Dirigenten

 Een grillige loopbaan in de muziek:

Kurt Sanderling (1912 ~ 2011)

 

© Niek Nelissen, november 2011

 

 
  Kurt Sanderling (1912-2011)

De onlangs overleden Kurt Sanderling behoorde tot een generatie die opvallend veel grote dirigenten heeft opgeleverd, waaronder Karajan, Solti, Kubelík, Jochum, Wand en Celibidache. De sterrenstatus van deze dirigenten heeft Sanderling nooit bereikt en in menig dirigentenlexicon ontbreekt zijn naam volledig of krijgt hij niet meer dan een voetnoot. Velen die hem in de zaal hebben meegemaakt, bijvoorbeeld met een symfonie van Bruckner of Sjostakowitsj, denken echter aan hem terug als één van de grootste dirigenten die ze ooit aan het werk zagen. Zelf koester ik herinneringen aan sublieme uitvoeringen door het Koninklijk Concertgebouworkest onder Sanderling van Schuberts Negende en Bruckners Vierde en Zevende symfonie. Helaas was ik niet aanwezig bij zijn uitvoering van Brahms’ Vierde symfonie met hetzelfde orkest, die eveneens onvergetelijk geweest moet zijn.

Dat er verschil kan zijn tussen het genieten van een reputatie en het verdienen van die reputatie is bekend. Zoals er overschatte dirigenten bestaan, zijn er ook ondergewaardeerde en tot die laatste groep behoort Sanderling. De verklaring voor zijn gemis aan sterrenstatus ligt voor de hand. Had Sanderling net als Solti, zijn één maand jongere jaargenoot, vijftig jaar lang samengewerkt met een belangrijk platenlabel als Decca, dan was zijn naam even bekend en mogelijks zelfs nog bekender geworden. Had hij jarenlang het chefdirigentschap bekleed van een wereldberoemd symfonieorkest dan was zijn naam eveneens een begrip geworden. De vlucht uit nazi-Duitsland en zijn langdurige ballingschap hebben zijn loopbaan getekend. Doordat hij zijn toekomst zag in de Sovjet-Unie - naïef misschien, want er was in het Westen al het nodige bekend over de terreur onder Stalin - zou hij niet twaalf maar meer dan veertig jaar leven onder dictatuur.

Sanderling begon zijn loopbaan begin jaren dertig als koorrepetitor aan de Berlijnse Staatsopera, een functie die voor veel grote dirigenten het opstapje is geweest. De antisemitische maatregelen van de nazi’s maakten hem het werken spoedig onmogelijk en in 1936 emigreerde hij naar de Sovjet-Unie. Hij had linkse sympathieën, had er familie en zag bovendien weinig andere mogelijkheden. Je vraagt je onwillekeurig af hoe zijn levensverhaal eruit had gezien als hij, net als Otto Klemperer en Bruno Walter, was gevlucht naar de Verenigde Staten. Na enkele jaren met een minder belangrijk Russisch orkest gewerkt te hebben, werd hij in 1941 tweede dirigent van het Leningrad Filharmonisch Orkest, een functie die hij maar liefst negentien jaar bekleedde. In 1960 gaven de communistische leiders hem toestemming om zich te vestigen in Oost-Berlijn, waar hij chefdirigent werd van de Berliner Symphoniker. Eindelijk was hij dus terug in Berlijn, maar zijn nieuwe post was bij een provincieorkest, zeker vergeleken bij de befaamde Berliner Philharmoniker in West-Berlijn. Dit betekende dus een forse stap terug na het orkest waar hij negentien jaar mee had gewerkt. In elk geval had hij nu wel een eigen orkest. Sanderling bleef tot de pensioengerechtigde leeftijd in Oost-Berlijn en legde in 1977 zijn functie neer. Zijn enige chefdirigentschap van een toporkest was de kortstondige leiding van de Staatskapelle Dresden (1964-1967).

