DVD-recensie

Regie op eenzame hoogte

 

© Paul Korenhof, december 2014

 

R. Strauss: Der Rosenkavalier

Krassimira Stoyanova (Die Feldmarschallin Fürstin Werdenberg), Sophie Koch (Octavian), Mojca Erdmann (Sophie), Silvana Dussmann (Jungfer Marianne Leitmetzerin), Wiebke Lehmkuhl (Annina), Günther Groissböck (Der Baron Ochs auf Lerchenau), Adrian Eröd (Herr von Faninal), Rudolf Schasching (Valzacchi), Stefan Pop (Ein Sänger),
Tobias Kehrer (Ein Polizeikommissar), Martin Piskorski* (Der Haushofmeister bei Faninal), Franz Supper (Der Haushofmeister bei der Feldmarschallin), Dirk Aleschus (Ein Notar), Roman Sadnik (Ein Wirt), Andreja Zidaric*, Phoebe Haines*, Idunnu Münch* (Drei adelige Waisen), Alexandra Flood* (Eine Modistin), Franz Gürtelschmied* (Ein Tierhändler), Rupert Grössinger (Leopold), *Mitglied des Young Singers Project, Mitglieder der Angelika-Prokopp-Sommerakademie der Wiener Philharmoniker, Konzertvereinigung Wiener Staatsopernchor, Salzburger Festspiele und Theater Kinderchor, Wiener Philharmoniker
Dirigent: Franz Welser-Möst
Regie: Harry Kupfer
Toneelbeeld: Hans Schavernoch
Kostuums: Yan Tax
Licht: Jürgen Hoffmann

C Major 719409 (Blu-ray)

Opname: Salzburg, 8-14 augustus 2014

 

Voor het Strauss-jaar 2014 verzorgden de Salzburger Festspiele vanzelfsprekend een nieuwe productie van Der Rosenkavalier , Richard Strauss' festivalopera bij uitstek die in de Mozart-stad al menige gedenkwaardige voorstelling had beleefd. De muzikale leiding werd toevertrouwd aan Zubin Mehta die zich in een later stadium moest worden vervangen door Franz Welser-Möst, niemand minder dan de nu 79 jaar oude Harry Kupfer droeg zorg voor de regie, terwijl twee lievelingen van het Weense en Salzburger publiek werden aangetrokken voor de rollen van de Marschallin en Octavian. Hoe zoiets uitpakt, moet je natuurlijk altijd maar afwachten, maar ten aanzien van de enscenering kon de festivalbezoeker gerustgesteld zijn: Kupfer zou trouw blijven aan tekst en muziek, terwijl zijn ontwerpers Hans Schavernoch en Yan Tax zich niet zouden te buiten gaan aan de esthetische extravaganties die tijdens het Glyndebourne Festival Hofmannsthal's 'Komödie für Musik' van iedere sfeer beroofd hadden.
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: de regie van Kupfer is niet alleen een schot in de roos, het is ook een uitmuntend voorbeeld hoe een enscenering 'modern' kan zijn zonder dat het werk geweld wordt aangedaan. In een tijd waarin regisseurs van gekkigheid niet weten wat zij moeten verzinnen om met 'actuele' en vooral 'andere' ensceneringen hun volgende lucratieve contract binnen te halen bij operadirecteuren die er vooral op uit lijken om 'nieuw publiek' te trekken, is het bovendien een verademing om een regisseur aan het werk te zien die in alles uitgaat van tekst en muziek.
Hier is ook geen sprake van zangers die moeten bewegen op een manier die het zingen bemoeilijkt (Kupfer weet exact wat een zanger wel en niet kan doen) en al helemaal niet van een solistenkeuze die vanuit het regieconcept bepaald is. De regie van Kupfer is tot in de kleinste details 'muzikaal', iedere beweging ondersteunt de muzikale lijn en zowel de solisten als de dirigent krijgen de mogelijkheid tot een optimale weergave van het notenbeeld. En bij Kupfer hoef je bovendien ook niet bang te zijn dat zijn regie akoestisch ongunstig werkt, iets wat maar al te vaak gebeurt bij het merendeel van de 'onmuzikale' regisseurs die momenteel de operatonelen onveilig maken. Kortom: in deze voorstelling draait de regie om de muziek en is de muziek geen sluitpost of zelfs 'quantité negligeable' geworden.

