DVD-recensie

Royal Opera - The Collection (1)

 

© Paul Korenhof, november 2017

 

Mozart: Le nozze di Figaro
Miah Persson (Susanna), Erwin Schrott (Figaro), Dorothea Röschmann (Contessa), Gerald Finley (Conte), Rinat Shaham (Cherubino), Philip Langridge (Basilio), Jonathan Veira (Bartolo), Graziela Araya (Marcellina) e.a.
Dirigent: Antonio Pappano
Regie: David McVicar
Opname: 10, 13, 17 februari 2006

Mozart: Don Giovanni
Mariusz Kwiecien (Don Giovanni), Alex Esposito (Leporelo), Malin Byström (Donna Anna), Véronique Gens (Donna Elvira), Antonio Poli (Don Ottavio), Elizabeth Watts (Zerlina), e.a.
Dirigent: Nicola Luisotti
Regie: Kasper Holten
Opname: 12 februari 2014

Mozart: Die Zauberflöte
Will Hartman (Tamino), Dorothea Röschmann (Pamina), Diana Damrau (Königin der Nacht), Franz-Josef Selig (Sarastro), Simon Keenlyside (Papageno), Thomas Allen (Sprecher) e.a.
Dirigent: Colin Davis
Regie: David McVicar
Opname: 27 januari 2003

Verdi: Macbeth
Simon Keenlyside (Macbeth), Ljoedmila Monastirska (Lady Macbeth), Dimitri Pittas (Macduff), Raymond Aceto (Banco) e.a.
Dirigent: Antonio Pappano
Regie: Phyllida Lloyd
Opname: 13 juni 2011

Verdi: La traviata
Renée Fleming (Violetta), Joseph Calleja (Alfredo Germont), Thomas Hampson (Giorgio Germont) e.a.
Dirigent: Antonio Pappano
Regie: Richard Eyre
Opname: 27 en 30 juni 2009

Bizet: Carmen
Anna Caterina Antonacci (Carmen), Jonas Kaufmann (Don José), Ildebrando D'Arcangelo (Escamillo), Norah Amsellem (Micaëla) e.a.
Dirigent: Antonio Pappano
Regie: Francesca Zambello
Opname: 19 december 2006

In volgende besprekingen zal aandacht worden besteed aan:

Wagner:  Parsifal o.l.v. Antonio Pappano
Mascagni:  Cavalleria rusticana & Leoncavallo:  Pagliacci o.l.v. Antonio Pappano
Puccini: La Bohème o.l.v. Andris Nelsons
Puccini: Il trittico o.l.v. Antonio Pappano
Puccini: Turandot o.l.v. Hnerik Nánási
R. Strauss: Salome o.l.v. Philippe Jordan
Szymanowski:  Król Roger o.l.v. Antonio Pappano
Britten: Gloriana o.l.v. Paul Daniel
Benjamin: Written on skin o.l.v. George Benjamin

* * *

De afgelopen jaren hebben vooral de Royal Opera en het Teatro del Liceu een grote activiteit ontwikkeld op het gebied van dvd-uitgaven. Bij het Barcelonese theater betrof het daarbij altijd producties die van elders geïmporteerd waren (ook uit Amsterdam), maar de opnamen uit Londen vormen tegelijk een documentatie van de recente artistieke ontwikkeling van het belangrijkste Britse operatheater. Een hulpmiddel daarbij is het feit dat het label Opus Arte, dat ook uitgaven verzorgt van producties in onder meer Glyndebourne, Amsterdam en Bayreuth, nauw met de Royal Opera verbonden is.

Vijftien operaregistraties die de afgelopen vijftien jaar in Covent Garden gemaakt zijn, werden samengebracht in een cassette die nu verkrijgbaar is voor een bedrag waarvoor men normaal maar vier of vijf uitgaven kan aanschaffen. Een aantrekkelijke uitgave dus met een repertoire dat loopt van Mozart tot George Benjami. Een breed scala aan uitvoerenden is representatief voor het gemiddelde vocale niveau en de helft van de opera's wordt gedirigeerd door Antonio Pappano, sinds 2002 Music Director van de Royal Opera.

