DVD-recensie

Krachtig pleidooi voor een ondergewaardeerde opera:

La rondine

 

© Paul Korenhof, november 2010

 

 

Puccini: La rondine.

Angela Gheorghiu (Magda), Lisette Oropesa (Lisette), Monica Yunus (Yvette), Alyson Cambridge (Bianca), Elizabeth DeShong (Suzy), Roberto Alagna (Ruggero), Marius Brenciu (Prunier), Samuel Ramey (Rambaldo) e.v.a., Metropolitan Opera.
Dirigent: Marco Armiliato.
Regie: Nicolas Joël.

EMI Classics 6316189

Opname: 10 januari 2009

 


Laat ik meteen met de deur in huis vallen: Puccini's meest verwaarloosde opera neemt bij mij een bijzondere plaats in. Sterker nog: de eerste akte van dit werk behoort mét Il tabarro, Gianni Schicchi, grote delen van La fanciulla del west en de eerste akte van Turandot tot mijn favoriete Puccini-partituren. Niet omdat La rondine een groot, onvergankelijk muziekdrama is, maar wel omdat de componist die juist naam maakte omdat hij het grote effect in zijn muziek niet schuwde, zich hier van zijn subtielste zijde laat zien. Natuurlijke, flitsende dialogen in de Franse blijspeltraditie zijn geplaatst boven een lichtvoetige instrumentatie met talloze melodische juweeltjes en de enige 'rustpunten' zijn het gedicht van Prunier 'Il sogno di Doretta' dat Magda al improviserend voltooit, en de laatste scène met een juweel van een duetje voor Prunier en het dienstmeisje Lisette, gevolgd door Magda's dromerige slotwoorden.
Die typisch 'Franse sfeer' wordt nog even volgehouden in het tweede bedrijf, met een kwartet dat zelfs tot Puccini's grootste melodische vondsten behoort, maar daarna buigt het werk steeds sterker om in de richting van het Italiaans-veristische drama en het relatief korte derde bedrijf is bijvoorbeeld bijna inwisselbaar voor dat van Giordano's Fedora, althans in de gebruikelijke versie. De reconstructie van de laatste akte zoals die Puccini aanvankelijk voor ogen stond, heeft meer eigen karakter, zoals we hebben kunnen zien toen een reconstructie ervan in Het Muziektheater een gastvoorstelling in het kader van het Holland Festival afsloot (met Ileana Cotrubas als Magda). Bij die gelegenheid bleek echter ook dat die eerste versie dramatisch niet echt sterker werkte en dat het theaterinstinct van de componist weer eens gelijk had gehad.

Al met al blijft La rondine, naar een Duits libretto van A.M. Willner en H. Reichert, een hybride werk, dat ooit is opgezet als een operette voor Wenen. Toen onder meer door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog dit plan schipbreuk leed, werd de tekst door Giuseppe Adami zodanig vertaald en bewerkt, dat er een volwaardige Italiaanse opera ontstond, die door Puccini zelf werd aangeduid als ‘lyrische komedie’, maar die toch een 'Fremdkörper' bleef in zijn oeuvre. Aan dat laatste is niet alleen het Duitse libretto schuldig, maar ook de situering in Parijs (altijd een populaire bron voor Duitse operettes; men denke aan Die Fledermaus en Die lustige Witwe).
Ondanks de situering van het libretto in een wereld die nog aan La Dame aux camélias (en dus aan La traviata) doet denken, is het Parijs van La rondine bovendien onmiskenbaar het Parijs van het fin-de-siècle, vol weemoed, pasteltinten, demi-mondaines en onvervulde dromen. Puccini weet daar wonderwel raad mee, ook nog in de uitbundige tweede akte en pas als hij in het derde bedrijf op 'vertrouwd terrein' komt, zakt de compositie in, wellicht omdat de componist de tijd van La Bohème inmiddels twintig jaar achter zich had liggen en muzikaal duidelijk geëvolueerd was in de richting van La fanciulla en Il trittico, waarin hij juist afstand tracht te nemen van enkele tot cliché verworden Italiaanse operatradities.

