DVD-recensie

Monument voor Chéreau

 

© Paul Korenhof, mei 2014

 

R. Strauss: Elektra

Evelyn Herlitzius (Elektra), Waltraud Meier (Klytämnestra), Adrianne Pieczonka (Chrysothemis), Tom Randle (Aegisth), Mikhail Petrenko (Orest), Franz Mazura (Der Pfleger des Orest), Florian Hoffmann (Ein junger Diener), Donald McIntyre (Ein alter Diener), Renate Behle (Die Aufseherin, Die Vertraute), Bonita Hyman (Erste Magd), Andrea Hill (Zweite Magd, Die Schleppträgerin), Silvia Hablowetz (Dritte Magd), Marie-Eve Munger (Vierte Magd), Roberta Alexander (Fünfte Magd), Coro Gulbenkian , Orchestre de Paris
Dirigent: Esa-Pekka Salonen
Regie: Patrice Chéreau

BelAir Media BAC110

Opname: Festival d'Aix-en-Provence, juli 2013

 

Het hoogtepunt van het Festival van Aix-en-Provence was vorig jaar deze nieuwe productie van Elektra, een voorstelling die ik helaas moest missen en die inmiddels de geschiedenis is ingegaan als de magistrale laatste regie van Patrice Chéreau. Hoewel reeds zwaar ziek schijnt de Franse regisseur de repetities van Strauss' eenakter geleid te hebben met dezelfde levenslust en hetzelfde Franse savoir vivre dat we zo goed leerden kennen bij de Bayreuther Ring van 1976, de befaamde jubileumproductie waarmee hij de operawereld volledig veranderd heeft.
De grote verdienste van Chéreau bij deze Ring was niet alleen dat zijn interpretatie, in de onvergetelijke toneelbeelden van Richard Peduzzi die ook tekende voor de decors van deze Elektra , nog altijd een lichtend voorbeeld is voor het feit dat een 'moderne' regie toch volledig 'partituurgetrouw' kan zijn. Hij leerde ons ook dat operazangers wel degelijk als 'echte acteurs' te regisseren zijn en dat de visie op een werk daardoor nog verder verdiept kon worden dan wij al gewend waren van regisseurs als Wieland Wagner, Walter Felsenstein en Götz Friedrich.

Dat Chéreau en 'zijn' Ring in operaland konden uitgroeien tot symbool van de nieuwe tijd, is te danken aan de opkomst van de moderne media en de beslissing de complete tetralogie voor de televisie op te nemen. De wereldwijde uitzending luidde het einde in van een systeem waarin zangers niet zelden - soms zelfs met hun eigen kostuum in hun koffer - van het ene theater naar het andere trokken om zonder repetities het toneel te vullen met overal dezelfde clichégebaren. In de gevolgen van die omwenteling zit echter ook een paradox: een enscenering die volledig gericht was op een bepaald (Bayreuther) solistenteam en een bepaald (Bayreuther) publiek in een bepaald (Bayreuther) theater opende de deur naar een tijdperk met ensceneringen die steeds meer worden opgezet als 'reisvoorstellingen' en die dus met wisselende bezettingen in wisselende theaters kunnen worden uitgevoerd. Ieder medaille heeft zijn keerzijde.

Zoeken naar het menselijk detail
Wie de samenwerking van Chéreau met ontwerper Richard Peduzzi gevolgd heeft van hun vroege Lucio Silla in Brussel tot enkele jaren geleden Così fan tutte in Aix-en-Provence (de Bayreuther Ring blijft een hoofdstuk apart) weet bij voorbaat dat hun Elektra zich afspeelt op een omsloten, vaal-grauw, vaal-blauw of vaal-geel belichte binnenplaats met weinig of geen zetstukken en beheerst door strakke lijnen. En wie bekend is met Chéreau's regiestijl, weet ook dat hij bij zijn personenregie naar ieder mogelijk detail heeft gezocht om de personages in te vullen als complete, driedimensionale karakters die op ieder moment kunnen verrassen met psychologische details. Dat geldt niet alleen voor de hoofdpersonen, maar ook voor 'het personeel' in dit paleis, waarbij hij bewust enkele rollen heeft laten samenvallen.
Nog nadrukkelijker heeft Chéreau voor sommige rollen bewust gezocht naar oudere solisten om bijvoorbeeld de herkenning van Orestes meer reliëf te geven en om meer betekenis te geven aan de scène waarin een van de dienstmaagden Elektra verdedigt en daarna als straf door de anderen wordt afgetuigd. Zoals hij in zijn toelichting aan het slot verklaart, wilde hij voor deze ´fùnfte Magd´ een zangeres die kon doorgaan voor de voedster van Elektra, en die met de andere oudere bedienden voelbaar kon maken hoe het leven in het paleis al ruim vijftien jaar beheerst wordt door de ooit gepleegde koningsmoord.
De voor al deze ´bijrollen´ gekozen solisten zijn op zich al een kennismaking met de uitvoering waard. Zo zien en horen we Donald McIntyre, ooit Wotan in de Bayreuther Ring, als de 'alter Diener' en de 89-jarige Franz Mazura, in diezelfde periode Klingsor in de Bayreuther Parsifal , als 'Pfleger des Orest'. De voor Chéreau zo belangrijke 'fünfte Magd' werd toevertrouwd aan Roberta Alexander die naast haar voorgeschreven bijdragen een grote hoeveelheid ´stil spel´ toebedeeld kreeg, en die dat invulde op een manier die haar aan het slot terecht een opmerkelijke ovatie bezorgt. En alsof dat nog niet genoeg is, zien we Renate Behle, ooit een opmerkelijke Sieglinde, Brünnhilde, Chrysothemis en Fidelio, hier terug als ´Aufseherin´ en ´Vertraute´. Het is een bezetting die niet alleen tekenend is voor de benadering van Chéreau, maar ook voor het belang dat eraan werd gehecht zoveel mogelijk rollen te bezetten met persoonlijkheden die het drama meer reliëf konden geven.