Typisch 'kupferiaans' is al de opening: als het doek opgaat, zien we een gefragmenteerde 'Weense' achtergrond die aangeeft dat we ons aan het begin van de 19de eeuw bevinden, iets wat later duidelijker in de tijd geplaatst door een fraaie ouderwetse grammofoon (dat strookt wel niet meer met de keizer over wie gesproken wordt, maar over zo'n detail maak ik mij niet druk). Octavian heeft bij het ontwaken kennelijk gemerkt dat hij alleen in bed lag, kleedt zich haastig aan en stormt het boudoir in, waar de Marschallin in gedachten verzonken naar haar spiegelbeeld staart. De toon die bijna vier uur later naar het onvermijdelijke slot zal voeren, is visueel gezet en vanaf dat moment is ieder gebaar, iedere beweging een uitvloeisel van psychische processen die volledig vanuit zowel het libretto als de muziek verklaard kunnen worden. Ik zou misschien kunnen aanvoeren dat tegenover de onstuimig jongensachtige Octavian van Sophie Koch de Marschallin van Krasimira Stoyanova misschien visueel net iets te oud is, maar dat is ook eigenlijk het enige wat hier niet 'klopt'. Aan de andere kant: hoeveel sopranen die wel nog het uiterlijk hebben van een 28-jarige Marschallin, zijn in staat alles uit hun rol te halen wat Hofmannsthal en Strauss erin hebben gelegd. Bovendien is Koch ook geen 17 meer en in het tweede bedrijf ontmoeten we een Sophie van Mojca Erdmann die ook duidelijk minstens twee keer zo oud is als het libretto wil.

Een ander minstens zo belangrijk punt is dat Kupfer heel goed het verschil weet tussen een komedie en een klucht. Het klinkt zo vanzelfsprekend, maar tot een regisseur als Robert Carsen is dat kennelijk niet doorgedrongen, zoals ik onlangs weer vaststelde bij de tv-uitzending van zijn Amsterdamse Falstaff , waarin Verdi's geniale partituur werd gedegradeerd tot filmmuziek bij platte en regelmatig sterk gechargeerde kluchteffecten. Hier zien we eindelijk eens een Ochs wiens onhandige gesjoemel met 'Mariandel' niet ontaarden in knijpen, tasten, en andere onderbroekenlol. In de tot in de perfectie in zijn rol doorgedrongen Günther Groissböck zien we wel een onvolwassen blaaskaak met weinig sociale antennes, maar tegelijk ook iemand die nog wel degelijk zijn oudadellijke afkomst uitstraalt. De 'jongensachtige' manier waarop Koch hier haar 'Mariandel' uitwerkt is trouwens kostelijk en ook weer ontdaan van iedere overdrijving.

Kupfer op zijn best is vervolgens het 'levée' van de Marschallin, waar ieder van de aanwezige personages, inclusief de lakeien, duidelijk het stempel draagt van een minutieus uitgewerkte karakterregie. De uitwerking met heel individuele verschillen van de 'drei adelige Waisen' met bovendien een ook hoorbare differentiatie tussen hun eerste en hun tweede 'strofe' behoort tot de talloze kleine juweeltjes in deze voorstelling, waarbij ook steeds merkbaar is dat dirigent Franz Welser-Möst er met merkbaar genoegen muzikaal op inspeelt. Maar er zijn ook schitterende niet-muzikale juweeltjes. Zo heb ik nooit eerder zo duidelijk uitgewerkt gezien dat Ochs en zijn bediende Leopold vader en zoon zijn. En ook hier weer: zonder een spoor van chargeren. En dat alles speelt zich af in het ene fraaie toneelbeeld na het andere van Hans Schavernoch met enkele perfect gerealiseerde decorchangementen.

De populariteit van het slot van het eerste bedrijf bij echte Strauss-adepten, neemt niet weg dat die vijfentwintig minuten scenisch tot de moeilijkste momenten van deze 'komedie' behoren, maar zo helder en tegelijk zo emotioneel als Kupfer deze scène neerzet, heb ik hem nooit eerder gezien. Het begint al met de eerste monoloog Marschallin ('Da geht er hin') die hier uitloopt op een intieme dialoog met het publiek tegen een prachtig 'grijzige' achtergrond die doet denken aan de sfeer in de slotscène van de film The Third Man . En heeft ooit een regisseur zoveel expressie weten te geven aan de monoloog over de tijd, en uit een Octavian zoveel meer weten te halen dan de pure suggestie dat een puber met een beginnend liefdesverdriet geconfronteerd wordt? In het spel tussen de Marschallin en Octavian zien we de laatste in tien minuten tijd tien jaar ouder worden! En al die tijd ligt daaronder het prachtige, van intense emoties doortrokken tapijt dat Welser- Möst weeft met de in deze partituur onnavolgbare Wiener Philharmoniker!