Voor de productie die de Metropolitan Opera in januari 2009 op het toneel bracht voor Angela Gheorghiu, een fervent voorvechtster van deze opera, verplaatsen regisseur Nicolas Joël en de ontwerpers Ezio Frigerio (decors) en Franca Squarciapina (kostuums) het werk dan ook met succes naar het begin van de 20ste eeuw in een toneelbeeld dat zowel naar het Franse fin-de-siècle als naar Jugendstil en Wiener Secession verwijst, en dirigent Marco Armiliato sluit daarbij aan met de uitspraak dat we bij het luisteren naar dit werk niet zozeer moeten denken aan warmbloedige Italiaanse opera als aan de ongrijpbare wereld in het werk van Arthur Schnitzler. Armiliato dirigeert deze productie ook met duidelijke toewijding, terwijl de enscenering niet alleen een visuele weldaad is, maar ook in ieder detail bewijst dat dit werk ten onrechte nog altijd stiefmoederlijk behandeld wordt.

Bij de solisten gaat de hoofdprijs naar een in alle opzichten hartveroverende Angela Gheorghiu, die sinds haar studio-opname onder Antonio Pappano (EMI 1996), het werk in haar hart gesloten heeft en een ontroerende vertolking geeft van Puccini's nu eens broze, dan juist bijzondere krachtige en opmerkelijk driedimensionaal getekende heldin, over wie zij terecht zegt dat deze meer kleuren op haar palet heeft dan Mimì in La Bohème of Manon Lescaut. Alleen heeft Gheorghiu het soms moeilijk met Puccini's subtiliteit; het is alsof zij het niet goed hebben kan, dat 'haar' aria, 'Il sogno di Doretta', in de opera zelfs voor tweederde door de dichter Prunier gezongen wordt en zodra zij daar de kans krijgt, stort zij zich er dan ook in met een diva-allure die veel te groot is voor een simpele improvisatie.
Ten tijde van de opname waren Gheorghiu en Roberto Alagna gelukkig nog een paar, want ondanks een soms wat grove toonvorming was de Siciliaanse tenor op dat moment nog steeds de juiste keuze voor Ruggero. Puccini's vocale lijnen passen hem als een handschoen, maar daarnaast overtuigt hij ook in zijn spel en dat is in deze rol heel bijzonder, omdat Ruggero toch een naïveteit moet uitstralen die hem bijna ongeloofwaardig maakt. Ook het tweede paartje is uitstekend bezet, met Marius Brencu als een Prunier met precies zoveel stem als voor een 'tweede tenor' in een Italiaanse opera nodig is en Lisette Oropeso als een Lisette die de juiste balans vindt tussen gedienstigheid en vrijpostigheid. Het enige minpuntje is de in stem en spel houterige Samuel Ramey, die absoluut niet overtuigt als een Parijse man van de wereld met zoveel savoir vivre, dat hij zelfs in alle openheid vrienden en kennissen bij zijn maîtresse ontvangt.

De decors van Ezio Frigerio vragen om het scherpst mogelijke beeld met een maximum aan detailtekening en dat krijgen ze in deze HD-opname dan ook. De kleurdefiniëring is daarbij ongekend mooi met het gevolg dat bijvoorbeeld in de overwegend in gedekte tinten gehouden eerste akte de rode jurk van Magda eruit 'knalt' zonder dat de eenheid verstoord wordt. Ik draaide de opname meteen na een live-registratie van het KCO (digitale ontvangst) en de opname uit de Met kwam met zo mogelijk nog meer diepte en helderheid in de balans uit de luidsprekers. De dvd begint met de inleiding van Renée Fleming zoals die indertijd ook in de rechtstreekse uitzending te zien is geweest; haar interviews met de hoofdrolsolisten werden als aparte tracks aan de registratie toegevoegd.

Met La rondine heeft EMI een belangrijke nieuwe titel toegevoegd aan zijn inmiddels indrukwekkende dvd-catalogus, waaruit 35 titel momenteel tegen een lagere prijs verkrijgbaar zijn. Toch iets om in de gaten te houden, want hierbij bevinden zich niet alleen 'populaire' items als twee verschillende uitvoeringen van Donizetti's L'elisir d'amore met beide keren Rolando Villazón in de hoofdrol, maar ook al bijna legendarische opnamen van Orfeo ed Euridice en Alceste van Gluck onder John Eliot Gardiner in de regie van Robert Wilson en de spraakmakende registratie van Lady Macbeth van Mtsensk van Sjostakovitsj met Eva-Maria Westbroek en het KCO onder Mariss Jansons. Daarnaast vinden we diverse opnamen onder leiding van Franz Welser-Möst uit de Züricher Opera, enkele opnamen met Natalie Dessay, waaronder haar bejubelde uitvoeringen van Le Rossignol (Stravinsky) en La Fille du régiment (Donizetti) en Hamlet (Thomas) en last but not least: Felicity Lott in twee hilarische operettes van Offenbach onder Marc Minkowsky: La Belle Hélène en La Grande-Duchesse de Gérolstein.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links