DVD-recensie

Don Giovanni in Wenen en Salzburg

 

© Paul Korenhof, oktober 2010

 

 
 
 
 

Mozart: Don Giovanni.

Carlos Alvárez (Don Giovanni), Franz-Josef Selig (Il Commendatore), Adrianne Pieczonska (Donna Anna), Michael Schade (Don Ottavio), Anna Caterina Antonacci (Donna Elvira), Ildebrando D'Arcangelo (Leporello), Angelika Kirchschlager (Zerlina), Lorenzo Regazza (Masetto), Wiener Staatsoper (Theater an der Wien).
Dirigent: Riccardo Muti.
Regie: Roberto De Simone.

Arthaus Musik 107 101

Opname: 1999

 

Mozart: Don Giovanni.

Christopher Maltman (Don Giovanni), Anatoli Kotscherga (Il Commendatore), Annette Dasch (Donna Anna), Matthew Polenzani (Don Ottavio), Dorothea Röschmann (Donna Elvira), Erwin Schrott (Leporello), Ekaterina Siurina (Zerlina), Alex Esposito (Masetto), Wiener Staatsopernchor, Wiener Philharmoniker.
Dirigent: Betrand de Billy.
Regie: Claus Guth.

EuroArts 2072548 (2 dvd's)

Opname: 2008

 

 


Riccardo Muti is eigenwijs, vasthoudend en onbuigzaam, en daarnaast de schrik van moderne regisseurs. Hij staat namelijk niet toe dat het toneelbeeld ook maar op enigerlei wijze van invloed is op de muziek, laat staan op zijn uitvoering. 'Als zangers zingen, moeten ze naar mij kijken' is zijn credo en zelfs Pierre Audi, die vorig seizoen in de Met met Muti een nieuwe productie van Verdi's Attila leidde, moest uiteindelijk zwichten voor een man die weleens 'de primadonna onder de dirigenten' genoemd is. Dat laatste is niet helemaal eerlijk. Enige ijdelheid is Muti niet vreemd, maar één ding staat als een paal boven water: de muziek is voor hem heilig en alles wat hij doet, is voor hem zonder meer de consequentie die hij daaruit moet trekken.
Met dat laatste kun je het mee eens zijn of niet, zoals je ook Muti's Mozart-stijl op punten 'ouderwets' kunt noemen, of in ieder geval van een andere categorie dan de Mozart van René Jacobs, maar ik heb zonder meer bewondering voor de manier waarop Muti in een door regisseurs overheerste operawereld het muzikale vaandel hoog tracht te houden. Waren er maar meer dirigenten zoals hij! Opera is drama, dat bestrijd ik absoluut niet, maar wel een drama waarbij de muziek de spil en de motor is. maar menige moderne regisseur lijkt totaal ongevoelig voor de dramatische kracht van die muziek. Zijn enige zorg lijkt of de toneelbeelden opwindend genoeg zijn en zorgen voor goed gevulde recensies waarin soms de dirigent niet eens genoemd wordt. (Dat laatste kan overigens ook het gevolg kan zijn van gebrek aan deskundigheid bij een recensent of recensente, zoals onlangs in de Volkskrant weer eens gedemonstreerd werd door een juffrouw die over een voorstelling van Die Walküre van de Nationale Reisopera schreef zonder Ed Spanjaard zelfs maar te noemen…)

Trouw aan de partituur
Hoe het ook zij, na de première en het obligate boegeroep vertrekt de regisseur naar zijn volgende lucratieve engagement, maar tijdens de reeks voorstellingen die volgt, staat de dirigent wel iedere avond in de bak, waar hij letterlijk de spil is waar de hele voorstelling om draait. Muti realiseert zich dat terdege en heeft het tot een van de twee uitgangspunten van zijn operawerk gemaakt, nog afgezien van het feit dat hij gewoon weigert avond aan avond naar te naar een toneel waarop zich van alles en nog wat afspeelt dat volgens hem niets met de opera te maken heeft.
Het andere en eigenlijk het eerste uitgangspunt van Muti is zijn trouw aan de partituur, en ook die is bewonderenswaardig, zij het soms ook een beetje rigide. We weten nu eenmaal dat de componisten zelf zich op dit punt vaak wat vrijer opstelden en dat het invullen van versieringen en topnoten in sommige periodes gewoon een traditie was die de componisten niet alleen kenden, maar waar zij ook op rekenden. Dat een ongeschreven 'hoge c' aan het slot van de eerste akte van Puccini's La Bohème daar niet thuis hoort, weet iedereen (behalve sommige tenoren…), maar aan het slot van Manrico's 'Di quella pira' in Il trovatore past die noot helemaal in de traditie van die dagen en we lezen nergens dat Verdi zich daar niet mee kon verenigen.