In een bijna oogverblindend, ruimtelijk en grijs-zilveren decor begint het tweede bedrijf met een scène van Octavian en Sophie waarin romantiek en komedie tot een harmonieus geheel samenvloeien. In haar tekstbehandeling mist Mojca Erdmann iets mis van het zilverachtig speelse van Hilde Güden of Anneliese Rothenberger, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de charme van haar spel. De scène daarna met Faninal en Ochs brengt de 'Personalführung' tot een nieuw hoogtepunt, mede dankzij het spel van Groissböck en de als altijd op de vierkante millimeter acterende Adrian Eröd, daarnaast een karakterbariton in de beste traditie. Het dient gezegd dat Koch en Erdmann zich bij dat alles niet onbetuigd laten en weer blijkt de meesterhand van Kupfer in het spel van de kleinere rollen als Marianne Leitmetzerin en het intrigantenpaar Annina en Valzacchi.
Een moment om apart te vermelden is de scène met het dronken gevolg van Ochs, hier in een aanpak die exemplarisch voor de werkwijze van Kupfer. Eindelijk een regisseur die zich ook hier aan tekst en muziek houdt, en die vooral laat vertellen wat er gebeurt - let wel: wat er in de bediendenvertrekken gebeurt, niet in de salon! Zelfs de grootste pummel in het gevolg van Ochs weet dat hij zich daar beter niet kan vertonen en regisseurs die hier het toneel veranderen in een chaotische lolbroekerij, slaan de plank volledig mis, zeker als zij het stuk wel situeren in de tweede helft van de 18de eeuw.

Bij de ietwat carnavaleske sfeer aan het begin van het derde bedrijf blijft het altijd de vraag in hoeverre de door Hofmannsthal geschetste situaties voor het publiek aanvaardbaar zijn (mij gaan die 'verschijningen' bij voorbaat al te ver, wat een regisseur er ook mee doet). Gelukkig redt Strauss de situatie hier met een wervelende partituur die door Welser-Möst en de Wiener Philharmoniker met de grootst mogelijke virtuositeit wordt weergegeven en vanaf de opkomst van de Marschallin bouwt Kupfer dan een finale op die mij ademloos deed meeleven. Ik moet eerlijk toegeven dat ik soms moeite heb met de manier waarop het sentiment er in het befaamde terzet wel erg dik op ligt, maar hier vielen zelfs al die bezwaren weg. Kupfer behandelt zijn drie belangrijkste personages aan het slot een in uitgekiende choreografie die de psychologische ontwikkeling van ieder van hen minutieus doet overkomen, zeker via de intimiteit en de directheid van het beeldscherm.

Als er iets is waardoor de solisten hier stand houden naast de beste vertolkingen van vorige generaties, is het vooral de manier waarop zij in samenwerking met regisseur en dirigent hun rollen hebben opgebouwd. Zo bezit Krassimira Stoyanova niet die prachtig lange pianissimotonen waarin zangeressen als Elisabeth Schwarzkopf en Lisa Della Casa grossierden en die we ook nog regelmatig horen bij Renée Fleming, maar haar intensiteit is uitzonderlijk en in de tekening van een Marschallin die beseft dat haar jeugd voorbij is, toont zij vanaf de spiegel in het eerste bedrijf tot haar 'Ja, ja' aan het slot een aangrijpende karakterstudie.

Op een vergelijkbare manier zien we het volwassen worden van Octavian. Koch is een echte mezzosopraan, geen sopraan in de traditie van Irmgard Seefried of Sena Jurinac die voor mij het vocale ideaal voor deze rol vertegenwoordigden, maar haar vertolking overtuigt voor honderd procent. Nog meer door haar prachtig afgewerkte zang doet zij dat door de manier waarop zij haar karakter opbouwt naar een slotscène waarin zij ons laat meevoelen met haar weifelingen als zij beslissingen moet nemen die in hun consequenties onomkeerbaar zijn. Het knapste op dit punt vind ik echter de manier waarop Kupfer de rol van Sophie hier weet uit te bouwen. De vertolkingen van Anneliese Rothenberger en Barbara Bonney, beide op dvd bewaard, bieden iets meer zilveren ondertonen, maar Erdmann overtreft beiden door de manier waarop zij duidelijk maakt wat voor impact het heeft op een meisje dat altijd heel beschermd is opgegroeid, als zij beseft dat het leven van volwassenen niet altijd rozengeur en maneschijn is.

Het enige muzikale minpuntje is eigenlijk de Italiaanse tenor van Stefan Pop in het eerste bedrijf. Daarvoor had de festivalleiding toch wel een fraaiere stem kunnen engageren! Meteen daarna horen we trouwens ook een akoestisch minder fraai moment als het gesprek van Ochs met de notaris aan de rechterzijkant van het grote toneel in het Großes Festspielhaus wat al te veel 'ruimte' meekrijgt. De cameraregie, nu erg op afzonderlijke personages gericht (in fraaie overgangen en montages, dat wel), had van mij bovendien meer totalen en halftotalen mogen bevatten, zeker op momenten van samenzang. De technische kwaliteit van de Blu-ray schijf voldoet echter aan de hoogste eisen met een uitermate scherp HD-beeld en superieure klankkwaliteit (24 bit - 2.3 mb/ps).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links