Pas na zijn pensioen brak Sanderling in het Westen goed door. In de jaren tachtig en negen werd hij een graag geziene gast in Londen, Los Angeles, Amsterdam, Rotterdam, München en niet te vergeten Berlijn, waar hij als bejaarde maestro nu ook de Berliner Philharmoniker dirigeerde. In Londen kreeg hij een eretitel van het Philharmonia Orchestra en elders ontbrak het hem evenmin aan succes. Er kwam nu ook meer belangstelling van platenmaatschappijen. Sanderlings plaatprojecten werden echter een bont geheel van labels en orkesten en zijn bovendien nog eens wisselend van kwaliteit. Een Beethoven-cyclus met het Philharmonia Orchestra voor EMI was geen onverdeeld succes en zijn Brahms-cyclus met de Staatskapelle Dresden (RCA) gooide evenmin hoge ogen. Het lijkt erop dat Sanderlings kwaliteiten eerder in de zaal dan in de studio lagen en de hoogtepunten uit zijn latere discografie zijn dan ook bijna allemaal live-opnamen voor labels als Philips, Hänssler, Berlin Classics en BBC Legends. Eerder dit jaar verscheen, een paar maanden voor Sanderlings overlijden, het zesde deel van de Anthology of the Royal Concertgebouw Orchestra, met opnamen onder zijn leiding van Bruckners Derde (1996) en Sjostakowitsj’ Vijfde symfonie (1999). Ze getuigen van de bijzondere affiniteit die hij met deze beide componisten had. Hopelijk verschijnen de live-registraties door het KCO onder Sanderling van Bruckners Vierde en Zevende, Brahms’ Vierde en niet te vergeten Schuberts Negende ook nog eens op cd!

Door de fraaie cd’s met live-uitvoeringen uit de jaren tachtig en negentig is Sanderling een begrip geworden bij connaisseurs, niet bij het grote publiek, dat zijn naam nauwelijks zal kennen. Maar ook voor connaisseurs blijven de vele decennia waarin Sanderling in de Sovjet-Unie en de DDR werkte een schimmige periode. Over zijn grote successen in Leningrad is in het Westen weinig bekend, terwijl dit misschien wel de meest fascinerende periode in zijn loopbaan is.

 
  Kurt Sanderling leidt de Leningrader Filharmonie met David Oistrakh als de vioolsolist

Successen in de schaduw van Mravinski
Bijna twee decennia lang werkte Sanderling naast Jevgeni Mravinski, één van de belangrijkste dirigenten van de twintigste eeuw. Mravinski had gedurende een halve eeuw lang de leiding over de Leningrader Filharmonie en vormde dat orkest tot een ensemble van wereldklasse. Hij wordt daarom wel de Mengelberg van de Sovjet-Unie is genoemd. Dat Sanderling slechts ‘tweede’ bleef, verklaart ook de relatieve onbekendheid van Sanderling in die periode. De slechte Oost-West verhouding in de Koude Oorlog is daar verder debet aan. De Sovjet-Unie speelde alleen haar hoogste troeven uit en liet alleen sterren als Richter, Oistrach, Gilels en Kogan mondjesmaat naar het Westen reizen. Musici die in Moskou minder belangrijk werden geacht voor de reputatie van het arbeidersparadijs bleven in het Westen onbekend.

Tot de troeven van het Sovjet-regime behoorden uiteraard ook Mravinski en zijn orkest. De verbijsterende perfectie, klankcultuur en eenheid van de Leningraders, vooral van de strijkers, was in de jaren vijftig een ontdekking voor muziekliefhebbers in het Westen. Enkele concertreizen naar het Westen werden door DGG benut voor het maken van platen. Tijdens een bezoek aan Wenen in 1956 werden opnamen gemaakt voor drie lp’s met respectievelijk Tsjaikovski’s Vierde, Vijfde en Zesde symfonie. Mravinski tekende voor de Vijfde en Zesde en Sanderling mocht de Vierde opnemen. De lp’s waren zo succesvol, dat DGG vier jaar later al, in november 1960 en opnieuw in Wenen, een remake maakte in stereo. Dit keer kwam Sanderling er niet aan te pas en werd ook de Vierde symfonie opgenomen door Mravinski. Volgens sommige kenners haalden de stereo-opnamen het niet bij de legendarische mono-opnamen, ook niet in de Vierde symfonie. Peter Gammond schreef dan ook in 1962 in zijn bekende platengids Music on Record: ‘We hopen dat Sanderlings opwindende uitvoering met het orkest van Leningrad zal worden uitgebracht op het goedkope Heliodor-label, nu DGG een nieuwe fullprice uitgave op de markt brengt.’ Sanderling maakte met de Leningraders nog een paar lp’s voor DGG, zoals de zeer geslaagde plaatuitvoering van Rachmaninovs Tweede symfonie (waarbij de opname die hij vele jaren later zou maken met het Philharmonia Orchestra bleekjes afsteekt) en een sprankelende opname van Beethovens Tweede symfonie.

