DVD-recensie

Mélisande op de bank

 

© Paul Korenhof, april 2020

 

Debussy: Pelléas et Mélisande

Corinne Winters (Mélisande), Yvonne Naef (Geneviève), Jacques Imbrailo (Pelléas), Kyle Ketelsen (Golaud), Brindley Sherratt (Arkel), Damien Göritz (Yniold)
Koor van de Oper Zürich
Philharmonia Zürich
Dirigent: Alain Altinoglu
Regie en toneelbeeld: Dmitri Tcherniakov
Kostuums: Elena Zaytseva
Licht: Gled Filshtinsky
Bel Air BA0157
Opname: Zürich, mei 2016

 

Is Pelléas et Mélisande sowieso al een intrigerende opera, de productie die in 2016 in Zürich werd opgenomen doet daar nog een schepje bovenop - en niet alleen door een visueel ijzersterke enscenering die muziekdramatisch de plank echter volledig misslaat (althans naar mijn mening). Ondanks een totaal on-Franse uitvoering werd het muzikaal namelijk eveneens een ijzersterke productie met een solistenteam waarvoor ik alleen maar de grootste bewondering kan opbrengen. De wonderen zijn de wereld niet uti!

De eeuwige fascinatie van Pelléas et Mélisande ligt natuurlijk in de ongrijpbaarheid van zowel de tekst van Maeterlinck als de muziek van Debussy. Niets is concreet, alles blijft vaag en evenals Golaud voelt de toeschouwer zich vanaf het eerste moment 'perdu dans cette forêt', verdwaald in een leven waarin iedere schijnbare concretisering als symbool opgevat kan worden. In het koninkrijk Allemonde (de naam alleen al!) lijkt iedereen verdwaald en worden hooguit de symbolen bij name genoemd.

Uiteindelijk voel je als toeschouwer steeds sterker mee met de verlengens van Pelléas, die voortdurend weg wil over de constant op de achtergrond aanwezige zee. Onduidelijk is of zijn liefde voor de mysterieuze Mélisande of toch zijn eeuwige besluiteloosheid hem tegenhoudt, maar weggaan is er niet bij. Daden worden in Allemonde niet gesteld en knopen worden niet doorgehakt - met uitzondering van die ene impulsieve daad van Golaud als hij Pelléas en Mélisande in een eerste, maar nog altijd niet echt concrete omhelzing aantreft.

Prima la scena . . .
Een regisseur die alle symbolen en vaagheden concretiseert, komt onherroepelijk in conflict met tekst en muziek, al kan een toeschouwer die geen Frans verstaat en de boventiteling niet meeleest, de veelduidige poëzie van Maeterlinck nog naast zich neerleggen. Een botsing van een toneelbeeld dat niets te raden overlaat, met Debussy's van sfeer doortrokken partituur is echter onvermijdelijk. En dat laatste wordt funest als daarbij kilheid en afstandelijkheid overheersen, zoals vorig jaar in de enscenering van Olivier Py bij DNO.

Het grootste probleem met de enscenering van Py was echter, dat de Franse regisseur pretendeerde ons het verhaal van Pelléas en Mélisande voor te zetten. Die fout maakte Dmitri Tcherniakov in Zürich niet. Hij promoveerde Golaud tot hoofdpersoon en maakte van hem een psychiater of psychotherapeut met - afgaande op de villa waarin het geheel zich afspeelt - een zeer goed lopende praktijk. Dat Debussy's opera de muzikale achtergrond wordt bij een verhaal dat daar niets meer mee te maken heeft, moeten we maar op de koop toe nemen.

De dramatiek ontwikkelt zich in deze enscenering vooral uit het feit dat dokter Golaud het met de medische ethiek niet zo nauw neemt. Het begint er al mee dat hij zijn patiënten niet alleen 'aan huis' behandelt, maar ook 'in huis', dus zonder afgescheiden praktijkruimte. Een van die patiënten is trouwens de vader van Pelléas, die aan het slot van het derde bedrijf als 'ontsnapte patiënt' door de huiskamer loopt totdat hij door een verpleegster wordt teruggehaald.