Het camerawerk wordt over de gehele linie gekenmerkt door rust en aandacht voor details, waarbij een enkele maal - vooral tijdens aria's - de close-ups ten koste gaan van elementen in de regie. Zo wordt in Le nozze di Figaro niet helemaal duidelijk welke rol de regie tijdens Susanna's 'Deh, vieni' precies toebedeelde aan de dan op het toneel aanwezige gravin. De ontwikkelingen op audiogebied en het gebruik van zendmicrofoons zorgen echter voor een meestal voortreffelijk uitgebalanceerd klankbeeld dat noch door de droge akoestiek noch door de bewegingen van de zangers negatief beïnvloed wordt.

Voor deze bespreking gebruikte ik een cassette met achttien blue-ray discs (de dvd-uitgave telt 22 schijfjes). De boekjes bij de afzonderlijke uitgaven werden samengevoegd tot één band van 180 pagina's, fraai geïllustreerd maar met verder van ieder werk alleen de rolverdeling en de synopsis. Behalve een algemene inleiding van de hand van Amanda Holloway zijn er geen nadere toelichtingen (vooral bij Gloriana, Krol Roger en Written on skin toch een gemis) en ik blijf bezwaar maken tegen het ontbreken van een overzicht van de tracks. Dat kan alleen maar bedacht zijn door iemand die zelf niet regelmatig opera-dvd's draait. Prettig is wel dat Opus Arte al snel begreep dat muziekliefhebbers niet zitten te wachten op een eindeloos ronddraaiende muzikale 'intro' onder het discmenu,

Aangezien lang niet alle in deze box samengebrachte uitgaven eerder door mij werden gesignaleerd, is het ondoenlijk om meteen met één grote bespreking te komen. De diverse producties zullen daarom in delen aan bod komen met waar mogelijk verwijzingen naar eerdere en uitgebreidere besprekingen. In deze eerste aflevering aandacht voor opera's van Mozart, Verdi en Bizet.

Le nozze di Figaro
Le nozze di Figaro werd in 2006 opgenomen tijdens de door regisseur David McVicar met veel precisie uitgewerkte premièreserie, waarin soms echter net iets te veel gebeurt, zelfs als het oog van de camera het toneelbeeld reduceert. De verplaatsing van de handeling naar enkele decennia ná de Franse Revolutie haalde bovendien de politieke angel uit het stuk en verleidde McVicar ertoe de standsverschillen ietwat te slechten. Zelfs naar moderne begrippen gedraagt Figaro zich nu erg impertinent tegenover zijn werkgever en het vrijpostige gedrag waarmee Susanna in het derde bedrijf de graaf bejegent, past slecht bij de schijnbare onderdanigheid van haar woorden.
Met de tekst gaat McVicar ook elders nogal vrij om, bijvoorbeeld tijdens het duetje van Susanna en Marcellina bij een wasmand in plaats van een deur, wat de woorden 'na u - nee, na u' zinloos maakt. Ook een tekstwijziging als 'Il birbo Figaro vostro sarà' ('die boef Figaro zal de uwe zijn') in plaats van 'vinto sarà' ('zal aan het kortste eind trekken') in de aria 'La vendetta' is merkwaardig. Niet alleen ontbreekt nu de door Da Ponte bedoelde assonantie, maar het is voor Bartolo ook een merkwaardige woordkeuze tegenover Marcellina aan wie hij Figaro als echtgenoot wil opdringen.

Afgezien van dergelijke details zien we een levendige voorstelling, gedragen door sprankelend orkestspel en enkele uitzonderlijke vertolkingen, zoals een in zang en spel markante graaf van Gerald Finley. Zijn donkere bariton roept soms zelfs herinneringen op aan George London, die hij mogelijk nog overtreft in de scherpte en de timing van zijn spel. Een andere ster is Miah Persson, een van de mooiste stemmen van het moderne operatoneel. Haar charme en exprssiviteit maken Susanna tot een personage van vlees en bloed, culminerend in een prachtig gepolijst 'Deh, vieni. Tegelijk betrapte ik mij erop dat ik haar ook heel graag als gravin had gehoord. Dorothea Röschmann zingt die rol een beetje kleurloos en bovendien in de slotmaten van 'Dove sono' met een ongecontroleerde wobbel die in de verste verte niet lijkt op de triller die Mozart voorschrijft.

