DVD-recensie

Regie zonder houdbaarheidsdatum

 

© Paul Korenhof, april 2014

 

Puccini: Turandot (slotscène: Franco Alfano)

Lise Lindstrom (Turandot), Marco Berti (Calaf), Eri Nakamura (Liù), Raymond Aceto (Timur), Dionysios Sourbis (Ping), David Butt Philip (Pang), Doug Jones (Pong), Alasdair Elliott (Keizer Altoum), Michel de Souza (Een mandarijn), Royal Opera Chorus, Royal Opera House Covent Garden
Dirigent: Henrik Nánási
Regie: Andrei Serban

Opus Arte OA 1132 D

Opname: Londen, september 2013

 

In de grote operatheaters van Londen, New York en Wenen, waar het repertoire niet beperkt blijft tot tien, soms vijftien voorstellingen van één of twee titels per maand, gebeurt het nog regelmatig dat publiekstrekkers een jaar of dertig meegaan. De bekendste voorbeelden daarvan zijn La Bohème en Tosca van Franco Zeffirelli, maar het gebeurde ook met ensceneringen van Luchino Visconti ( Don Carlos, Il trovatore ), Giorgio Strehler ( Le nozze di Figaro ) en diverse andere theatermakers, gewoon omdat die voorstellingen goed in elkaar zaten, bij het publiek in de smaak vielen en niet zo snel gingen vervelen. Een andere reden was de kostenfactor en er zijn theaters die er rond voor uitkomen dat zij het daardoor bespaarde geld liever aan betere (duurdere) zangers en dirigenten besteden.

Daarnaast zijn er natuurlijk co-producties en voorstellingen die konden worden doorverkocht, zoals het ontwerp van Karl-Ernst en Ursull Herrmann voor La clemenza di Tito dat in 1982 in Brussel in prfemière ging en dat enkele jaren geleden nog in Parijs te zien was. Daartegenover staan ook voorstellingen, die ondanks de hoge kosten al na de eerste serie voorstellingen worden afgedankt. Als het om nieuwe opera's gaat, lijkt dat bijna onvermijdelijk, maar als het repertoirestukken betreft, moet men zich in een tijd van bezuinigingen toch afvragen of sommige artistieke leiders er niet beter aan zouden doen zich op dit punt iets terughoudender op te stellen. Wijlen Gérard Mortier vertrouwde mij ooit toe dat hij sommige van zijn collega's ervan verdacht dat zij bepaalde regisseurs vooral contracteerden om de voorpagina's van de kranten te halen.

Tot de theaters waar het inderdaad mogelijk is om producties te zien die al dertig jaar meegaan, behoort het ROH Covent Garden, waar ik zelfs ooit een Otello zag waarvan de decors bijna van ellende uit elkaar vielen. Andere producties hebben de tand des tijds beter doorstaan, onder meer deze Turandot uit 1984 van de Roemeens-Amerikaanse regisseur Andrei Serban. De eerste reeks voorstellingen, toen nog met Gwyneth Jones in de titelrol, Helen Donath als Liù en Plácido Domingo als Calaf, heb ik helaas niet gezien. Mijn kennismaking dateert uit oktober 1990, toen deze spraakmakende enscenering in toneelbeelden van Sally Jacobs al toe was aan haar vierde reeks voorstellingen in Covent Garden in zes jaar tijd.
Wat mij bij die eerste keer vooral opviel was het feit dat Serban en Jacobs in de toneelbeelden wel ruimschoots hadden teruggegrepen op kleurrijke elementen uit de Chinese folklore, maar dat zij tegelijk de overdaad hadden weten te vermijden, zeker in het tweede tafereel van het tweede bedrijf. Hier geen enorme trap en geen grootse optochten, maar vooral concentratie op de personages, en het feit dat de dirigent vóór Turandot's 'In questa reggia' een pauze moest nemen om haar opkomst zonder 'statietrap' toch de volle aandacht te geven, nam ik daarbij graag voor lief. Wat mij in die scène vooral trof was de interactie van de personages met een menselijker Turandot dan in veel andere voorstellingen, een Turandot ook bij wie na het oplossen van het derde raadsel de angst en de wanhoop bijna voelbaar zijn.