Onder de patiënten bevindt zich daarnaast een jong meisje met een ietwat alternatieve levensstijl dat kennelijk de weg is kwijtgeraakt. Dokter Golaud gaat echter in de fout door niet alleen met dat meisje te trouwen, maar door ook nog eens slordig om te gaan met haar privacy. Zijn huisgenoten hebben zelfs geen app nodig om gegevens te verzamelen; zij kunnen de opnamen van zijn sessies met Mélisande naar hartelust in de huiskamer bekijken op de grote widescreen televisie (in HD natuurlijk).

Zo zien we aan het begin van het tweede bedrijf Pelléas aandachtig met zo'n opname in de weer tot Mélisande in een gezellig speelpakje de kamer binnenkomt. Daarop lijkt hij het werk van zijn broer voort te zetten en ook dat roept vraagtekens op. Is Pelléas de assistent of zelfs collega van Golaud? Of gaat hij zijn boekje te buiten als hij Mélisande onder hypnose brengt, en haar vervolgens ongegeneerd in zijn armen sluit als zij bij het ontwaken een inzinking krijgt?

Nog vreemder wordt de 'torenscène' (7de tafereel) waarin Golaud en Yniold eerst afzonderlijk en dan samen Pelléas en Mélisande afluisteren, en waarin het uiteindelijk lijkt of de beide broers daar een spelletje met Mélisande spelen. (Wat moeten we trouwens aan met Golaud's waarschuwing dat Mélisande uit het raam kan vallen, als zij midden in de kamer op de vloer zit? Gelukkig zet hij haar daarna op een stoel. Kan zij niet meer vallen!) Daarna gaan de beide broers lacherig een potje stoeien en als ik het goed begrijp, vraagt Golaud op een gegeven moment aan Pelléas of hij iets voelt voor een triootje. Geen wonder dat Arkel zich later aan haar probeert te vergrijpen. Het zit gewoon in de familie!

Yniold volgt eveneens met interesse de behandeling van Mélisande, waarbij je je afvraagt of deze aankomende puber daarbij misschien ook nog andere interesses heeft. Of oefent hij al voor psychiater? Duidelijk is wel dat hij tijdens de felle discussie tussen Golaud en Mélisande over de ring slechts doet alsof hij ligt te slapen. Zijn scène met de herder, hier de geestelijk verwarde vader van Pelléas, blijkt eveneens een soort sessie waarin zoonlief als pseudo-psychiater een patiënt van zijn vader in behandeling neemt. De logica ontgaat mij, maar dat zal wel aan mij liggen.

Een ander punt is dat Yniold hier veel te oud is voor de kinderlijke teksten die Maeterlinck hem in de mond legt. Of is er misschien bij de hele familie een draadje los? Zo ongeveer het hele huis kijkt trouwens rustig toe als Golaud Mélisande zo hevig afranselt dat zij niet meer kan opstaan. En als Golaud zijn gram heeft gehaald, loopt iedereen rustig weg zonder de kreunende Mélisande één blik waardig te keuren. Logica? Dat hoeven we niet te verwachten bij een enscenering waarin Pelléas in een helder verlichte kamer aan Mélisande vraagt: "Ben jij dat, Mélisande?"

Van een moord is hier in het vierde bedrijf overigens geen sprake. Pelléas rolt zijn koffer de tuin in en gaat gaat gewoon op reis (eindelijk - al gaat hetwel tegen het werk in). Mélisande's 'Je n'ai pas de courage' betekent vervolgens dat zij tegen de naderende bevalling opziet, zodat Golaud haar moet wegdragen. Zijn geëxalteerde gedrag aan het sterfbed van zijn constant pillen slikkende vrouw moeten we daarna maar voor lief nemen.

En als we dan denken dat we alles gehad hebben, komt tot slot Yniold naar het sterfbed, gekleed in de jurk van Mélisande uit het vorige bedrijf, en laat even speels de slappe arm van de gestorvene een paar keer op het bed terugvallen. Ik kijk nu al met spanning uit naar de Aida die Tcherniakov volgend jaar bij DNO komt regisseren!

Ondertussen is er geen woud, geen bron, geen zee en geen toren te bekennen, laat staan die lange blonde haren waarover steeds gezongen wordt. Het is dus beter ook niet verder te zoeken naar een duidelijke relatie tussen Debussy's opera en een enscenering waarvan ik wel moet constateren dat die heel knap in elkaar zit. Tchernaikov's strakke, tot in de details uitgewerkte personenregie mag overigens weinig met de tekst van Maeterlinck te maken hebben, een uitmuntende voorstelling levert het zeker op. En de schitterende toneelbeelden met bijpassende kostuums en een fraaie belichting harmoniëren versterken dat nog eens extra!

