DVD-recensie

Verrassende Donizetti-première

 

© Paul Korenhof, oktober 2019

 

Donizetti: Enrico di Borgogna
Anna Bonitatibus (Enrico), Francesco Castoro (Pietro), Sonia Ganassi (Elisa), Levy Sekgapane (Guido), Luca Tittoto (Gilberto), Lorenzo Barbieri (Brunone), Matteo Mezzaro (Nicola), Federica Vitali (Geltrude)
Coro Donizetti Opera
Academia Montis Regalis
Dirigent: Alessandro De Marchi
Regie: Silvia Paoli
Decors: Andrea Belli
Kostuums: Valeria Donata Bertella
Dynamic 57833 (BD)
Opname: Bergamo, Teatro Sociale, 23 en 25 november, 1 december 2018

 

Hier had ik nou graag bij willen zijn: de eerste opera van Donizetti die het toneel bereikte, vergeten tot het werk in 2012 in Zweden onder het stof vandaan werd gehaald, en precies twee eeuwen na de wereldpremière schitterend op het toneel gezet tijdens het Donizetti Festival in Bergamo. Dirigent Alessandro De Marchi en de op authentieke instrumenten spelende Academia Montis Regalis maakten er een muzikaal feest van, de bezetting scoorde op alle punten bijzonder hoog en de enscenering was een schitterend uitgewerkte trouvaille. Wat wil een operaliefhebber nog meer? (Zo'n uitvoering in Nederland, denk ik dan stiekem, maar dat onderwerp zullen we hier maar laten rusten.)

Enrico di Borgogna was Donizetti's vierde opera, maar de eerste die werd opgevoerd.*) Het libretto was geschreven door de eveneens uit Bergamo afkomstige Bartolomeo Merelli die toen naam begon te maken als librettist en impresario, en die vijftien jaar later aan de wieg zou staan bij Verdi's Nabucco . De première op 14 november 1818 in het Teatro San Luca in Venetië was geen succes omdat het publiek vooral kwam om het door de familie Vendramin geheel vernieuwde theater te bewonderen. Al na drie voorstellingen viel het doek, maar de componist nam de partituur mee naar zijn vaderstad en daar werd het werk op 26 december 1818 met vrijwel dezelfde solisten opnieuw opgevoerd, nu met iets meer succes. Plaats van handeling: hetzelfde Teatro Sociale waar het werk precies twee eeuwen later opnieuw ten tonele zou komen.

Het verhaaltje is er een van dertien in een dozijn, losjes gebaseerd op Der Graf von Burgund van August von Kotzebue. De kern ervan is een typische operadriehoek over twee mannen en een vrouw. De titelheld, Enrico, is de tijdig door twee getrouwen in veiligheid gebrachte zoon van een vermoorde vorst en zijn rivaal Guido de op de troon terechtgekomen zoon van de moordenaar. Tussen hen in staat Elisa als de bekende schone maagd die natuurlijk verliefd is op Enrico, maar tot een huwelijk wordt gedwongen door de perfide Guido (die overigens diens neef is: evenals Shakespeare's Hamlet was het toneelstuk van Kotzebue gebaseerd op een broedermoord). Voor de komische noot in deze 'opera semiseria' zorgt de onvermijdelijke buffobas die hier de rol kreeg toebedeeld van de hofnar Gilberto, nu in dienst bij Guido, maar heimelijk trouw gebleven aan Enrico.

Toneel op toneel
De enscenering van Silvia Paoli is een ware vondst! Op het toneel van het uit 1809 daterende Teatro Sociale zien we een toneeltje nagebouwd op een draaitoneel, zodat we ook tussen de coulissen en achter het toneel kunnen kijken. (In Pagliacci bij DNO was vorige maand overigens hetzelfde procedé gebruikt maar in mindere mate uitgewerkt). De tijd van handeling is 1818 en we zien tijdens de ouverture een impresario die met zijn gezelschap Enrico di Borgogna repeteert. Kleine complicatie: de vertolkster van Enrico is niet komen opdagen en dus wordt de garderobejuffrouw tot Enrico gebombardeerd.

Vanaf dat moment tot de slotmaat toe lopen er twee stukken door elkaar: de opera Enrico di Borgogna en alles wat zich in een theater aan intriges, naijver en primadonnagedrag achter het toneel afspeelt. Dat maakt niet alleen het clichématige van het verhaaltje acceptabel, maar met een situering in 1818 is er ook geen 'actualisering' nodig. Integendeel: het toneelbeeld zelf kan zo 'authentiek' zijn als maar mogelijk is, inclusief tweedimensionale coulissen en requisieten. Het publiek dat vorig jaar in Bergamo de voorstelling bijwoonde, zag zelfs voortdurend de personages van Enrico di Borgogna aan de zijkanten het toneel-op-het-toneel opkomen en afgaan, een effect dat de camera ons natuurlijk slechts af en toe kan laten zien.