Heel overtuigend zijn de jongensachtige Cherubino van Rinat Shaham en de minutieus geëtste Basilio van wijlen Philip Langridge, maar de Figaro van Erwin Schrott had wat speelser mogen overkomen. Dat geldt zeker voor zijn soms wat drammerige recitatieven die bovendien herhaaldelijk in spraak overgaan, een enkele maal op het schreeuwerige af. De Bartolo van Jonathan Veira voegt weinig toe en dat het sextet 'Riconosci' geen juweeltje van zangcultuur wordt, is mede te danken aan de muzikaal grove Marcellina van Graciela Araya.

Don Giovanni
Bij Mozart's Don Giovanni zien we keer op keer dat regisseurs in hun streven het 'anders' te doen steeds weer teruggrijpen op dezelfde elementen, zoals een Donna Anna die in de openingsscène 'zelf zo graag wil'. Met tekst en muziek is dat niet te rijmen en inmiddels is het verworden tot een cliché waarbij iedere ervaren operabezoeker gaat gapen. Daarbij wordt de interpretatie weer steeds serieuzer. Tot de jaren zestig van de vorige eeuw werd Don Giovanni gezien als een halve tragedie, daarna volgden een paar decennia waarin weer aandacht kwam voor het feit dat Mozart en Da Ponte het stuk als komedie hadden opgezet, maar tegenwoordig slaat de wijzer opnieuw door naar het andere uiterste. Zo ook bij Kasper Holten. Van zijn aanpak moet je houden, maar mijn gevoelens zijn gemengd, niet op de laatste plaats door de toneelbeelden van Es Devlin, twee etages met diverse deuren en kamertjes, die samen met de onrustige, soms sterk abstraherende lichtbeelden van Luke Hall een afstandelijk effect creëren.

Don Giovanni is een van de moeilijkste opera's uit het repertoire en naarmate een regisseur meer interpreteert en minder hij aan het inlevingsvermogen van de toeschouwer overlaat, wordt het resultaat minder overtuigend. Juist bij dit werk werkt is het effect groter naarmate de toeschouwer zelf meer kan invullen en minder voorgeschreven krijgt. Als zoveel moderne regisseurs lijkt Holten echter niet te willen dat het publiek zelf nadenkt. In deze productie uit 2014 duwt hij de toeschouwers een interpretatie door de keel die hij verpakt die in complexe, psychologische diepzinnigheid suggererende beelden die al snel naar adem doen happen. Goethe's ' in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister' is ook aan deze regisseur niet besteed en het beste is vaak je maar helemaal niets van zo'n enscenering aan te trekken. En waar Holten zich beperkt, namelijk in de slotscène, is het resultaat helemaal raadselachtig en tegen het werk in geregisseerd.

Gelukkig maakt het camerawerk dat de kijker thuis dichter met zijn neus op de personages zit dan de toeschouwer in Covent Garden, en al met al levert het kijken nu vooral nog een paar vraagtekens op. Daartegenover staat een muzikaal over het algemeen voortreffelijke uitvoering waarin de weliswaar mooi slank getimbreerde maar technisch matige Don Ottavio van Antonio Poli de zwakste schakel is. Malin Byström overtuigt als een lyrische Donna Anna, al lijkt zij in 'Non mi dir' technisch aan haar grenzen te komen. Haar rondere timbre contrasteert bovendien mooi met de slankere Donna Elvira van Véronique Gens die met haar persoonlijkheid compenseert wat zij aan vocale warmte te kort komt. Voor weer een ander contrast zorgt de romige Zerlina van Elizabeth Watts, die gelukkig wat humor in het geheel brengt - afgezien dan van een onverklaarbare halve huilbui vóór 'Vedrai carino'.

