DVD-recensie

Kleurrijke Lucia uit Genua

 

© Paul Korenhof, juli 2011

 

 

Donizetti: Lucia di Lammermoor

Roberto Frontali (Enrico), Stefania Bonfadelli (Lucia), Marcelo Álvarez (Edgardo), Cristiano Olivieri (Arturo), Mirco Palazzi (Raimondo), Maria Castelli (Alisa), Giovanni Maini (Normanno), Teatro Carlo Felice
Dirigent: Patrick Fournillier
Regie: Graham Vick

Arthaus Musik 107 215

Opname: Genua, juni 2003

 


In januari 2000 zong de jonge en nog volstrekt onbekende Stefania Bonfadelli bij Opera in Ahoy' de hoofdrol in Verdi's La traviata. Haar presentatie was pril maar overtuigend, haar stem en vocalistiek waren veelbelovend en wat haar interpretatie nog aan diepte te kort kwam, vergoedde zij ruimschoots met haar natuurlijke charme. Twee jaar later vertolkte zij dezelfde rol in de regie van Franco Zeffirelli in het intieme theatertje van Busseto, een voorstelling die eveneens op dvd werd vastgelegd, en bij die gelegenheid leek zij inderdaad aan het begin van een grote carrière te staan.
Tijdens Bonfadelli's optreden in Nederland had ik regelmatig contact met haar en zij beleed toen vol overtuiging haar voorliefde voor het belcanto van Bellini en Donizetti met rollen in La sonnambula, I puritani, L'elisir d'amore en Lucia di Lammermoor die haar inderdaad op het lijf geschreven leken. Mijn verwachtingen waren dus hoog gespannen toen er een opname op de markt kwam van een voorstelling die in juni 2003 was vastgelegd in het Teatro Carlo Felice in Genua en toen de eerste kennismaking mij een beetje tegenviel, weet ik dat vooral aan het feit dat ik er wellicht te veel van verwachtte.

Nu diezelfde opname opnieuw is uitgebracht door Arthaus Musik Musik, ben ik positiever gestemd, maar dat wil niet zeggen dat mijn verwachtingen zijn waargemaakt. De rol van de in het nauw gedreven en aan waanzin ten prooi vallende Lucia past haar als een handschoen, zeker in de regie van Graham Vick, die aan de eigenlijke plot een navrante ondertoon toevoegt doordat in zijn enscenering Enrico zich op incestueuze wijze tot zijn zuster aangetrokken voelt. Het duet van broer en zus in het derde tafereel wordt hier dan ook gekenmerkt door een sterke dramatiek, niet in het minst door het suggestieve spel van Roberto Frontali, een enigszins dun getimbreerde maar geroutineerde bariton met een frasering die zijn rol sterke contouren verleent.
In dezelfde scène revancheert Bonfadelli zich voor de daaraan voorafgaande fonteinscène, waarin zij wel de breekbaarheid en de lyriek van Lucia wits te treffen, maar waarin zij technisch niet helemaal opgewassen leek tegen Donizetti's vocale eisen, waarbij zij vooral moeite heeft met alles wat maar neigt naar een triller (onvoldoende ingezongen?). Ook de daarop volgende scène staat op hoog niveau, mede dankzij de technisch en stilistisch uitmuntende Raimondo van de bas Mirco Palazzi. In de waanzinscène lijkt Bonfadelli vocaal helemaal op dreef gekomen, maar daarnaast ontplooit zij ook een intensiteit die zorgt voor een vertolking vol dramatische overtuigingskracht.

Tegen die tijd was ik echter wel weer tot de conclusie gekomen, dat we hier weer eens geconfronteerd worden met het grote manco van het hedendaagse operatoneel: het gebrek aan dirigenten die theaterervaring combineren met kennis van bel canto, en die de stilistische kenmerken daarvan ook de solisten weten over te dragen. Op de orkestbehandeling van Patrick Fournillier is weinig aan te merken en de samenwerking tussen orkestbak en toneel verloopt probleemloos, maar voortdurend had ik het gevoel dat de zangers stilistisch hun eigen weg moesten zoeken. Dat komt onder meer tot uiting in de Edgardo van Marcelo Álvarez, die vocaal lijkt weggelopen uit La forza del destino of La Gioconda. Hij is een uitstekende zanger, maar zonder de verfijning die past bij de Italiaanse opera uit de eerste helft van de 19de eeuw. Het kennelijke gebrek aan theatergevoel van de dirigent blijkt misschien nog duidelijker uit de kleurloze invulling van Alisa, Arturo en Normanno. Carlo Maria Giulini dreigde ooit uit een productie van Rigoletto weg te lopen omdat de zanger van Marullo niet aan zijn verwachtingen kon voldoen, maar voor veel hedendaagse dirigenten lijken de bijrollen een 'quantité négligeable'.

Ook Graham Vick lijkt zich in zijn regie op de hoofdrollen te concentreren en daardoor is hij er kennelijk niet in geslaagd een Italiaans operakoor duidelijk te maken, dat het op het toneel een rol speelt. Vooral tijdens de aria van Raimondo wordt duidelijk dat sommige heren uit het koor niet met hun gedachten bij het drama zijn dat door de intens zingende Mirco Palazzi aan hen ontvouwd wordt.
Ondanks enige 'vondsten' waarover Donizetti zich verbaasd zou hebben, schildert Vick het drama verder op redelijk traditionele wijze en ook in hun kostumering passen de personages in de historische achtergrond zoals we die kennen uit The Bride of Lammermoor van Sir Walter Scott. De decors, kleurrijker dan meestal het geval is bij een voorstelling van deze opera, die zich meestal afspeelt tussen ruïnes, zompige moerassen en mistige wouden, lijken vooral bedoeld om de psychologie van de personages met sfeerbeelden te accenturen, iets waar ontwerper Paul Brown zeker ook in geslaagd is. Belangrijk hulpmiddel daarbij vormen zijn schuifwanden die soms voor uitermate fraaie doorkijkjes zorgen, onder meer aan het begin van het derde tafereel, waar Lucia zich in een totaal andere wereld bevindt dan haar broer Enrico. Brown trekt die lijn door in de waanzinscène, die Lucia eveneens toont in een eigen wereld, vol rode bloemen. Een mooi beeld.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links