DVD-recensie

 

© Paul Korenhof, januari 2024

 

Delibes: Lakmé

Sabine Devieilhe (Lakmé), Frédérique Antoun (Gérald), Stéphane Degout (Nilakantha), Ambroisine Bré (Mallika), Philippe Estèphe (Frédéric), Elisabeth Boudreault (Ellen), Marielou Jacquard (Rose), Mireille Delunsch (Mistress Bentson), François Rougier (Hadji)
Orchestre & Choeur Pygmalion
Dirigent: Raphaël Pichon
Regie en kostuums: Laurent Pelly
Decor: Camille Dugas
Naxos NBD0177V (BD)
Opname: Parijs, 4 & 6 okt. 2022

 

Iedere operaliefhebber kent de 'klokjesaria' van Lakmé, de tenoraria 'Fantaisie aux divins mensonges' (soms aangeduid, ook door Naxos, met het recitatief 'Prendre le dessin d'un bijou') doet daar in populariteit weinig voor onder en het duet van Lakmé en Mallika 'Sous le dôme épais' is een 'hit' in de wereld van de tv-reclame. Tussen de Haagse première op 21 december 1885 (titelrol: Mlle Villaume) en 1920 heeft het werk ongeveer 35 keer op het repertoire gestaan bij zowel het Théâtre Français als de Nederlandsche Opera in Amsterdam, en daarnaast is het op plaat en cd vertegenwoordigd met complete opnamen van onder anderen Mado Robin, Mady Mesplé, Joan Sutherland, Ruth Welting en Nathalie Dessay.

In de wereld van de Franse opera was Lakmé al snel na de première in 1883 uitgegroeid tot een van populairste Franse opera's uit de 19de eeuw, dat in Parijs steevast op het repertoire wordt genomen zodra zich een virtuoze Franse coloratuursopraan aandient. Franse theaters buiten Parijs laten zich evenmin onbetuigd en in Luik was het werk vijftien maanden geleden nog te zien met de Belgische sopraan Jodie Devos in de titelrol. Desondanks is Delibes populairste opera in Nederland al ruim een eeuw niet meer te zien geweest; verder dan één enkele concertante uitvoering met Sumi Jo in 2001 is de arme Lakmé al die tijd in ons land niet gekomen.

Al met al was het voorspelbaar dat de Parijse theaterwereld zich om Lakmé zou bekommeren na het aantreden van de nu 38 jaar oude Sabine Devieilhe en gelukkig ging de Opéra Comique, waar het werk op 14 april 1883 in première was gegaan, met de eer strijken. Gelukkig, want zoals ik uit ervaring weet, komt Delibes' partituur het beste tot zijn recht in een klein of middelgroot theater waar de tekst goed verstaanbaar is en details in de kleuring van de zangers optimaal tot hun recht kunnen komen.

Het prettige daarbij is dat bij een videoregistratie uit de Opéra Comique niet met de klank gemanipuleerd of zelfs geknoeid hoefde te worden, iets wat tegenwoordig ook gebeurt in akoestisch problematische theaters als dat aan het Amsterdamse Waterlooplein). We horen hier stemmen en orkest in een natuurlijke balans en in een intieme maar heldere theateratmosfeer, maar belangrijker is de uitwerking van die ambiance op de zangers. Evenals in Bayreuth voelen zangers in die zaal de akoestiek zodanig aan en horen zij hun eigen stemklank zo goed terugkomen, dat zij vanzelf komen tot een volledig ontspannen zang zonder enige vocale krachtpatserij.

Hier resulteert dat in een fraai gekleurde, vocaal evenwichtige titelrol van Devieilhe, helder en verstaanbaar gezongen in een sfeer van intimiteit. In de 'klokjesaria hoorde ik van Mesplé en Dessay hier en daar een scherpere articulatie van de coloraturen (Devieilhe neemt soms zelfs haar toevlucht tot een incidenteel glissando), maar zij moeten in hun opvolgster hun meerdere erkennen op het punt van tekstbehandeling en frasering. Mede door de regie van Laurent Pelly zijn de emotionele aspecten meer dan de vocale virtuositeit drijvende elementen in dit wat simpele, bijna clichématige drama en de meisjesachtige vertolking van Devieilhe sluit daar prachtig bij aan.

Ook haar tegenspeler, de tenor Frédéric Antoun als de Engelse officier Gérald, profiteert van Pelly's benadering. Zijn timbre is minder gepolijst dan dat van sommige voorgangers en zijn zang mist iets van hun vloeiende lyriek, terwijl zijn hoogte, zonder de fraaie Franse 'voix mixte', merkbaar gespannen is. Dat alles wordt echter goeddeels gecompenseerd door zijn inzet en de in zijn zang hoorbare hartstocht, waardoor de toch wat wereldvreemde Gérald meer karakter krijgt dan anders.

Aan karakter is totaal geen gebrek in de vertolking van Stéphane Degout, die de hogepriester Nilakantha neerzet als een fanaticus zonder enige consideratie met zijn dochter. Een echte basse chantante is hij niet, daarvoor is zijn timbre iets te licht, maar juist in de wat kleinere Opéra Comique blijkt dat geen probleem. Uitstekende bijdragen komen daarnaast vooral van de twee vertrouwelingen van Lakmé, de mezzosopraan Ambroisine Brée als haar dienares Mallika en de tenor François Rougier als de toegewijde Hadji.

Pluspunt van deze productie is de terugkeer naar de originele versie met gesproken dialogen zoals die in 1883 in première was gegaan, en die later door Delibes' werd vervangen door een versie zonder dialogen. Ook de inzet van het door Raphaël Pichon met verve geleid ensemble Pygmalion met een 'authentiek' instrumentarium zorgt voor een soms verrassend, minder 'geromantiseerd' klankbeeld. Enige moeite heb ik echter met de enscenering van Laurent Pelly die karikaturaal Brits kolonialisme mengt met een erg witte fantasiewereld die wel Aziatisch aandoet, maar in het kader van de huidige 'woke-frustraties' niet concreet geduid kan worden. Op zich niet zo'n probleem, ware het niet dat Camille Dugas daarbij aansluit met een wel erg kleur- en fantasieloos toneelbeeld dat soms doet denken aan grote, vale kartonnen flappen. Bij de marktscènes in het tweede bedrijf vraagt de muziek echt om meer kleur!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links