In de titelrol zorgt Marius Kwieczien voor een ware vocale creatie, nu eens cynisch, dan weer zoetgevooisd verleidend, en het is jammer dat het stramme, soms loodzware regieconcept hem niet toelaat alles uit de rol te halen wat erin zit, en iets dergelijks geldt eveneens voor de in aanzet uitmuntende Leporello van Alex Esposito. In de kleinere rollen wordt de bezetting op niveau afgerond en onder Nicola Luisotti ontplooit het orkest een Mozart-spel dat heel wat idiomatische overkomt dan de toneelbeelden.

Die Zauberflöte
Colin Davis, van 1970 tot 1987 Pappano's voorganger, profileerde zich in die tijd als een Mozart-dirigent van formaat en deze Zauberflöte vormt een waardige afsluiting van zijn band met het orkest. Davis' Mozart mag sommigen nu was traditioneel in de oren klinken, het is wel een verklanking waarin het humane aspect centraal staat en waarin de muziek in een warme melodieënstroom aan ons voorbijtrekt.

Bij de solisten komen opmerkelijke prestaties van Dorothea Röschmann als een jeugdige, waar nodig vocaal broze Pamina en Simon Keenlyside als een speelse en ondanks de soms licht clowneske regie vooral menselijke Papageno. Minder overtuigend werken de bleke Tamino van Will Hartman en de weinig imposante Sarastro van Franz-Josef Selig, al steekt deze Sarastro ver uit boven die van Brindley Sherratt, de bas die zowel het Nederlandse als het Britse operatoneel de afgelopen jaren bij voorkeur voor die rol heeft ingezet. De balans wordt weer hersteld door de virtuoze Königin der Nacht van Diana Damrau en de autoriteit van Thomas Allen als de Sprecher.

De regie van David McVicar in sobere maar sfeerrijke toneelbeelden van John Macfarlane neigt ook hier soms naar een teveel van het goede. Aan de andere kant lijken de poppenspeler die de vogel van Papageno tot leven wekt en diverse andere elementen vooruit te lopen op de regie van Simon McBurney bij DNO, terwijl de eerste verschijning van de Königin der Nacht een geslaagde knipoog is naar de legendarische Berlijnse toneelbeelden van Friedrich Schinkel. De geslaagde overzetting op blue-ray disc kan op minder sterk belichte momenten niet verhelen dat de opname alweer vijftien jaar oud is. Nog duidelijker blijkt dat uit akoestische effecten tijdens de dialogen, waarbij nog niet geprofiteerd werd van de aanzienlijk geperfectioneerde zendmicrofoons waaraan wij nu gewend zijn.

Macbeth
Dezelfde Simon Keenlyside bleek acht jaar later hard op weg een respectabele Verdi-bariton te worden. Zijn timbre is niet echt breed in het middenregister, maar hij is een uitmuntende interpreet en recente optredens in o.a. de Weense Staatsopera tonen dat hij in dat vak niet meer weg te cijferen is. Hier toont hij dat al met een Macbeth zoals bijna alleen een Engelse bariton die kan neerzetten: muzikaal met groot begrip voor de Verdi-stijl, maar tegelijk met een frasering zoals je die kunt verwachten van een interpreet die is opgegroeid met de teksten van Shakespeare.

Zelden heb ik in Macbeth zo'n gedetailleerd uitgewerkte titelrol gehoord en daarbij blijft de Oekraïense Ljoedmila Monastirska een beetje in de schaduw. Vanaf haar overrompelende entree-aria tot haar geladen drinklied klinkt deze Lady Macbeth glorieus, maar als actrice overtuigt zij minder en dat plaatst haar extraverte slaapwandelscène toch een treetje lager. De tenor Dimitri Pittas (Macduff) en de bas Raymond Aceto (Banco) zorgen voor een goede ondersteuning, maar de show wordt gestolen door Antonio Pappano die zich met merkbaar enthousiasme inzet voor een partituur met enkele van de meest geniale muziekdramatische momenten die de Italiaanse opera heeft opgeleverd.

