DVD-recensie

Lehár serieus genomen

 

© Paul Korenhof, juli 2018

 

Lehár: Das Land des Lächelns

Piotr Beczala (Prinz Sou-Chong), Julia Kleiter (Lisa), Rebeca Olvera (Mi), Spencer Lang (Graf Gustav von Pottenstein), Cheyne Davidson (Tschang), Martin Zysset (Overeunuch)
Oper Zürich
Dirigent: Fabio Luisi
Regie: Andreas Homoki
Choreografie: Arturo Gama
Decors: Wolfgang Gussmann
Kostuums: Wolfgang Gussmann, Susana Mendoza
Accentus Music AVV10435 (BD)
Opname: Zürich, juni 2017

 

Met deze opname waande ik mij in een andere wereld, waar een gerenommeerd operagezelschap dat een populaire operette van Franz Lehár op het repertoire neemt met een toptenor in de hoofdrol en met dezelfde aandacht die bij DNO aan 'bijzonder repertoire' geschonken wordt. Kennelijk heeft men in Zürich andere ideeën over programmering dan in Amsterdam, maar Das Land des Lächelns is die aandacht ten volle waard! Het dédain waarmee in Nederland door menigeen op de Duitse operette wordt neergekeken, is een van de ergste vorm van snobisme die maar denkbaar zijn.

Mijn eerste kennismaking met Lehár's operette vond plaats in het begin van de jaren zestig in het Haagse Openluchttheater Zuiderpark. Het moet een uitvoering geweest zijn door een amateurgezelschap, in het Duits gezongen maar met Nederlandse dialogen zoals toen heel gebruikelijk was, en ondanks de wat krakkemikkige voorstelling maakt het werk zoveel indruk, dat ik mij zelfs sommige dialoogflarden nog letterlijk herinner. Maar het sterkste werkte de muziek. Zelfs met de beperkte omvang van het orkest was duidelijk dat deze operette niet ver verwijderd was van bijvoorbeeld de opera's van Puccini die - zoals ik later zou ontdekken - een goede vriend van Lehár was.

Sindsdien geldt Lehár voor mij als de ongekroonde koning van de Duitse operette, pas op een straatlengte afstand gevolgd door Johann Strauss, wel een groot componist, maar een man met ontstellend weinig gevoel voor drama. Zijn Fledermaus is weinig meer dan een toevalstreffer dankzij de combinatie van geniale muziek en een ijzersterk libretto. Van ware muziekdramaturgie is in dat werk nauwelijks sprake en ook uit de muziek van diverse andere componisten, bijvoorbeeld uit die heerlijke Bettelstudent van Millöcker, blijkt meer begrip voor drama dan we bij de Weense walsenkoning aantreffen.

Dat alles neemt niet weg dat menige weldenkende Nederlander - inclusief menige zéér wél denkende muziekcriticus - met onvoorstelbare arrogantie zijn neus ophaalt voor dit genre. Hoe anders is dat kennelijk bij de Oper Zürich, waar Audi's opvolgster Sophie de Lint vandaan komt, en deze productie van Das Land des Lächelns doet weer hopen dat zij met een nieuw beleid gaat komen waarbij zij zich weer meer zal richten op het echte, ooit zo trouwe operapubliek dan dat zij haar oren laat hangen naar het snobisme van enkele 'deskundige' Nederlandse en buitenlandse critici.

Dat de Duitse operette in Zürich serieus wordt genomen, blijkt al uit het feit dat de voorstelling wordt gedirigeerd door chefdirigent Fabio Luisi en geregisseerd door intendant Andrea Homoki, een duo dat de afgelopen jaren heeft laten zien dat hun ideeën over opera en repertoire enigszins verschillen van die van Pierre Audi en Marc Albrecht. Daarbij moet meteen worden vermeld dat het artistieke niveau in Zürich beslist niet onderdoet voor dat van DNO. Het kan dus ook anders!