Ook elders wordt de relatieve versobering gecompenseerd door dramatische details, een sterk aanwezige atmosfeer, of door momenten van een grote theatrale magie, zoals het prachtige beeld van de zon in het eerste bedrijf. Andere fraaie momenten zijn het opkomen en afgaan van de oude keizer Altoum (mooie rol van de nu eens niet afgezongen Alasdair Elliott) die met troon en uit de hoogte neerdaalt en daarna ook weer opgehesen wordt. Prachtig van sfeer is eveneens het begin van het derde bedrijf, waar de aria 'Nessun dorma' ('Laat niemand slapen') van Calaf tijdens de eerste minuten met stil spel van figuranten en koorleden eigenlijk mooier wordt uitgebeeld dan het daarna wordt gezongen.

Na bijna een kwart eeuw vormt de hernieuwde kennismaking geen tegenvaller, verre van dat zelfs, maar wel bewaar ik aan de eerdere voorstellingen muzikale herinneringen die hier niet helemaal worden waargemaakt. Zo is de Amerikaanse Lise Lindstrom een - ook fysiek - slanke Turandot met een helder timbre, een sterke hoogte en momenten van grote warmte, maar de emotionele afstand tussen 'In questa reggia' en de slotscène is te klein om haar ontdooiing het maximale effect te geven. Jones kon af en toe vervaarlijk wapperen, maar het overbrengen van emotionele uitersten was haar wel toevertrouwd!

De tenor Marco Berti komt in zijn spel wat houterig over, raakt bij vlagen goed op dreef, onder meer in het slot van het tweede bedrijf, maar nadert soms de grens van zijn mogelijkheden, maar in de huidige operawereld slaat hij geen slecht figuur, ondanks een ietwat nietszeggend 'Nessun dorma'.. Een probleem heb ik echter met de Liù van de Japanse Eri Nakamura. Uit Londen bereikten mij opgetogen berichten, maar in 'Tu che di gel' klinkt zij kil en ongenuanceerd, terwijl in 'Signore, ascolta' haar zang lijdt onder een sterk tremolo. Als Timur horen we Raymond Aceto, een egale maar niet echt 'zwarte' bas, terwijl Dionysios Sourbis, David Butt Philip en Doug Jones een betrouwbaar trio ministers neerzetten, maar zonder de puntigheid die drie doorgewinterde Italiaanse comprimarii aan die rollen kunnen meegeven.

Ongetwijfeld valt een deel van mijn aanmerkingen terug te voeren op de directie van Henrik Nanási, een jonge Hongaar die inmiddels benoemd is tot chefdirigent van de Komische Oper Berlin, maar die nog niet opgewassen lijkt tegen Puccini's partituur. Zowel in de bak als op het toneel en in de coördinatie van beide zijn er nogal wat ongelijkheden te bspeuren en bij deze partituur is precisie toch een eerste vereiste voor een effectieve climaxwerking. Afgezien daarvan vraagt Puccini's melodiek om een speciaal gevoel voor rubato en ook daarvan is bij deze jonge dirigent vooralsnog weinig te merken.

Ondanks het vaak donkere toneel heeft beeldregie het kleurrijke toneelgebeuren fraai weten vast te leggen, maar met de audio-opname ben ik minder gelukkig. Niet alleen komen de stemmen wat scherp door, maar zij zijn ook erg prominent in het geluidsbeeld aanwezig en dat gaat ten koste van Puccini's kleurrijke instrumentatie. Op de ook visueel aantrekkelijke uitgave is verder niets aan te merken - behalve natuurlijk het feit dat in het dvd-boekje ieder spoor van een trackindeling ontbreekt. Wie tijdens het draaien naar een bepaald fragment wil, moet eerst naar het hoofdmenu, dan naar 'Chapters' en vervolgens zoeken waar hij heen wil. Onbegrijpelijk!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links