De net niet te sterk psychologiserende regie van Phyllida Lloyd in duistere, naar het Japanse theater neigende toneelbeelden van Anthony Ward is helemaal in overeenstemming met de sfeer van Verdi's opera. Bij de eerste kennismaking had ik even moeite met de sterk aanwezige heksen met hun vreemde rode hoofddeksels, maar daarmee was ik snel verzoend toen ik zag hoe Lloyd hen als manipulerende elementen door de opera heen vlocht. Op dat punt is deze opname duidelijk superieur aan die van dezelfde productie uit het Liceu, waar de uitmuntend gezongen hoofdrollen van Carlos Álvarez en Maria Guleghina niet altijd compenseren dat het koor zowel vocaal als acterend bepaald niet het Londense niveau bereikt.

La traviata
Van Macbeth gaan we naar La traviata , helaas, want de grote afwezige in deze uitgave is de Rigoletto uit 2000. Die valt weliswaar net buiten de periode-Pappano, maar de zeer directe regie van David McVicar en sterke hoofdrollen van Paolo Gavanelli, Christine Schäfer en Marcelo Alvárez hadden zeker een extra reden gevormd om deze box onder de aandacht te brengen.

De productie die Richard Eyre ontwierp voor La traviata , werd twee maal in Covent Garden opgenomen: in december 1994 onder Georg Solti, toen Angela Gheorghiu van de ene dag op de andere een wereldster werd, en in juni 2009 onder Pappano met Renée Fleming, maar na al die jaren blijft het een prachtige enscenering. De fraaie toneelbeelden van Bob Crowley neigen door hun overdaad soms iets te veel naar een 'plaatjesboek', maar Eyre heeft de sfeer van het werk uitmuntend getroffen en het is heerlijk dat de nadruk hier ligt op het drama dat Verdi ons wilde vertellen.

In deze nu ook alweer acht jaar oude opname horen we misschien wel de mooist gezongen titelrol die ooit commercieel werd vastgelegd. Wat Fleming hier aan stemschoonheid ten toon spreidt, is exceptioneel en bij vlagen is ook haar interpretatie ontroerend, in het bijzonder in sommige delen van het duet met Germont père en in het afscheid van Alfredo, het dramatische hoogtepunt van het werk. Op andere momenten overtuigt zij minder door een acteerstijl die haar regelmatig doet vervallen in maniertjes en uiterlijke effecten.

Ook Joseph Calleja overtuigt vocaal meer dan door zijn spel, maar Alfredo is nu eenmaal niet de dankbaarste rol uit het repertoire. In feite is die van Giorgio Germont heel wat interessanter, zeker in de vertolking van Thomas Hampson. Een echte Verdi-bariton is hij nooit geweest, maar juist deze rol, die in feite draait om dat ene, lange en rijk genuanceerde duet met Violetta, past hem als een handschoen. Ook in zijn aria is hij mooi op dreef en eigenlijk mis ik alleen in het derde tafereel het brons waarmee tijdens de concertato-finale de bariton de motor van het ensemble wordt. Daar wordt hij ook te nadrukkelijk, maar dat kan samenhangen met de aanpak van Pappano. Na twee fraai gedoseerde taferelen waarin de emoties zich in alle rust kunnen ontplooien, lijkt deze tijdens het feest bij Flora de muziek opeens onder hoogspanning te zetten. De rust voor een goede frasering wordt daar opgeofferd aan een jachtige ritmiek die de solisten maakt tot radertjes in een overspannen uurwerk. Afgezien van een iete te snel genomen 'Addio del passato' klinkt het laatste bedrijf weer overtuigender, al wekt een druk rondlopende Violetta niet altijd de indruk dat zij stervende is.

Carmen
Aan de vorige Carmen in Covent Garden bewaar ik diverse goede herinneringen. De regie van Nuria Espert was niet baanbrekend maar had zeker sfeer, en ik herinner mij in het bijzonder een voorstelling in mei 1994, toen dirigent Jacques Delacôte de muziek een Franse klank gaf die ik in internationaal georiënteerde theaters meestal mis. Minder Frans maar wel memorabel was het toneelgebeuren met Denyce Graves als een markante Carmen, Plácido Domingo in grote vorm als Don José en een veelbelovende invalster als Micaëla: de toen nog onbekende Angela Gheorghiu een half jaar vóór haar doorbraak in La traviata. Niet dat zij mij toen echt verraste: enkele maanden eerder had ik haar vertolking in Brussel al leren kennen in een productie die daar toen gedirigeerd werd door Antonio Pappano, maar het was een genoegen haar terug te horen.