Natuurlijk zal Das Land Lächelns altijd geassocieerd worden met meedeinen en meewiegen op beroemde melodieën als 'Dein ist mein ganzes Herz', 'Immer nur Lächelns' en 'Wer hat die Liebe uns ins Herz gesenkt', maar wie zich daarop concentreert, hoort slechts een deel van de partituur. Lehár schreef niet alleen voor een groot operaorkest, maar ook in zijn instrumentatie en de geboden mogelijkheden voor kleuring en frasering is Puccini nooit ver weg, zeker niet in deze 'Chinese' operette.

Fabio Luisi voelt dat haarfijn aan en laat de muziek opbloeien met alle instrumentale kwaliteiten en uit zijn genuanceerde frasering blijkt al halverwege de ouverture dat dit beslist geen avondje vol pakkende schlagers op André Rieu-niveau wordt. Hier wordt een Duitse operette een subtiel muziekdrama over een onmogelijke liefde, waarop de regie inhaakt met sterk ingekorte dialogen waardoor de aandacht nog meer op de partituur gevestigd wordt. Een Libelle-achtig, clichématig verhaal in drie bedrijven wordt hier een sterke eenakter met diverse muzikale verrassingen, ook doordat aan sommige bekende momenten een effectieve dramaturgische draai wordt gegeven. Daaraan wordt enkele malen bijgedragen door partituurmaten die bij de traditionele, op evergreens en sentimenten gerichte voorstellingen zelden of nooit te horen zijn.

Homoki vertelt zijn geserreerde, volledig op de hoofdpersonen geconcentreerde versie van het verhaal zonder een spoor van sentimentaliteit in een sobere, geësthetiseerde aankleding waarin ook een moderne Tristan und Isolde mogelijk zou zijn - en wellicht overtuigender dan in de versie die momenteel in Bayreuth te zien is. De toneelbeelden van Wolfgang Gussmann, geïnspireerd op de tijd van ontstaan (rond) combineren de sfeer Weense stadpaleizen met die van een chinoiserie in een Parijse revue (Die lustige Witwe lijkt in deze aankleding niet veer weg). De door Franck Evin subtiel uitgewerkte belichting werkt bijzonder suggestief, terwijl de hele aankleding voortdurend de aandacht concentreert op de personages. Extra kleur krijgt deze strakke voorstelling door een levendig aandeel van het Zürcher ballet in een choreografie van Arturo Gama.

De primus inter pares onder de solisten is de tenor Piotr Beczala als de westers georiënteerde prins Sou-Chong die zich gedwongen ziet te buigen voor oude tradities. Zijn liefde voor dit repertoire belijdt de Poolse tenor in een zang die virieler overkomt dan die van Tauber, en die in helderheid, legatobogen en een tekstgerichte frasering eerder doet denken aan de vele uitstapjes van Fritz Wunderlich in dit repertoire. Zijn zang is wars van effectbejag en gericht op een directe maar ongekunstelde overdracht van zijn emoties. Julia Kleiter geeft hem uitmuntend partij als zijn Europese geliefde, vooral ook met haar stralende hoogte, maar in haar voordracht en zeker in haar tekstbehandeling mis ik het typisch Weense (de 'zarter Schmelz') en het raffinement van zangeressen als Elisabeth Schwrzkopf en Anneliese Rothenberger.

Het naïef opstandige prinsesje Mi is in goede handen bij Rebeca Olvera. Misschien klinkt zij iets te rijp voor een rolletje dat ik altijd graag door lichte, soubrette-achtige sopraan gezongen hoor, maar zij tilt het feministische zusje van Sou-Chong wel leuk boven het operettecliché uit. Opmerkelijk is ook de draai die gegeven wordt aan het laatste bedrijf, waar Mi eerst een tragische ondertoon geeft aan haar 'Meine Liebe, deine Liebe' om tijdens de slotmaten de indruk te wekken dat zij zich minder dan haar broer bij de zaken lijkt neer te leggen. Prima tegenspel krijgt zij daarbij in diverse scènes van Spencer Lang, die de brave Gustl eveneens meer reliëf geeft dan we van de traditionele 'tweede operettetenor' gewend zijn.

De deels door de Oper Zürich zelf geproduceerde uitgave, in klank en beeld tot in de puntjes verzorgd, gaat weer vergezeld van een verre van flodderig dvd-boekje in meerdere talen met naast foto's en een track-indeling ook een toelichting en een interview met Homoki.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links