Evelyn Herlitzius
Dat alles werkt natuurlijk alleen als de drie vrouwelijke hoofdrollen optimaal bezet zijn en op dat punt blijft er geen wens onvervuld. Evelyn Herlitzius' Elektra kennen we al uit Amsterdam, maar hier is haar vertolking minstens even intens en geholpen door zowel de regie van Chéreau als het 'casual' kostuum van Caroline De Vivaise (broek en shirt als een hedendaagse jonge vrouw) komt zij nog jeugdiger over. En niet alleen jeugdiger, maar vooral ook kwetsbaarder. Deze Elektra is minder de wraakzuchtige furie uit de tijd van Astrid Varnay en Daniza Mastilovic dan een psychologisch uitbouwen van het portret waar Wieland Wagner en Anja Silja mee begonnen zijn. Zij is een jonge vrouw die weliswaar constant om wraak roept (Chéreau: "zij praat er meer over dan dat zij ook echt iets doet"), maar die door de gebeurtenissen vooral uit het lood geslagen is en geen invulling van haar leven meer kan vinden. Dat in tegenstelling tot de veel 'gezondere' Chrysothemis die juist naar die invulling zoekt om aan de omstandigheden te ontsnappen. Zelfs een boer die haar meeneemt, zou al welkom zijn en Chéreau doet er alles aan om ons haar gelijk te tonen, daarmee een dankbaar canvas creërend voor Adrianne Pieczonka, een typisch 'jugendlich-dramatische' sopraan die steeds beter uit de verf lijkt te komen en die haar rol hier met sterke streken en duidelijke vocale kleuren invult.

Klytämnestra en Aegisth
Een hoofdstuk apart is de Klytämnestra van Waltraud Meier, in de regie van Chéreau op en top een vorstin die tot het laatste moment de schijn weet op te houden. Innerlijk is zij een wrak maar nergens wordt zij tot karikatuur en daarbij weet zij de rol is te vullen met een superieure vocalistiek en een fenomenale tekstbehandeling waarbij ieder woord verstaanbaar is en iedere lettergreep een eigen kleuring krijgt. In aansluiting daaraan wordt ook Aegisth door Tom Randle nu eens niet als een bibberend juffershondje neergezet, maar als een man van wie wij ons kunnen voorstellen dat Klytämnestra ooit iets in hem gezien heeft. Weer: terecht! Ons hele traditionele beeld van Aegisth is uitsluitend gebaseerd op de woorden van Elektra die ons laat zien wat zij wil dat wij zien, maar die ons daarbij wel een sterk gekleurd beeld voorschotelt. (Chéreau: "We zijn voortdurend geneigd Elektra op haar woord te geloven. Waarom?")

De enige die dit hoge niveau niet haalt is Mikhail Petrenko, een bas die een aantal jaren werd ingehaald als 'een belofte voor de toekomst', maar van wie ik mij begin af te vragen of hij die belofte ooit zal inlossen. Ook uit Amsterdam (Vorst Gremin in Jevgeni Onegin , Filips II in Don Carlos, Klingsor in Parsifal, Méphistophélès in Faust ) weten we dat hij beschikt over een fraaie, zij het wat lichte bas die hij met grote muzikaliteit hanteert. Op het toneel brengt hij echter weinig persoonlijkheid mee (Gremin en Filips II misten iedere allure, Klingsor was meer welluidend dan demonisch, Méphistophélès was fraai gezongen maar ronduit onbeduidend) en in zijn vertolkingen zit weinig wat wijst op iets van interpretatie of zelfs maar vocale uitstraling. Twee woorden van Hans Hotter, Dietrich Fischer-Dieskau of Falck Struckmann in Elektra geven meer inzicht in de psyche van Orest dan hier een hele scène. Meer dan door Petrenko werd mijn aandacht in ieder geval getrokken door het stille spel van zijn 'Pfleger' Franz Mazura!