Muti's voorliefde voor de muziek van Mozart is algemeen bekend, evenals het feit dat zijn benadering ervan nogal verschilt van die van de dirigenten als Gardiner of Jacobs, maar hij weet in ieder geval wel precies waarover het libretto gaat, en aan dat laatste twijfel ik bij Jacobs af en toe wel een beetje. Aan de 'authentieke uitvoeringspraktijk' laat de Italiaanse dirigent zich bovendien weinig gelegen liggen, maar ondanks zijn voorkeur voor een relatief grote orkestklank is de ronkende romantiek van iemand als Furtwängler hem eveneens vreemd. Eerder zie ik hem in het verlengde van de Weense Mozart-traditie van Erich Kleiber, Josef Krips en Karl Böhm, meer dan in het voetspoor van Karajan. Met de laatste heeft hij wel de strakke orkestrale lijnen gemeen, maar Muti blijft toch een Italiaan met een hang naar zang en zangers, die hij soms ook opvallend veel vrijheid weet te geven, zoals we in deze Don Giovanni bijvoorbeeld horen in de ppp-uitgesponnen a-capellafrase halverwege 'Dalla sua pace', of in de dramatische inflecties die hij Anna Caterina Antonacci toestaat.

'Weense Mozart'
Dat brengt mij op deze Don Giovanni die tijdens de Wiener Festwochen 1999 werd opgenomen tijdens een voorstelling van de Weense Staatsopera in het Theater an der Wien. Op en top Weens in opzet dus en dat is Muti een kolfje naar zijn hand. Wenen en Salzburg zijn zoiets als zijn tweede vaderland (het grootste deel van het jaar schijnt hij door te brengen in zijn woning in Anif bij Salzburg) en uit alle blijkt zijn verbondenheid met de Weense Mozart-stijl, waarbij je alleen maar kunt betreuren dat hij niet meer zo'n perfect ingespeeld 'Weens Mozart-ensemble' tot zijn beschikking heeft als we horen in de oude Decca-opname onder Josef Krips. Met de mannen is weinig mis. Zo zet Carlos Alvárez een sonore, dreigende Don Giovanni neer, op en top een Spaanse 'grande', terwijl Ildebrando D'Arcangelo tegenover hem staat als een vocaal en fysiek iets beweeglijker en ook plebejischer Leporello. Jammer alleen dat Muti hun in het begin iets te weinig ruimte geeft om ook het luchtiger element (het is tenslotte een 'dramma giocoso', dus een blijspel!) voldoende tot hun recht te laten komen. Dat lukt beter bij de Masetto van Lorenzo Regazzo, maar de vocale uitblinker bij de heren is vanaf zijn eerste noten Michael Schade als een stilistisch en interpretatief volkomen 'Weense' Don Ottavio, die in zijn frasering meer dan eens doet denken aan een befaamde voorganger als Anton Dermota.

Minder enthousiast ben ik over de dames. Je zou verwachten dat in Wenen inmiddels wel bekend was dat Donna Anna echt niet bezet zou moeten worden met een Wagner-sopraan, zelfs niet met een Verdi-sopraan, maar hier slaat die opvatting weer toe. Misschien speelt hier mee dat Adrianne Pieczonka mij nooit heeft echt kunnen overtuigen, zelfs niet met haar alleszins respectabele Sieglinde in Bayreuth. Ook de dramatiek van Antonacci's Elvira gaat mij iets te ver. Zij is een groot zangeres en als vertolkster boeit zij bij alles wat zij doet, maar al met al wordt Mozarts komedie (hij noemde het zelf een opera buffa) nu wel erg zwaar op de hand, zeker als we daar ook nog het mezzo-timbre van Angelika Kirchschlager bij optellen. Aan de andere kant moet ik daar meteen aan toevoegen dat Kirchschlager wel van meet af aan de lichte toets weet te treffen en met haar charmante Zerlina voor een paar van de betoverendste momenten in deze uitvoering zorgt.

