DVD-recensie

Twee maal Falstaff - in twee gouden lijstjes!

 

© Paul Korenhof, september 2006

 

Verdi: Falstaff.

Giuseppe Taddei (Falstaff), Scipio Colombo (Ford), Luigi Alva (Fenton), Mario Carlin (Dr Caius), Renato Ercolani (Bardolfo), Franco Calabrese (Pistola), Rosanna Carteri (Mrs Alice Ford), Anna Moffo (Nannetta), Fedora Barbieri (Mrs Quickly), Anna Maria Canali (Mrs Meg Page), Radiotelevisione Italiana Milano. Dirigent: Tullio Serafin.
Regie: Herbert Graf.

VAI 4333 (opname RAI 1956)

* * *

Verdi: Falstaff.

Renato Bruson (Falstaff), Leo Nucci (Ford), Dalmacio Gonzalez (Fenton), John Dobson (Dr Caius), Francis Egerton (Bardolfo), William Wildermann (Pistola), Katia Ricciarelli (Mrs Alice Ford), Barbara Hendricks (Nannetta), Lucia Valentini-Terrani (Mrs Quickly), Brenda Boozer (Mrs Meg Page), The Royal Opera House, Covent Garden.
Dirigent: Carlo Maria Giulini.
Regie: Ronald Eyre.

Warner Music 50-51442-0494-2-8 (opname juli 1982)


Opeens was het weer Holland Festival 1963. Bij een schoolvriendje thuis had ik de eerste uitvoering van Verdi's Falstaff in het Haagse Gebouw voor K&W op de televisie meebeleefd (de NOS heeft geen banden bewaard... - en waar is bovendien de tijd dat je bij een schoolvriendje een hele avond naar een opera kon kijken?), maar de tweede avond was ik er zelf bij, op mijn favoriete plaats boven in de bocht van het schellinkje. Een voorstelling om nooit meer te vergeten en hoe ver dat kan gaan, realiseerde ik me tijdens het kijken naar een RAI-film uit 1956. Begin tweede akte, opkomst van Mrs Quickly, en bij haar eerste 'Reverenza!' op het beeldscherm kwam de hele voorstelling bij mij terug.

Natuurlijk, het was dezelfde Fedora Barbieri, maar ik had nooit verwacht dat alleen al die stemklank zo duidelijk een deur naar ruim veertig jaar geleden zou kunnen openen. Eerder had ik dat gedacht van Luigi Alva, wiens Fenton me eigenlijk meer was bijgebleven, maar als ik ga analyseren, moet ik toch constateren dat die onvergetelijke Peruaanse tenor (ooit in datzelfde K&W uitgegroeid tot mijn ideale Ferrando in Così fan tutte) in deze RAI-film uit 1956 toch nog niet helemaal de 'schmelz' tentoonspreidt, die hij in de jaren daarna zou ontwikkelen. Klinkt dat negatief? Het is het niet, want ook in deze film zet Alva een Fenton neer waarmee letterlijk niet één hedendaagse tenor zich kan meten. Zijn vertolking steekt echter niet boven die van de anderen uit. Geloof het of niet, maat dit vocale niveau was toen normaal. Dat deze band in deze geluidskwaliteit vrijwel compleet bewaard is gebleven (alleen een paar maten in het tweede tafereel ontbreken en de synchronisatie is niet bepaald perfect), is echter wel een wonder. En de uitvoering zelf, die we vijftig jaar geleden allemaal normaal hadden gevonden, is inmiddels een nog groter wonder geworden...

 
   

