DVD-recensie

Met La bohème terug in de tijd (en naar Oz)

 

© Paul Korenhof, mei 2007

 

Puccini: La bohème

Christina Galliardo-Domás (Mimě), Marcello Giordani (Rodolfo), Elena Mosuc (Musetta), Michael Volle (Marcello), Cheyne Davidson (Schaunard), László Polgár (Colline), Rolf Hamstein (Benoit), Giuseppe Scorsin (Alcindoro), Carl Hieger (Parpignol) e.a., k oor, kinderkoor en orkest van het Opernhaus Zürich.
Dirigent: Franz Welser-Möst.
Regie: Philippe Sireuil.
EMI 3774529
Opname: 3 en 7 juli 2005

Puccini: La bohème

Christina Galliardo-Domás (Mimě), Marcelo Álvarez (Rodolfo), Hei-Kyung Hong (Musetta), Roberto Servile (Marcello), Natale de Carolis (Schaunard), Giovanni Battista Parodi (Colline), Matteo Peirone (Benoit), Angelo Romero (Alcindoro), Alberto Franschina (Parpignol) e.a., koor, kinderkoor en orkest van het Teatro alla Scala te Milaan.
Dirigent: Bruno Bartoletti.
Regie: Franco Zeffirelli.
TDK DV-OPBOH
Opname: februari 2003

Puccini: La bohème

Mirella Freni (Mimě), Gianni Raimondi (Rodolfo), Adriana Martino (Musetta), Rolando Panerai (Marcello), Gianni Maffeo (Schaunard), Ivo Vinco (Colline), Carlo Badioli (Benoit, Alcindoro), Franco Ricciardi (Parpignol) e.a., koor, kinderkoor en orkest van het Teatro alla Scala te Milaan.
Dirigent: Herbert von Karajan.
Regie: Franco Zeffirelli.
DG 00440 073 4071 Opname april-mei 1965

 


De sopraan Christina Galliardo-Domás doet een beetje denken aan de Roemeense Ileana Cotrubas, zowel in zang, spel en uiterlijk als door de positie die de Chileense in de hedendaags operawereld inneemt. Haar timbre is iets donkerder en ook iets minder individueel (zij mist vooral de 'traan in haar stem' die Cotrubas' Mimě zo uniek maakte), maar haar vertolkingen zijn niet minder overtuigend, waarbij zij haar krachtige vibrato een sterk emotionele lading weet te geven. Natuurlijk wordt Mimě voor zo'n zangeres een sleutelrol en Galliardo-Domás heeft haar vertolking uitgebouwd tot een intense ervaring die we ook al eerder op dvd zijn tegengekomen, toen in een registratie uit de Scala met Marcelo Álvarez en onder Bruno Bartoletti (TDK). Die uitvoering bezat misschien iets meer italianitŕ, maar de onderhavige, in juli 2005 vastgelegd in de Opera te Zürich, bezit meer eenheid en daarvoor is toch ook veel te zeggen.

Sterk ensemblespel

Voor de emotionele ervaring maakt het verschil tussen een meer en een minder 'Italiaanse' benadering weinig uit, ook omdat Puccini's muziek gewoon altijd tot haar recht komt. De sterker individueel getinte voordracht van het Scala-ensemble bezit grote overtuigingskracht, maar hoewel zijn orkest niet altijd een idiomatisch Puccini-rubato laat horen, wist Welser-Möst in Zürich een sterkere dramatische intensiteit op te roepen en dat heeft toch ook voordelen. Galliardo-Domás' Mimě klinkt hier iets minder jeugdig dan in Milaan, maar haar 'rijpere' vocalistiek - om het zo maar te noemen - gaat gepaard met meer emotionele diepgang, en parallel daaraan klinkt Marcello Giordani als haar tegenspeler minder jongensachtig dan kort daarvoor Marcelo Álvarez, maar helaas soms ook grover en larmoyanter. Aan de ene kant werkt positief dat de vier bohémiens minder betrokken lijken bij hun persoonlijke prestaties dan bij het drama als geheel, maar meer individualiteit had toch geen kwaad gekund, al moet ik toegeven dat de Hongaarse bas László Polgár een werkelijk ontroerend mooie, vocaal uiterst subtiele Colline neerzet, bijna op het niveau van ooit een Cesare Siepi.

