ideale stemtype. Haar zang dwingt al grote bewondering af en in een operawereld waarin echte sterren zeldzaam zijn geworden, maakt de persoonlijkheid van de Georgische zangeres haar tot een van weinigen die op die benaming aanspraak kunnen maken. Nog meer dan haar stem treft de intensiteit van haar vertolking, waarmee zij Verdi's emotionele moederrol zonder een schijn van chargeren aangrijpend neerzet.

Na onder meer Radames en een Otello presenteert Gregory Kunde zich hier met een solide Manrico, maar hij overtuigt mij niet helemaal. Grime en aankleding maken dat hij ouder lijkt dan Azucena, zijn zang is niet altijd toonvast, al lijkt dat vooral een gevolg van zijn manier van interpreteren, en ik mis hartstocht, italianità en de straling van een 'open' timbre. Ondanks enkele 'zwevende' tonen is wel duidelijk dat hij zijn rol benadert vanuit het bel canto, iets wat sommige critici indertijd minder beviel omdat zij rollen als Manrico en Radames kennelijk gezongen willen hebben door tenoren die we ook graag als Otello of Canio horen.

Vanuit historisch oogpunt is Kunde hier echter volledig op zijn plaats. Zoals iedere tenor in die periode was ook de eerste Manrico, Carlo Baucarde, opgegroeid met en opgevoed in het bel canto. Een echte stentorstem had hij waarschijnlijk niet, ook gezien getuige het feit dat naast de hertog in Rigoletto ook diverse Bellini-rollen en andere meer lyrisch getinte partijen op zijn repertoire stonden. Ook een halve eeuw later zong Caruso het laatromantische en veristische repertoire trouwens nog op een belcantobasis. Vragen om een 'dramatische tenor' voor een rol die in de afgelopen eeuw juist in stijlbewuste zangers als Jussi Björling en Carlo Bergonzi als ideale exponenten vond, blijft historisch en stilistisch onterecht.

De Russische bariton Vitaliy Bilyy, substituut voor de oorspronkelijk aangekondigde Dmitri Hvorostovsky, blijkt een sonore maar saaie Luna die ongeveer van het toneel gezongen wordt door zijn adjudant Ferrando. In die rol horen we hier de jonge Oekraïense bas Alexander Tsymbalyuk, een zanger met een prachtig helder maar 'zwart' timbre dat samengaat met een fraaie techniek en een grote expressiviteit, zowel vocaal als scenisch. Hopelijk haalt Sophie de Lint hem heel snel naar Amsterdam!

De muzikale touwtjes zijn goed in handen afkomstige Richard Farnes, een dirigent met gevoel voor theater, maar niet altijd met de Italiaanse attaque en de accentuering waar Verdi's muziek om vraagt. De blue-raydisc plaatst de muziek mooi ruimtelijk in de huiskamer en in het begeleidende boekje (zonder tracklijst) staat een lezenswaardig artikel van Flora Wilson dat het verdiende om wat aantrekkelijker en beter leesbaar te worden afgedrukt. Dan maar niet in drie talen als de extra bladzijden er niet af kunnen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links