Het zal voor Sanderling niet altijd makkelijk geweest zijn om te werken in de schaduw van Mravinski. In een zeer openhartig en lezenswaardig interview met de Duitse muziekjournalist Dieter David Scholz sprak hij zich hierover uit:

‘De vriendschap tussen Mravinski en mij was al aardig afgekoeld, want hij was op een ziekelijke manier jaloers op elk succes dat niet voor hem was, wat gewoonweg lachwekkend werd. Ons contact was nog altijd goed, alleen al omdat wij beiden blij waren iemand te hebben om mee te praten. Dat was al een goede basis voor vriendschap. Wij wisten bovendien dat we elkaar nooit zouden verraden. Maar hij verdroeg het niet dat ik succes had. Ik herinner me dat in een tijdschrift een artikel verscheen over het eerste seizoen van de Leningrader Filharmonie na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij een veeg uit de pan kreeg: iemand schreef over de kille Mravinski die puur vanuit het verstand werkte en die zo heel anders was dan de jonge Sanderling die dirigeerde vanuit het hart en wiens concerten altijd een genot waren, zo ongeveer ging dat.’

Sanderling reisde kort na de publicatie van dit artikel met de zakelijk leider van het orkest voor overleg naar het ministerie in Moskou. Onderweg liet de orkestmanager hem een klacht lezen die bij het ministerie zou worden ingediend tegen het artikel. Gezien de context waarin het verhaal geplaatst is, lijkt Mravinski hierin een rol gespeeld te hebben, maar dat laat Sanderling in het midden en hij vervolgt:

‘In de formele klacht was de volgende zin opgenomen: “In het artikel dat zogenaamd van die en die is, maar zijn werkelijke naam is Samuel Goldschmidt…” Ik weet niet of u de laagheid hiervan kunt zien? Het was kort na het einde van de oorlog en dit was de alledaagse, veel voorkomende vorm van het antisemitisme in de Sovjet-Unie. Ik werd als uithangbord gebruikt, omdat ik zowel een buitenlander als een jood was. “Wat wilt u nu?”, werd dan gezegd, “Antisemitisme bij ons? Kijk dan nog naar deze jood, die zo’n belangrijke positie heeft!” Daarnaast werd ik bovendien altijd gezien als een mogelijk spion. Het was een situatie om moe van te worden en waarin ik me op geen enkele wijze kon verweren.’

 
  Jevgeni Mravinski (1903-1988)

Elders in het interview vertelt Sanderling dat Mravinski de bijzondere voorrechten genoot van hoge functionarissen in de Sovjet-Unie: een dienstauto, een datsja, een riant inkomen en toegang tot speciale winkels voor hoge partijleden. Sanderling had die privileges niet en moest bovendien voortdurend op zijn hoede zijn voor antisemitische aanvallen en voor de jaloezie van Mravinski. De vraag dringt zich op waarom hij dan toch bijna twintig jaar in Leningrad is gebleven. In het interview met Scholz spreekt hij zich ook hierover uit.

‘Mravinski moest een grote angst overwinnen bij het dirigeren. Hij was in de zevende hemel als hij een succesvol concert achter de rug had, maar voor het concert trilde, beefde en huilde hij van angst. Overigens pleit dat voor hem, want ik vertel u dit alles niet om hem af te vallen. Zijn angsten droegen ertoe bij dat hij een tijdlang niet vaker dan drie of vier keer in een seizoen dirigeerde. Hij begon dan met de Vijfde van Tsjaikovski, kwam halverwege terug met de Vijfde van Glazoenov, om het seizoen weer af te sluiten met de Vijfde van Tsjaikovski of met een symfonie van Sjostakowitsj. Dat had tot gevolg dat ik tamelijk vrij was in de keuze van mijn repertoire.’

Sanderling had een bijzondere band met het publiek in Leningrad, dat volgens hem opviel door de ontwikkelde smaak en dat niet viel voor het vlotte eenmalig succes van een passerende ster. Toch wilde hij in 1960 terugkeren naar Berlijn voor een nieuwe start bij het eerdergenoemde orkest in Oost-Berlijn. Daarbij werd hij aanvankelijk tegengewerkt door Sovjet-autoriteiten, die hem te kennen gaven: ‘wij hebben de oorlog toch niet gewonnen om mensen als u, die we hier nodig hebben, terug te sturen’. Toen hij op het podium verscheen voor het afscheidsconcert in Leningrad, zag hij dat de bok iets had van een pas gedolven graf bedekt onder een bloemenzee. Van het glorieuze afscheid van zijn Russische publiek herinnerde hij zich een pijnlijk detail: ‘Mravinski had groen van jaloezie voortijdig de zaal verlaten.’