Dat alles maakt enerzijds de illusie van een voorstelling ten tijde van Rossini en de jonge Donizetti compleet, terwijl het anderzijds alle zwakheden toedekt onder het mom 'het is toch maar theater'. Dat deze opzet hier zo goed werkt, ook thuis op het beeldscherm, is te danken aan de zorg die Silvia Paoli aan het geheel besteed heeft en de tot in de kleinste details uitgewerkte personenregie. In combinatie met de hele visuele ambiance verleent die zorg de productie een enorme charme waarvoor ik mij ruim twee en een half uur lang met het grootste genoegen gewonnen gaf.

Dat ook de partituur, vooral in de opbouw en de ensembles, doortrokken is van de adem van Rossini, op dat moment de grote man van de Italiaanse operawereld, spreekt voor zich, maar in de aria's en soms ook in de duetten horen toch al Donizetti's eigen stem. Soms zelfs heel duidelijk, zoals in Enrico's cavatine 'Care aurette che spiegate', waarin Anna Bolena's 'Al dolce guidami' haar opwachting maakt, of in het duet met Pietro kort daarna, waarin al een flard Roberto Devereux te horen is.

Jonge zangers
De meest 'rossiniaanse' rol in deze opera is die van de vileine Guido, een virtuoze tenorpartij die lijkt weggelopen uit een opera als Semiramide of La donna del lago, en die hier virtuoos wordt neergezet door de Zuid-Afrikaanse tenor Levy Sekgapane, bejubeld winnaar van het Belvedère Concours 2015. De tenorrol van Pietro, Enrico's redder die zich met zijn 'pleegkind' als herder heeft teruggetrokken, is met zijn langere lijnen al meer 'donizettiaans' van karakter. Met zijn warmere timbre, een prachtige hoogte en een goed gevoel voor frasering blijkt de al even jonge Francesco Castoro (debuut 2016) vocaal geknipt voor die partij, waarin hij bovendien opvalt als een uitmuntend acteur die aan een klein gebaar al genoeg heeft.

Eveneens duidelijk 'donizettiaans' is Gilberto, de eerste van een reeks bufforollen waarin de componist komedie zou mengen met een vleugje melancholie, en die een hoogtepunt zou vinden in Don Pasquale. De invulling door Luca Tittoto (debuut 2006), een jonge bas met prachtig materiaal en de techniek voor het belcantorepertoire, blijkt even voorbeeldig als veelbelovend - en wederom werd ik getroffen door een goed ontwikkeld acteertalent. Bij deze voorstelling is werkelijk met bijzonder veel inzicht gecast!

Het aanstormende talent bij de vrouwenstemmen is de jonge Federica Vitali die al snel na haar debuut in 2010 in Italië naam begon te maken in rollen als Micaëla, Musetta en Mimì, Desdemona en Liù. Hoewel haar rol als Elisa's hofdame bescheiden is, kan ik het mij wel voorstellen: mede door haar ietwat donker getinte lyrische sopraan spatten haar recitatieven het scherm af. Elisa zelf is in uitstekende handen bij Sonia Ganassi, een ervaren mezzosopraan die zich merkbaar amuseert met haar dubbelrol van prima donna en parodie op een prima donna. Haar cavatine in het eerste bedrijf en het daarop volgende duet met Guido zijn Italiaans melodramma op het hoogste niveau.

Een andere gerenommeerde mezzosopraan, Anna Bonitatibus, is hier perfect op haar plaats in de travestierol van Enrico. Na een mooi genuanceerd recitatief vormt haar met romige tonen doortrokken openingscavatine een ware verrukking, en dat is waar Anna Bolena om de hoek kwam. Haar virtuoze finale aan het slot met een rondo dat in tekst en muziek verwijst naar Rossini's Cenerentola zorgt voor een stilistisch perfecte afronding van deze uitvoering. In de twee uur daartussen beheerst Bonitatibus al haar scènes met het grootste gemak met als vocaal hoogtepunt haar duet met Elisa, waarin haar donkerder timbre mooi contrasteert met de iets lichtere stem van Ganassi.

Het koor uit Bergamo levert een goede zij het niet geheel vlekkeloze bijdrage, maar de 'authentieke' klank van de Accademia Montis Regalis harmonieert prachtig met de in dubbel opzicht 'historische' toneelbeelden. De opname zelf munt uit door een cameravoering die perfect inspeelt op de enscenering en zeker bij de weergave via de Blue-ray Disc biedt deze uitgave operagenot op een niveau dat we in het theater helaas maar zelden in dit repertoire meemaken.

_________________
*) Il Pigmalione uit 1816 bereikte pas op 13 oktober 1960 het toneel (Teatro Donizetti, Bergamo), maar noch van L'Ira d'Achille noch van L'Olimpiade, beide uit 1817, heb ik een uitvoering kunnen vinden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links