Een tegenvaller vormt daarentegen de Musetta van Elena Mosuc, die van een van Puccini's interessantste karakters te veel een 'gewoon meisje' maakt - waarschijnlijk vooral door de enscenering van Philippe Sireuil, die mij er vermoedelijk niet toe zal verleiden de dvd veelvuldig te bekijken. De eigentijdse aankleding van Vincent Lemaire is eerder saai dan sfeervol en de kostuums van Jorge Jara doen denken aan een eigentijdse versie van The Wizzard of Oz, waarschijnlijk een bewuste keuze, want meer dan eens had ik het gevoel dat Sireuil in zijn regie Mimě-Dorothy bewust plaatste tegenover vier bohémiens die een meer dan toevallige gelijkenis vertoonden met de drie legendarisch geworden metgezellen van Judy Garland. Talloze overbodige details hebben de plaats ingenomen van alles wat maar neigt naar sfeertekening, de tweede akte is - in ieder geval via het beeldscherm - een kleurrijk maar  moeilijk te vatten theatraal gerommel en ronduit ridicuul is het infantiele roze mini-hoedje van Rodolfo.

Technisch is op de productie weinig aan te merken. De mooi rustige beeldregie zou een spannender enscenering waard zijn en de geluidsband met een overtuigende theaterklank (dts en Dolby 5.0) is een extra reden om de surround-installatie te gebruiken. Verder verplicht niemand u de tv aan te zetten en laten we eerlijk zijn: zelfs bij de visueel beste uitgaven wordt het beeld na verloop van tijd overbodig. Bij een goede opera wint de muziek altijd!

Italiaanse emoties

Wat een verschil met de Scala-opname uit februari 2003, die ik daarna maar even gedraaid heb om van de visuele schrik te bekomen. Hier is sprake van een enscenering (een van zijn vele...) van Franco Zeffirelli, die in een filmportret ook nog zelf zijn toelichting mag geven. Hier zien we La bohème in de meest romantisch-sprookjesachtige enscenering die men zich wensen kan en hoe 'moderne theatermakers' daarover ook mogen oordelen, het werkt altijd en het verveelt nooit. Maar belangrijker dan alle mooie plaatjes zijn de dramatische details, die het kleinste element van muziek en handeling duidelijk maken, en die de zangers de kans geven om van hun welbekende personages tot in de finesses uitgewerkte karakters te maken. Wel is de camera helaas iets te veel geďnteresseerd in regiedetails of afzonderlijke personages, waardoor we niet altijd een goed beeld krijgen van Zeffirelli's levendige, bijna magische sfeertekening. Waar die doorbreekt, blijkt deze Italiaanse regisseur ook na vier decennia echter nog steeds de absolute grootmeester, die van Puccini's populairste opera een meeslepend en waar nodig ook altijd weer ontroerend theaterstuk weet te maken. De opname is een beetje dun en de stereospreiding blijkt is ook niet altijd evenwichtig, met tijdens het kinderkoortje in de tweede akte zelfs opeens een verschuiving in de balans die zeker net parallel loopt aan wat er op het toneel gebeurt. Daarnaast gaf het beeld in de derde akte tijdens de scčne van Marcello en Mimě enkele drop-outs te zien (althans op het door mij bekeken exemplaar).

Ook muzikaal prefereer ik uiteindelijk deze twee jaar oudere opname met Galliardo-Domás als een misschien iets minder doorleefde Mimě, maar wel met een al even ontroerende puurheid en jeugdigheid, en hier ook met die 'traan in haar stem' die de vertolkingen van de jonge Scotto en Cotrubas onvergetelijk maakte. Marcelo Álvarez is haar perfecte tegenspeler, mooi van toon en strak van stijl, zonder overbodige snikken en de drie andere bohémiens sluiten daar mooi bij aan, al haalt de Colline hier niet het niveau van László Polgár in Zürich.

Karajan blijft uniek

Een heel ander verhaal is de opname die Karajan en Zeffirelli in 1965 maakten met het Scala-ensemble. Hier betreft het geen live-registratie maar een veertig jaar oude film met alle gevolgen van dien. Het geluid loopt niet volmaakt synchroon, de balans tussen camera en klank laat te wensen over (bijvoorbeeld aan het slot van de eerste akte), het beeld mist de definiëring waaraan we inmiddels gewend zijn geraakt, de montage plakt aktes en zelfs delen daarvan zo dicht op elkaar dat het resultaat niet altijd mooi overkomt en de acteerstijl doet soms een beetje verouderd aan. Dat neemt niet weg dat dit zo ongeveer de interessantste is van alle video-opnamen die van dit werk verkrijgbaar zijn. De DG-uitgave dateert van vorig jaar en is een beetje weggemoffeld, ook omdat Universal het kennelijk niet de moeite waard vindt er vele aandacht aan te (laten) besteden. Hopelijk speelt hier alleen gebrek aan inzicht een rol, want anders moet ik toch aan andere capaciteiten gaan twijfelen...