De vernederingen van de permanente ondergeschiktheid en de antisemitische pesterijen zullen aan hem hebben geknaagd, maar het kan niet anders of de grote artistieke successen hebben veel goed gemaakt. Voldoende blijkbaar om het al die jaren vol te houden. Naast de gouden herfst van de éminence grise was dit de glorieperiode in zijn loopbaan. De vele opnamen die hij in de Sovjet-Unie gemaakt moet hebben, bereikten het Westen maar mondjesmaat. Melodia-lp’s lieten hem vooral horen als begeleider van bekende solisten als Richter, Gilels, Oistrach, Kogan en Rostropowitsj. Onlangs trof ik echter op internet een box met zes cd’s uitgebracht door HDN onder de titel: ‘Kurt Sanderling, The Soviet Years 1947-1956’. De documentatie in het cd-boekje laat helaas te wensen over, maar het gaat om Melodia-opnamen, die deels live en deels in de studio zijn gemaakt. Gezien de goedkope vormgeving en de onduidelijke herkomst zag ik niet meteen de uitzonderlijke waarde van dit document, maar al luisterende kwam ik in de ban van het fabelachtige orkestspel uit Leningrad. Bij Mozart-uitvoeringen uit de Sovjet-Unie in die periode verwacht je een zware klank en dus luisterde ik met stijgende verbazing naar Mozarts Divertimento KV 334. Wat een ongelooflijke discipline en wat een klankverfijning bij de strijkers. De Leningraders hadden aan Sanderling een onwaarschijnlijk goede ‘tweede’. Geen wonder dat Mravinski beducht was voor deze concurrentie. De opname van Beethovens Tweede in de HDN-box is een andere dan die op de DG-uitgave. De DG-uitvoering vond ik al zeer geslaagd, maar de Melodia-versie heeft nog iets meer spontaniteit en esprit. De grootste verrassing was Rachmaninovs Eerste symfonie, naar mijn smaak bepaald niet Rachmaninovs beste werk. Maar voor een uitvoering met zoveel passie en stuwkracht als die van Sanderling, geef ik me graag gewonnen. Niet eerder heb ik zo geboeid geluisterd naar deze muziek. De box van HDN biedt een bonte variëteit aan muziekstijlen met onder meer werk van Bach, Mozart, Beethoven, Brahms, Honegger, Stravinsky. Het niveau van de hier gesignaleerde opnamen wordt niet overal gehaald, maar toch geeft het doosje een goed beeld van de grote kwaliteiten en veelzijdigheid van Sanderling. Prettige bijkomstigheid: het doosje is super budget, namelijk nog geen twee tientjes (zie bijvoorbeeld de website van jpc.de). Uitgaven als deze verdwijnen soms weer snel uit de catalogus, dus wie hierin geïnteresseerd is, moet snel zijn slag slaan.

 
  Iin Los Angeles in 1989

Klankdocumenten uit de jaren vanaf 1977, de tijd dat Sanderling ging oogsten, zijn er te over en zijn discografie wordt nog altijd uitgebreid. Hem aan het werk zien kan ook, bijvoorbeeld op de onlangs door ICA Classics uitgebrachte DVD met een optreden tijdens de Proms van de BBC in de Royal Albert Hall op 29 juli 1988. Sanderling dirigeerde het BBC Philharmonic Orchestra in Schumanns Vierde symfonie en Mahlers Lied von der Erde. Zijn gestiek is niet mooi, maar wel fascinerend om te zien. Als een zware, waggelende beer staat hij voor het orkest en met machtig maaiende armbewegingen vuurt hij het aan. Zijn gezicht vertoont weinig expressie, maar als hij tevreden is, ontdooit het in een flauwe glimlach. Dat gebeurt niet vaak, want goede dirigenten als hij zijn zelden tevreden. Zijn gezondheid lijkt er niet onder te hebben geleden, ook niet onder de moeilijke omstandigheden van zijn werk in nazi-Duitsland en in de Sovjet-Unie, gezien de wijze waarop hij op één dag na 99 jaar is geworden. ‘Nicht hundert Jahre darfst du dich ergötzen an all dem morschen Tande dieser Erde’, zingt de tenor in het openingslied van Das Lied von der Erde. Inderdaad, maar voor deze grote dirigent scheelde het bijzonder weinig.

 

_________________________
Peter Gammond, Music on Record, deel 2, Londen 1962, p. 161. Voor een vergelijking van de mono- en stereo-versies zie bijvoorbeeld een recensie van Edward Greenfield in Gramophone, januari 1979, pp. 1290-1291. John B. Steane sprak in hetzelfde blad overigens zijn voorkeur uit voor de stereo-opnamen. Gramophone, juni 1995, p. 60.
Dieter David Scholz, Mythos Maestro, Dirigenten im Dialog, Berlijn 2002, p. 277
Ibidem, p. 279
Ibidem, p. 281


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links