Imposant
Al met al is deze Don Giovanni een muzikaal imposante uitvoering geworden, zij het soms ietwat zwaar aangezet en met ook enkele minder geslaagde momenten, maar zeker wie deze opera wil zien in de romantische traditie met de nadruk op de tegenstelling tussen licht en donker, kan zijn hart hier ophalen. De massieve toneelbeelden van Nicola Rubertelli en de meer op archetypen dan op individuele emoties en luchtige charme gerichte regie van Roberto De Simone sluiten daarbij aan. De aanwezigheid van Muti biedt daarbij de garantie dat het toneelbeeld in ieder geval nooit te 'modern' wordt.

Merkwaardig blijft overigens dat al die regisseurs die ‘oude’ opera’s zo graag herkenbaar en geloofwaardig willen maken voor een modern publiek, met oplossingen komen die soms iedere geloofwaardigheid missen. Tot de extreme voorbeelden die De Nederlandse Opera ons recentelijk heeft voorgeschoteld, behoren Peter Konwitschny’s visie op Salome van Richard Strauss en Christophe Loy’s (gebrek aan) visie op Les Vêpres siciliennes van Giuseppe Verdi. Dat dit twee Duitse regisseurs waren, mag nauwelijks als toeval worden gezien, maar van Konwitschny kan in ieder geval gezegd worden dat zijn benadering consequent was en dat hij in ieder geval technisch een uitstekend product heeft afgeleverd. Loy maakte er daarentegen een rommeltje van met lijnen die niet werden doorgetrokken, vreemde ‘vondsten’ die niets met de kern van zijn concept te maken leken te hebben, grof en soms onsmakelijk effectwerk en zelfs het volledig doorbreken van een dramatische lijn. (Hij zal dat allemaal wel kunnen verantwoorden, maar als een publiek zonder toelichting een voorstelling niet kan begrijpen, is er toch iets goed mis!)

Don Giovanni's lijdensweg
Ook Claus Guth roept in zijn enscenering tijdens de Salzburger Festspiele 2008 vraagtekens op en creëert daarbij zoveel problemen, althans in deze Don Giovanni, dat hij niet eens meer in staat is ze allemaal op te lossen. Dat begint al in de eerste scène, waar we een stadse maar ietwat op drift geraakte Don Giovanni in gezelschap van een licht motorisch gestoorde Leporello aantreffen in een desolaat naaldbomenwoud. Wat zij daar te zoeken hebben, is onduidelijk, waarom zij daar aan het slot van de eerste akte een feest geven eveneens (om over de onlogische combinatie met de 'toneelmuziek in de beide finales maar te zwijgen...).
Even later zien we hier natuurlijk ook een andere Donna Anna dan we gewend zijn: na een eerste vrijpartijtje is zij het die bij herhaling de minder enthousiaste titelheld tot sex tracht te dwingen! Als de Commendatore tussenbeide komt, krijgt hij een flinke klap met een tak op zijn hoofd, maar voordat hij de laatste adem uitblaast, trekt hij een pistool en verwondt zijn tegenstander dodelijk in de maagstreek. Vanaf dat moment beleven we de laatste uren van een rokkenjager die steeds minder zin heeft om op rokken te jaren en uiteindelijk blijkt de Commendatore ook helemaal niet dood (iets waarvan zijn dochter kennelijk niet op de hoogte is...), want aan het slot is hij actief in de weer met een flinke spade om de stervende Don Giovanni onder de groene zoden te werken. Don Giovanni, zwaar gewond, gaat ondertussen met de moed der wanhoop verder met zijn 'werk', hoezeer dat hem ook lijkt tegen te staan (en zijn reacties op Leporello's 'registeraria' spreken op dat punt boekdelen. Zonder zijn trouwe knecht, die hem in alles steunt en meer dan eens ook letterlijk moet ondersteunen, zou hij het einde van de opera ook niet gehaald hebben, en het is duidelijk dat daarmee van Mozart's 'blijspel' (hij noemde het zelf trouwens een 'opera buffa') in deze productie weinig overblijft.

Gebrek aan logica
Voordien zijn we vergast op een lange reeks verrassende en verwarrende wendingen aan het verhaal, van de meer in Giovanni dan in Ottavio geïnteresseerde Anna via een Elvira die haar entree maakt in een bushokje (overigen is nergens in het bos een bus te bekennen) tot een Masetto en Zerlina die tussen de bedrijven door gezellig met Don Giovanni en Leporello een stickie zitten te roken. Dat alles levert wel een totaal andere opera op dan libretto en partituur suggereren en het loopt met de zogenaamde 'dramaturgische logica' af en toe flink fout.