Salonen
Vooraf hield ik een beetje mijn hart vast voor het aandeel van Esa-Pekka Salonen, een dirigent die op mij meestal wat onderkoeld overkomt en die ik zeker niet associeer met een partituur die beheerst wordt door muzikale en emotionele uitersten. Mijn vermoeden werd in zoverre bewaarheid dat hier niet meteen in de eerste maten alle registers worden opengetrokken. Dat effect bewaart Salonen voor de extatische slotscène, als de muziek de handeling volledig overneemt en er ook geen reden meer is om naar iets van nuancering te zoeken. Tot die tijd weerspiegelt zijn aanpak minutieus de zoektocht naar menselijke details van Chéreau en de kwetsbaarheid van Herlitzius' Elektra, waarbij in vergelijking met traditioneel 'Duitse' uitvoeringen het spel van het Orchestre de Paris een wonder lijkt van doorzichtigheid en verfijning.
Absoluut hoogtepunt is de scène met Klytämnestra, waarbij ik mij - dankzij de verfijnde muzikale aanpak! - nog nooit zo bewust ben geweest van Hofmannsthal's libretto. Als bijvoorbeeld Waltraud Meier met ingehouden stem klaagt over haar onrustige nachten, wordt dat onderstreept door het instrumentaal naderbij sluipen van Agamemnon in de lage blazers (contrafagot, tuba, bastuba) wat de aandacht nog meer naar Klytämnestra's tekst trekt. Een groot moment muziektheater dat alleen maar kan ontstaan als drie grootheden - dirigent, regisseur en zangeres - zich in volmaakte harmonie op hetzelfde niveau kunnen bewegen.

Interview
Als bonus bevat de dvd een boeiend en zeker ook verhelderend interview met Patrice Chéreau waarin hij ingaat op diverse aspecten van het werk en zijn benadering. Daarbij zegt hij diverse voor de hand liggende dingen waar we meestal voetstoots aan voorbijgaan, maar op één punt ben ik het niet helemaal met hem eens. Inderdaad heeft Strauss in de scène van Klytämnestra de verwijzing naar de moord op Agamemnon heel bewust uit de tekst van Hofmannsthal geschrapt, maar dat wil niet zeggen dat de dode vorst uit die scène verdwenen is. Hij blijft op de achtergrond aanwezig zoals hij dat al was tijdens de allereerste maat en zoals hij dat tot het slot toe zal blijven. Op dat punt profiteerde Strauss ten volle van het feit dat in de opera het orkest eveneens een rol heeft en hoorbaar kan maken wat op het toneel niet gezien en gezegd wordt. Inderdaad spreekt Klytämnestra uitsluitend over zichzelf en over Orestes, maar in de muziek maakt Strauss zonneklaar dat haar gedachten, of beter: haar dromen zich geheel op haar vermoorde echtgenoot richten. De reeds vermelde herhalingen van diens motief in contrafagot, tuba en bastuba zijn evenzovele herhalingen van het Agamemnon-thema dat zich al in de eerste maten van de partituur met kracht aan ons opdringt. Met andere woorden: wat Klytämnestra uit haar slaap houdt, is niets meer of minder dan de wetenschap dat de diens geest nog steeds om haar heen sluipt en dat zal blijven doen tot de door de goden vereiste wraak voltrokken is.

Dvd of blu-ray?
Voor de registratie van deze voorstelling werd een beroep gedaan op regisseur Stéphane Metge die het theater gebeuren niet alleen in een schitterende, zij het voor de huiskamer soms iets te donkere film vervat heeft. Heel knap daarbij vond ik zijn afwisseling van close-ups met bredere invalshoeken, waarbij hij op een ingenieuze en sfeerverhogende manier ook 'toekijkend personages' rondom de hoofdrollen in het geheel betrok. Misschien nog opmerkelijker is dat hij erin slaagde voluit zingende solisten in close-up te nemen op een manier die de dramatiek van het geheel verhoogde zonder dat ik het gevoel kreeg dat de camera op onesthetische wijze 'de zingende mond' in beeld bracht.
De afwerking van de dvd is echter niet zo optimaal met een 16bits geluidsspoor waar ik bij deze productie toch 24bits zou verwachten, terwijl bij snelle bewegingen de dvd de bekende veegsporen vertoont en de overgang naar het tweede spoor met een flinke schok verloopt. Het kan allemaal net iets beter, maar misschien is er ook iets te veel haast achter de productie gezet. Of zijn we gewoon verwend door de blu-raydisc? Die versie heb ik helaas niet gezien, maar het lijkt mij dat aanschaf daarvan de paar euro meer dubbel en dwars waard is. Beter beeld en nóg beter geluid!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links