DVD-recensie

Opera van Stefano Landi cultureel evenement

 

© Paul Korenhof, januari 2009

 

 

Landi: Il Sant'Alessio.

Philippe Jaroussky (Sant'Alessio), Max Emanuel Cencic (Sposa), Alain Buet (Eufemiano), Xavier Sabata (Madre), Damiel Guillon (Curtio), Pascal Beertin (Nuntio), José Lemos (Martio), Luigi De Donato (Demonio), Jean-Paul Bonnevalle (Nutrice) e.a., La Maîtrise de Caen & Les Arts Florissants.
Dirigent: William Christie.
Regie: Benjamin Lazar.

Virgin Classics 5189999 8 (2 dvd's)

Opname: 15 & 18 okt. 2007



Voor ons heeft Monteverdi zich een bijzondere plaats in de geschiedenis veroverd als een van de eerste grote operacomponisten, maar we zijn te snel geneigd hem ook als 'de eerste' te zien, hooguit nog voorafgegaan door Jacopo Peri. In de culturele centra van de Italiaanse renaissance gebeurde echter veel meer en ook aan Monteverdi ging dat niet onopgemerkt voorbij. Zo vonden belangrijkste ontwikkelingen in zijn operastijl niet alleen plaats onder invloed van de muziekcultuur in Venetië, de stad waar hij onder meer L'incoronazione di Poppea com­poneerde, maar ook onder invloed van de ontwikkelingen in Rome, waar al snel na de première van Peri's Dafne een bloeiende ope­racultuur was ontstaan. De grondslag hiervoor werd in 1600 gelegd met La rappresentazione di anima e di corpo van Emilio de Cavalieri (ca 1550-1602).

Het succes van de Rappresentazione die zich door een rijkere instrumentatie onderscheidde van de opera's van Peri en Caccini, leidde tot een reeks geestelijke muziekdrama's en daardoor duurde het tot 1619 eer Stefano Landi (1587-1639) met La morte d'Orfeo de Romeinen voor het eerst een opera op een werelds gegeven kon tonen. Naast Landi was ook Domenico Mazocchi (1597-1647) in Rome werkzaam en van hem kwam het eerste openlijke verzet tegen de in Florence opgestelde voorschriften. In 1626 schreef hij La catena d'Adone, waarin hij de recitatiefstijl afwis­selde met meerstemmige delen. Hiermee had het Romeinse operaleven zich een eigen stijl geschapen, die in 1634 leidde tot het meesterwerk in dit genre: het 'dramma musicale' Il Sant' Alessio van Landi, waarin de strakke Flo­rentijnse vormgeving werd ver­vangen door een rijkdom aan verschillende vormen.

In Rome begon daarmee de vrijheid van de com­ponist om voor iedere scène van zijn opera de muzikale vorm te kiezen die het beste aansloot bij de dramatische inhoud. Dit betekende ook dat het nu mogelijk was om binnen één werk tragische en komische elementen, elk met hun eigen muzikale taal, zowel tegen­over als naast elkaar te plaatsen, een vernieuwing die vooral dankbaar zou worden benut in de Venetiaanse opera.

Ondanks dat begin van muziekdramatische diversiteit is een religieus drama als Il Sant' Alessio naar moderne begrippen weinig 'dramatisch'. Het slot is al bij voorbaat bekend (het verhaal van de heilige Alexius was in Landi's tijd bijzonder populair) en alles wat op het toneel gebeurt is a priori stichtelijk bedoeld. Hetzelfde probleem kende ook het middeleeuws religieuze drama, dat niet zelden in de behoefte aan spanning en amusement voorzag door het inlassen van 'duiveltjes'. Landi's librettist Giulio Rospigliosi (de latere paus Clemens IX) kwam op hetzelfde idee en zowaar: op het moment waarop Il Sant' Alessio dramatisch dreigt in te zakken, betreedt opeens een opperduivel met zijn gevolg het toneel om in welgekozen woorden en met een furieuze dans het publiek zowel de aanlokkelijkheid als het gevaar van de zonde te tonen.

De meeste pogingen om het religieuze drama opnieuw tot leven te brengen, verzandden in het statische, tweedimensionale karakter en het overheersende gevoel van 'saaie braafheid'. Landi's opera blijkt muzikaal afwisselend genoeg om het oor de blijven boeien. Dat dirigent William Christie en regisseur Benjamin Lazar erin slaagden de spanning muzikaal en visueel vast te houden, is zeker voor een deel te danken aan de beslissing ook scenisch zo authentiek mogelijk te zijn. Niet alleen zien we een traditioneel renaissancistisch decor met de bekende poortjes en balkonnetjes, maar een groot deel van de sfeer in deze productie is te danken aan een 'authentieke' belichting door uitsluitend (?) kaarsen en fakkels!

Bij zo'n vormgeving past geen moderne acteerstijl, maar als het spel op de moderne kijker ouderwets-overdreven overkomt, kan dat de hele uitvoering naar beneden halen. De oplossing werd door Lazar gevonden in een voor ons duidelijk als 'antiek' herkenbare gebarentaal met veel nadruk op arm- hand- en vingerbewegingen, maar met een stilering en een aandacht voor soberheid en beeldverhoudingen die toch modern overkomen. Het decor, de warme belichting en het feit dat bij de cameravoering tamelijk consequent een frontale opstelling gekozen werd, doen de rest, maar de samenstellers hebben gelijk als zij in de openingsbeelden aanraden om de huiskamerverlichting aan de toneelbelichting aan te passen. Niet dat we meteen zelf ook in het kaarslicht moeten gaan zitten, maar een gedempte verlichting verhoogt zeker de sfeer!

Authentiek is natuurlijk ook de bezetting met louter mannenstemmen (in het pauselijke Rome waren vrouwen op het toneel verboden), waarvoor Christie enkele voortreffelijke countertenoren bijeenbracht. Een probleem bij dit soort stichtelijke werken is altijd, dat de brave en voorbeeldige hoofdpersoon automatisch een saaie, tweedimensionale figuur wordt en zelfs de inzet en de vocale kwaliteiten van Philippe Jaroussky kunnen daaraan weinig veranderen. Dramaturgisch interessanter worden zijn beide ouders, prima rollen van Alain Buet en Xavier Sabata, maar ik kan me voorstellen dat de belangstelling van het toenmalige publiek vooral uitging naar de Demonio ('Duivel') van Luigi De Donato en de twee schelmse pages van Damien Guillon en José Lemos. Maar de grootste ontdekking van dit werk is toch de muzikale kwaliteit.

Landi was geen Monteverdi, maar het scheelt toch echt niet zoveel en mede dankzij het enthousiasme van William Christie en twaalf leden van Les Arts Florisssants is deze uitgave een verrassing van de eerste orde geworden. De technische verzorging is voorbeeldig en de getemperde kleuren van deze 'voorstelling bij kaarslicht' werken op diverse punten ook nog eens heel verhelderend, bijvoorbeeld bij de interpretatie van het kleurenspectrum op schilderijen uit die periode. Toch vraag ik me af of voor deze opname niet stiekem hier en daar toch wat elektriciteit gebruikt werd. Zowel bij de (half)totalen als in de close-ups valt steeds weer op dat de belichting zo mooi gelijkmatig is...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links