Van Konwitschny's Salome kon je zeggen wat je wilde, maar het regieconcept klopte - het liet alleen een totaal andere opera zien dan in tekst en muziek werd weergegeven. In de eerste akte rammelt het dramaturgisch al aan alle kanten en in de tweede, vanaf het moment waarop een in zijn doodstrijd hallucinerende Don Giovanni zijn 'Deh, vieni alla finestra' zingt, is er eigenlijk geen touw meer aan vast te knopen. Goed, als toeschouwer begrijp je wat je ziet, maar logica en samenhang zijn ver te zoeken. Dat begint al meteen daarna als Masetto niet eens in staat is de stervende Don Giovanni de baas te kunnen.

De grootste vraag blijft echter waarom iedereen maar door dat bos loopt te dwalen, soms op een manier die wel heel erg ver van alle logica verwijderd is. Ik heb niet veel verstand van boerenmeisjes, maar als ik Zerlina daar in haar ondergoed van boom tot boom zie hollen terwijl zij toch moet weten dat Masetto met zijn kompanen op zoek is naar Don Giovanni, ben ik het spoor echt volledig bijster. Tot een verzoening komt het dan overigens niet en het toneelbeeld draait meteen door naar het eerder genoemde bushokje, waar een half ontklede en geblinddoekte Donna Elvira met een sigaret ligt bij te komen van haar avontuurtje met Leporello. Even later verschijnen Don Ottavio en Donna Anna - ook met sigaret - en de eerste helft van het daarop volgende sextet (Zerlina heeft over haar ondergoed inmiddels het colbert van Masetto aangetrokken) heeft veel weg van drie vrouwen die ruziën om dezelfde man tot jaloezie van de aanwezige minnaars. Even later volgt dan het volledig overbodige duetje van Zerlina (nog steeds in ondergoed en colbert) en Leporello, een fragment dat normaal al nergens op slaat en dat muzikaal niet bepaald op het niveau staat van de rest van de opera. De enige rechtvaardiging ligt in het feit dat hier de Weense versie consequent gevolgd wordt, wat niet alleen leidde tot het schrappen van 'Il mio tesoro', maar we moeten het ook stellen zonder het finale-ensemble, waarmee zelfs iedere schijn van een 'happy ending' wordt vermeden. Dat we voordien ook al een kerkhofscène zonder kerkhof, zonder standbeeld en zonder inscriptie hebben gezien, is dan eigenlijk al even logisch als het feit dat Guth deze scène heeft geregisseerd als een hallucinatie van Don Giovanni en een Leporello die het spelletje meespeelt. Op die manier kun je natuurlijk alle problemen oplossen...

Opmerkelijke hoofdrollen
Onder leiding van Bertrand de Billy spelen de Wiener Philharmoniker als een goed geoliede machine die wordt aangejaagd door een straf doortikkende metronoom en je mag de zangers niet kwalijk nemen dat zij in deze weinig inspirerende omgeving niet alles uit hun rol weten te halen. Annette Dasch en Matthew Polanzani zetten een tamelijk mat duo Anna-Ottavio neer, met een ruggegraatloze minnaar die zich er na 'Ah, non mi dir' maar bij neerlegt dat zijn geliefde met een pistool het bos in loopt om een einde aan haar leven te maken (of dat van Don Giovanni?). Hun bijdragen steken echter nog ver uit boven de zonder enige allure gezongen Donna Elvira van Dorothea Röschmann, die bovendien haar grote aria liet transponeren.
Ekaterina Siurina is beter op dreef, maar de regie heeft haar rol wel ontdaan van alles wat maar speels en levenslustig is en dan blijft er van Zerlina niet veel over. Het enige wat deze voorstelling echt de moeite waard maakt, is de vertolking van het duo Don Giovanni-Leporello door Christopher Maltman en Erwin Schrott. Beiden hebben zich met veel vocale en theatrale persoonlijkheid op hun rollen gestort en vooral hun gezamenlijke scènes zijn momenten van groot muziektheater. Ik moet er niet aan denken wat van deze regie zou zijn terechtgekomen zonder hun inzet!

De opname van de Oostenrijkse radio laat de voorstelling muzikaal goed uit de verf komen (pcm, dolby 5.0 en dts), maar drie uur lang tegen boomstammen aankijken wordt op den duur toch wel eentonig. Bovendien is bij het overzetten op de beide dvd's weer niet echt nagedacht over de overgang van de eerste laag naar de tweede. Het gebeurt gelukkig tijdens recitatieven, maar ook dat had niet gehoeven.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links