Hoe het ook zij: dit is zoals dat heet 'een dijk van een Bohčme'. Meteen al bij de eerste maten weet je waar je aan toe bent. In volheid en verzorging van de klank worden meteen alle latere digitale opnamen naar het tweede plan verwezen, en de greep van Karajan op de partituur dwingt je met je oor aan de luidsprekers te blijven hangen. Hier wordt gemusiceerd en gefraseerd op een manier zoals alleen de grootste dirigenten dan kunnen, en hier wordt gelachen, bemind en geleden zoals dat alleen maar mogelijk is bij een dirigent die tot in het diepst van zijn ziel van deze muziek houdt. En hier staat een ensemble zoals dat nu niet meer bijeengebracht kan worden. Alleen al de humor in de stem van Rolando Panerai (waar vind je nog zo'n Marcello?) bij zijn woorden 'Ho pagato le trimestre!', of de detaillering waarmee Gianni Maffei de avonturen van Schaunard beschrijft. Ivo Vinco is natuurlijk een luxebezetting voor Colline (al steekt Pólgar op het punt van legato nog boven hem uit), maar het hele ensemble, tot in de kleinste bijrollen, is van een niveau zoals alleen de Scala dat in de jaren zestig nog kon bijeenbrengen. Goed, Adriana Martino is wat scherper van timbre en daarmee voor mij minder meeslepend dan Hey-Kyung Hong, en het lijkt of ze in haar spel weinig verder komt dan het opvolgen van de aanwijzingen van Zeffirelli. Vooral in de slotscčne is zij niet echt overtuigend, maar ik moet zeggen dat Zeffirelli daar in zijn latere enscenering de zaken ook iets beter in zijn vingers lijkt hebben, ondanks het feit dat veel details in beide producties hetzelfde zijn.

Mirella Freni en Gianni Raimondi

Blijven over: Mirella Freni en Gianni Raimondi. Freni was vanaf haar debuut in die rol (in Amsterdam volgens mij) de vleesgeworden Mimě en zij heeft tot ver in de jaren tachtig haar stempel op die rol gedrukt. Haar stem en haar uiterlijk pasten perfect bij libretto en muziek, en de eenvoud van haar spel zorgde voor een ontroering waaraan al bijna geen acteren meer te pas hoefde te komen. Onvergetelijk voor iedereen die haar in het theater in die rol heeft meegemaakt. Haar Rodolfo hier is de later veel te snel vergeten Gianni Raimondi, uit de belangstelling weggedrukt door Pavarotti, maar tot diens komst de grootste lyrische tenor van Italië met als specialiteiten Arturo (I puritani),Edgardo (Lucia di Lammermoor), Fernando (La favorita) en natuurlijk Rodolfo. En aangezien Pavarotti deze laatste rol meerdere malen heeft kunnen vastleggen (ook in zijn slankere jaren), mogen we blij zijn dat deze opname nog net met Raimondi gemaakt kon worden. Hij past bovendien uitstekend in het ensemble en is in zijn vertolking ook iets strakker, zonder één melodramatisch effectje, ongetwijfeld ook omdat hij zich volledig door Karajan heeft laten leiden.

Wachten op Kleiber

Kort en goed: dit is niet zomaar een uitstekende La bohème, maar dit is een historisch document van onschatbare waarde met een geluidsband die zich ook zonder beeld moeiteloos in de eredivisie kan handhaven, naast de audio-opnamen van Beecham, Serafin en Karajan zelf. Een uitstekend compromis voor wie toch een echte live-uitvoering zoekt, is naast de Scala-opname uit 2003 de opname van februari 1982 uit Covent Garden onder Lamberto Gardelli met in de hoofdrollen Ileana Cotrubas, Marilyn Zschau, Neil Shicoff, Thomas Allen, John Rawnsley (de beste Schaunard van allemaal) en Gwynne Howell. Het wachten is nu nog op wat ik allen maar kan omschrijven als 'de Bohčme aller Bohčmes': de Scala-opname onder Carlos Kleiber uit 1979 met Ileana Cotrubas, Lucia Popp en Luciano Pavarotti. Of die ooit officieel zal uitkomen, blijft natuurlijk de vraag, maar gelukkig had ik toen al een goede videorecorder.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links