Grootheden van weleer

Bekijken we om te beginnen de bezetting met in de titelrol Giuseppe Taddei. Dertig jaar later zou hij die rol in een onnavolgbare karakterisering opnemen onder Karajan, maar alles wat toen aan vocale grandeur ontbrak, was hier nog in volle mate aanwezig. Als acteur kwam Taddei in de nabijheid van Gobbi, als zanger waren zij gelijkwaardig, maar Taddei had veruit de fraaiste bariton. Tegenover hem staat Rosanna Carteri met wie hij ooit voor Cetra een onvergetelijke Bohème opnam. Zij was een van de mooiste lyrische sopranen die Italië in de vorige eeuw heeft voortgebracht en moet als Alice Ford alleen haar meerdere erkennen in Ilva Ligabue. Hun Ford is een goede bekende van het Nederlandse operapubliek: de bariton Scipio Colombo, hier in de jaren vijftig regelmatig te gast als Don Giovanni, Jago en Renato, en precies de serieuze bariton die in stem en houding voldoende tegenwicht heeft om tegenover Taddei te kunnen staan. Over Barbieri heb ik het al gehad. Haar Mrs Quickly is nooit meer geëvenaard en hetzelfde kan gezegd worden van de vertolkingen van de twee 'kleine' tenoren, Mario Carlin als Caius en Renato Ercolani als Bardolfo - en ook zij waren in het Holland Festival 1963 van de partij. Om daarnaast de bas Franco Calabrese te hebben als Pistola is pure luxe, wat ook gezegd kan worden van Anna Maria Canali als Meg Page.  Blijft over: het kleine maar o zo belangrijke rolletje van Nannetta, hier gezongen door Anna Moffo, tijdens het Holland Festival 1963 door Mirella Freni. Wie neemt mij kwalijk dat ik niet kan kiezen?

Tullio Serafin

Of dat alles nog niet genoeg is, horen we hier ook nog een van de grootste Italiaanse dirigenten uit de vorige eeuw aan het werk, een man die de pech had dat hij zich moest ontwikkelen in de schaduw van Toscanini, maar die dat deed op onnavolgbare wijze. Sterker: hij ontplooide daarbij een talent dat de laatste miste, namelijk gevoel voor zangers. Tullio Serafin was minder een dirigent van het concertrepertoire dan zijn beroemdere landgenoot, voelde zich ook minder aangetrokken tot Wagner, maar was voor Verdi beslist diens evenknie en overtrof hem zelfs in de benadering van de Italiaanse opera vóór 1850, een periode die bij Toscanini nooit echt goed uit de verf is gekomen. Serafin was niet alleen de 'ontdekker' van Callas voor het bel canto, maar ook de man die voor EMI menige opname met die diva mocht leiden.

De grootste pech van Serafin was echter dat producer Walter Legge altijd de wensen van Karajan liet prevaleren, waardoor hij voor EMI geen Trovatore en Butterfly kon dirigeren en helemaal nooit aan een registratie van Falstaff toe kwam. Wat we daarmee gemist hebben, blijkt uit deze Falstaff, die uitbundige en details, accentuering en cantabile, muziek en drama combineert op een manier zoals alleen een echt Italiaanse dirigent dat kan realiseren. Goed, er ontbreken een paar maten, af en toe zweeft het geluid of het verandert even van karakter, de afzonderlijke taferelen staan soms te dicht op elkaar en zowel beeld als geluid verraden de leeftijd, maar dat mag allemaal niet deren. De klank is over het algemeen een helder, zij het licht metalig mono en het beeld is grofkorrelig maar goed van contrast en mooi helder. Natuurlijk verraadt de regie van Herbert Graf een aanpak die we nu niet meer gewend zijn en omdat het een televisiefilm betreft, is ook de synchronisatie niet optimaal, maar zelfs het historisch belang valt in het niet bij de muzikale kwaliteiten van deze uitvoering.

 
   

Gouden herinnering

Een tweede Falstaff voerde mij terug naar een onvergetelijke week in juli, toen ik tijdens een drukke week in Londen even twee dagen naar Glyndebourne ging voor een interview met Bernard Haitink had en Glucks Orfeo ed Euridice met Janet Baker (haar afscheidsvoorstelling onder Leppard). De dag daarna spoorde ik terug naar Londen voor deze Falstaff en kijkend naar de dvd zie ik mij zelfs in de zaal zitten. Ook dit een gedenkwaardige avond, zoals de hele week gedenkwaardig was. (De week daarna trouwens ook, want ik was precies vijf dagen thuis tussen Londen en Bayreuth en mijn dochter besloot om daarvan even gebruik te maken voor haar iets te vroege geboorte... - maar dat is een ander verhaal).