Covent Garden's nieuwe Carmen ging op in december 2006 in première ter gelegenheid van het feit dat de Royal Opera zestig jaar eerder met datzelfde werk van start ging, maar wellicht verleidde dat regisseuse Francesca Zambello tot een iets te grootse aanpak. Carmen is een opéra-comique die het beste gedijt als een redelijke dosis intimiteit, speelsheid en Franse lichtvoetigheid in de juiste verhouding over de vier aktes verdeeld wordt. Daarbij moet worden toegewerkt naar het onvermijdelijke tragische einde en parallel daaraan wordt in de oorspronkelijke versie de rol van de gesproken dialogen steeds kleiner.

De afgelopen eeuw is Carmen echter steeds meer een 'grote opera' geworden waarin de koorscènes zijn uitgedijd tot spectaculaire massascènes van Verona-achtige proporties. Daaraan kon Zambello zich niet helemaal ontworstelen met als vreemdste moment een smokkelaarsscène in III die meer weg heeft van een volksverhuizing. In de andere drie bedrijven, met massieve toneelbeelden van Tanya McCallin die niet bepaald aan een zonnig Sevilla doen denken, regisseerde zij een hybride versie met gesproken dialogen, melodrama en zelfs enkele recitatieven. Soms is de dialoog echter volledig geschrapt, bijvoorbeeld aan het begin van het tweede bedrijf, waar het Chanson Bohème onmiddellijk overgaat in de opkomst van Escamillo.

Meer sfeer heeft de aanpak van Pappano die zich evenmin aan een lichte schaalvergroting kan onttrekken, maar die toch lichtvoetiger is in zijn tempi, accentueringen en melodische lijnen. Typisch 'Franse' scènes als het kwintet in II en de smokkelaarsscènes in III klinken redelijk idiomatisch, al is het uiteindelijke resultaat geen opéra-comique en geen echte grand-opéra.

De grote aantrekkingskracht ligt natuurlijk in de bezetting met twee van de interessantste solisten van dit moment. De Italiaanse Anna Catarina Antonacci is met haar 'lage sopraan' vocaal een geboren Carmen en spreekt daarbij vloeiend Frans, maar haar stijl en techniek blijven Italiaans-dramatisch. Haar doorwrochte en levendige vertolking fascineert vanaf haar eerste opkomst, maar zij lijkt in deze rol meer op haar plaats naarmate de situaties serieuzer worden. Als Don José, een rol waarvoor eigenlijk drie verschillende tenoren nodig zijn, is de veelzijdige Jonas Kaufmann hier in zijn element, maar ook in zijn zang ontbreekt de specifiek Franse klankvorming, terwijl bij hem de dialogen wat schoolser klinken.

Evenals zijn voorganger Ruggero Raimondi komt de Italiaanse basbariton Ildebrando D'Arcangelo als Escamillo een heel eind, maar ik mis toch de mooi sonore diepte van José Van Dam, ooit de ideale vertolker van deze problematische partij. Norah Amsellem is de enige hoofdrolvertolk(st)er wier wieg in Frankrijk, maar dat blijkt toch niet doorslaggevend. Sinds ik haar twintig jaar geleden in Parijs haar eerste en niet echt boeiende Micaëla hoorde zingen, is haar vertolking in ieder geval niet interessanter geworden. Voor meer authentieke dramatiek zorgen de smokkelaars van Jean-Sébastain Bou (Dancaïre) en Jean-Paul Fouchécourt (Remendado) alsmede - grote verrassing - de heerlijk idiomatische Zuniga van de Engelse bas Matthew Rose.

De oorspronkelijk uitgave van deze Carmen werd uitgebracht door Decca en dat zorgde voor een eindeloos ronddraaiende muzikale intro onder het discmenu met vooraf een andere 'tune' om te laten weten dat het een Decca-uitgave is.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links