. . . dopo la musica
En dan de muziek. Goed, er zit geen Fransman in de cast zodat er soms een nasaal ontbreekt of een vreemde klinker gezongen wordt (bij Kyle Ketelsen wil dat nog wel eens gebeuren). Ook maakt de matter-of-fact enscenering het voor de solisten natuurlijk erg moeilijk, zo niet onmogelijk om hun zang in de suggestieve pasteltinten te houden waar Debussy's partituur om vraagt. (Wat dat betreft zouden dirigenten best wat meer op hun strepen mogen staan!)

Als ik aan die punten voorbijga, moet ik echter toegeven dat ik door het muzikale aspect heel wat meer ben meegesleept dan ik voor mogelijk had gehouden. Zo'n sterke on-Franse solistenbezetting heb ik zelfs zelden meegemaakt en op één punt moet ik dan meteen door het stof: ook dat is ten dele te danken aan Tcherniakov. Over zijn enscenering kunnen we van mening verschillen, maar een feit is dat hij heel intensief met de solisten werkt en hen ook zo weet te inspireren dat zij soms boven zichzelf uitstijgen.

Een ontdekking is de Amerikaanse Corinne Winters die in Antwerpen al furore maakte als Desdemona en Donna Anna. Zij is hier een vocaal donker gekleurde Mélisande, bijna meer mezzo dan sopraan, met een sterke tekstweergave en een dito toneelpersoonlijkheid. Daarbij treft zij vanaf het eerste moment door een suggestie van raadselachtige ongrijpbaarheid, het meest essentiële element van iedere goede Mélisande. Overduidelijk is ook wat Golaud tot wanhoop drijft: niet haar vermeende relatie met Pelléas, maar het simpele feit dat hij totaal geen grip op haar krijgt. Dat hij getrouwd is met iemand die volledig vreemd voor hem blijft en geen enkele opening biedt.

Niet minder sterk is de Golaud van Kyle Ketelsen, met beheerste autoriteit als psychiater, huiveringwekkend in zijn woede en frustraties, en overtuigend in zijn manipulatieve gedrag daartussenin. Vocaal ontplooit hij daarbij een autoriteit die ook door zijn stemklank soms aan José van Dam doet denken. Precies voldoende contrast in timbre biedt de lichtere bariton van Jacques Imbrailo als Pelléas (Debussy schreef de rol van een baryton-Martin en niet voor een tenor). Zijn heldere dictie zorgt daarbij voor de jeugdigheid die contrasteert met de mentaal sterkere Golaud, en die geloofwaardig maakt dat Mélisande zich uiteindelijk meer tot hem aangetrokken voelt.

Even sterke vertolkingen, zowel vocaal als qua karakter, zijn er van de alt Yvonne Naef, als Geneviève in deze verknipte huishouding een rots in de branding, en van de bas Brindley Sherratt als de oude Arkel. Als het om echte 'zangpartijen' gaat, is de Britse bas niet mijn favorietr, maar hier is hij - ook als acteur - perfect op zijn plaats. Moeite heb ik alleen met de beslissing om Yniold te laten zingen door een van de leden van het Tölzer Knabenchor. Damien Göritz doet dat voortreffelijk, maar Debussy's muziek vraagt een licht sopraanstemmetje en de tekst past bovendien absoluut niet bij een puberende knaap.

Onder Alain Antinoglu geeft de Philharmonia Zürich een gloedvolle vertolking van Debussy's partituur die volledig harmonieert met zowel de toneelbeelden van Tcherniakov als de wijze waarop de solisten hun rollen vocaal gestalte geven. Opvallend is met hoeveel gevoel Antinoglu inspeelt op het tekstritme van de solisten, een fraai voorbeeld van een operadirigent die zich naar de zangers richt. Wel had ik de opname graag in plaats van minder vol een fractie doorzichtiger gehoord, maar dat is misschien een kwestie van smaak. In één van mijn dvd-spelers constateerde ik daarnaast tijdens de eerste minuten ook een lichte vervorming van de houtblazers. Verder veroorzaakte de dvd een lelijke pauze in tussenspel III.2-III.3 bij de overgang naar tweede laag.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links