Taddei en Bruson

De vocale bezettingen houden elkaar in evenwicht. Taddei heeft een fractie meer stem en 'panache', maar Bruson springt heeft meer fluweel op zijn timbre, springt subtieler om met zowel de tekst als zijn stemkleuren (twee onscheidbare elementen eigenlijk) en in zijn mimiek laat hij Taddei ver achter zich. Ik moet er eerlijkheidshalve wel aan toevoegen dat hij in de microfoon een uitstekende helper heeft, want zo vol van stem als hij nu via de dvd klinkt, was zijn stem in de zaal toch net niet. Over de Fords van Colombo en de aanmerkelijk lichter getimbreerde Nucci kan vrijwel hetzelfde worden gezegd, maar hier blijkt toch ook de hand van de regisseur belangrijk, want het is niet op de laatste plaats de enscenering van Ronald Eyre, waardoor Leo Nucci het uiteindelijk wint van Scipio Colombo.

De regie zorgt trouwens niet alleen voor een enorm verschil tussen beide registraties, het is ook merkwaardig beide vanuit een modern standpunt te beschouwen. De RAI-opname biedt niet alleen de meest traditionele regie die we ons kunnen voorstellen, maar ook een speelstijl die naar huidige maatstaven ver 'over de top' is, en we kunnen ons moeilijk voorstellen dat Herbert Graf toen veel meer gedaan heeft dan zijn Italiaanse solisten af te remmen om via het zwart-witte beeldscherm vooral niet al te overdreven over te komen.

De bril van de tijd

De voorstelling van 1982 is in vergelijking daarmee een wonder van sfeer, subtiliteit en ingetogenheid, maar ik herinner me nog heel goed dat de recensies indertijd niet overliepen van geestdrift. De algemene teneur was: Giulini zorgt voor een muzikaal wonder, maar wat jammer dat Richard Eyre dat combineerde met zo'n ouderwets-oubollige regie! Inderdaad ziet het toneelbeeld eruit alsof we kijken naar  The Merry Wives of Windsor in een traditionele uitvoering uit Stratford-on-Avon en kennelijk was dat ook in 1982 al verdacht. Niet modern en eigentijds genoeg! Een kwart eeuw later, nu we naast juweeltjes van ensceneringkunst ook de grootste idioterie over het operatoneel aan ons voorbij hebben zien trekken - en nog steeds zien trekken - komt deze 'traditionele' regie van Eyre over als een wonderbalsem. We zien gewoon de opera die Verdi geschreven heeft, zonder excessen die hooguit even leuk zijn en daarna beginnen te vervelen en uitgevoerd met de grootste mogelijke aandacht voor ieder detail in tekst, articulatie en fysieke expressie. Hier zien we geen zangers die zonder eigen inbreng een regieconcept moeten uitdragen, maar hier worden rollen tot in de kleinste details van tekst en muziek 'uitgeacteerd'. Natuurlijk kan dat ook in een 'moderne' regie, alleen blijken de meeste 'moderne regisseurs' daarin niet geïnteresseerd te zijn.

Kiezen...

Waar het de overige rollen betreft, krijgt Serafin van mij een puntje meer voor Mrs Quickly, Nannetta, Fenton, Bardolfo, Pistola en Cajus, terwijl Giulini daarentegen in Ricciarelli een gouden Alice heeft (hoewel ook zij mij Ilva Ligabue niet kan doen vergeten). Het blijft een weegschaal die nu eens naar deze dan weer naar gene kant doorslaat. Laat ik mijn eindoordeel daarom zo formuleren: wie het vooral om Falstaff of om de (orkest)klank gaat, kieze voor Giulini, maar wie een zwak heeft voor de gouden tijden van de Italiaanse opera, kan zeker niet om Serafin heen.

Tot slot

Met een Otello onder Carlos Kleiber die ik ooit in hetzelfde theater meemaakte, behoort de Falstaff van Giulini uit Covent Garden tot de grootste muzikale ervaringen uit mijn leven en de hernieuwde kennismaking heeft mij daarin alleen maar gesterkt. Herinneringen bedriegen niet - of in ieder geval niet altijd. Maar het grootste wonder blijft toch de partituur. Is er één opera die hiermee vergeleken kan worden? Voor mij niet. Ik geef alle opera's van Richard Strauss, de helft van Wagner en driekwart van Mozart voor één tafereel uit Falstaff!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links