Componisten/werken

In memoriam Theo Verbey 1959 ~ 2019

 

© Emanuel Overbeeke, oktober 2019

 

De componist Theo Verbey die onlangs overleed, is niet eenvoudig te plaatsen. Dat herdenkingsartikelen vooral zijn vaardigheid roemen als instrumentator, is weliswaar volkomen terecht, maar die vaardigheid zegt in theorie nog niets over zijn stijl. In de praktijk echter betekent lof voor iemands beheersing van het ambacht vaak impliciet een compliment voor zijn conservatieve en toegankelijke idioom met de onuitgesproken suggestie dat avontuurlijkheid en innovatie soms hand in hand zouden gaan met, zo niet een dekmantel zijn voor een mindere beheersing. Die onuitgesproken visie rammelt, want ze gaat voorbij aan het feit dat goed ambacht geen garantie is voor goede muziek. En die impliciete conclusie wordt glansrijk weerlegd door de beste modernisten onder wie Berio, Carter en Boulez.

Uiterst knap
De simpelste manier om Verbeys ontwikkeling te beschrijven is om te zeggen dat hij begon als een soort modernist en eindigde als een soort postmodernist. Die zeer globale uitspraak is maar gedeeltelijk juist. Bovendien had hij achteraf gezien het nadeel dat zijn bekendste werk reeds een van zijn vroegste is en dat gedeeltelijk van een ander is: zijn orkestratie uit 1984 van de Pianosonate opus 1 van Alban Berg. Het is een uiterst knap georkestreerd werk, vooral doordat Verbey het pianistische karakter van het stuk volledig wist weg te werken in zijn instrumentatie. De muziek wordt ijler en vloeiender, minder expressionistisch en meer prerafaëlitisch, mocht die term uit de beeldende kunst ooit van toepassing zijn op muziek. Hetzelfde huzarenstukje leverde hij in 2009 met zijn instrumentatie van Janáceks Pianosonate 1.X.1905, eveneens een bewerking die beslist meer uitvoeringen verdient dan deze nu krijgt (de instrumentatie van Bergs sonate is aanvankelijk veel gespeeld, die van Janácek voor zover ik weet na de première helaas nooit).

Welluidend
Verbeys vroege modernistische werken (zijn stukken zijn geschreven vóór rond 1995) zijn maar ten dele modernistisch. Ze hebben een soms wat collageachtige opbouw en de harmonie kan men soms moeilijk tonaal noemen, maar zijn instrumentatie was al vroeg gericht op het welluidende, zijn ritmen en frasen hadden soms het afgeronde van tonale muziek en zijn gevoel voor proporties doet klassiek aan. Inversie (1987), geschreven voor het Nieuw Ensemble dat het ook op cd zette (Composers' Voice CV 31), wordt een contrast tussen de welluidendheid van de instrumentatie en de onzekerheid van het gehele parcours. Triade (1991) en De Peryton (1990), beide te horen op Composers' Voice CV 66, zijn veel beweeglijker in hun ritmiek maar lijden aan dezelfde tweespalt. De opbouw is minder hakkelig dan bij Peter-Jan Wagemans en leden van de Haagse School in dezelfde tijd, maar de continuïteit in zijn muziek zit meer in de klank dan in het ritme.

Theo Verbey met de partituur van Fractal Symphony

Steeds beter: lange lijnen
Daarna blijft de tweespalt zijn werk domineren, maar op een andere manier. De klank blijft schitterend, bijvoorbeeld in Fractal symphony (2004, op Etcetera 1344) en Invitation to a beheading (2009), maar ritmiek en frasering zijn zowel hakkelig als continu doorgaand, mede dankzij een wiskundig gefundeerd gevoel voor proporties dat hij de fractal-techniek noemde: de suggestie van tonaliteit en het harmonische verloop wijzen op een lange lijn, maar de kortheid van de motieven en de veelvuldige afwisseling van texturen geven zijn muziek soms iets fragmentarisch. Deze opzet, die zowel korte als lange stukken bezitten, wordt met de jaren minder problematisch: Verbey maakt steeds beter lange lijnen. Tractus (2008) is een mix van de neoklassieke Stravinsky en Verbeys eigen harmonische taal (qua instrumentatie stond Verbey dicht bij de Rus). Traurig wie der Tod (2015) voor koor en orkest is een brahmsiaans oratorium met gedeeltelijk moderne middelen. Nog dichter bij de tonaliteit komt hij in een van zijn laatste werken, het orkestwerk After the great war, uitgevoerd vlak voor zijn dood en gebaseerd op muziek uit de Eerste Wereldoorlog. De toonaangevende muziek uit de jaren 14-18 komt voorbij in de vorm van talloze stijlcitaten en de lengte (ruim een half uur) en het eerbetoon maken het zowat tot een nostalgische compositie. Deze gegroeide voorkeur voor langere lijnen spreekt ook uit de fragmenten die te horen zijn op zijn website: ze geven een prachtig beeld van zijn vermogen tot sfeer via klank, maar verzwijgen grotendeels zijn structuurzin. De korte fragmenten vragen om een ontwikkeling van lange adem.

Ongemak
Net als de muziek van Tristan Keuris is die van Verbey uit zijn neotonale fase zowel tonaal in het gevoel voor gestiek als eigentijds in andere opzichten, maar bij Keuris lijkt er een veel scherper onderscheid te bestaan tussen karakters als blijmoedigheid, lef, onzekerheid en tragiek. De dominante stemming bij Verbey daarentegen lijkt ongemak, alsof de zekerheid van de tonale taal voortdurend moet botsen met een lichte onzekerheid inzake zijn eigen versie van neotonaliteit. Waar bij andere neotonalen (vooral de minder interessante Amerikanen) het neotonale een schaamteloze versterking is van het tonale, lijkt bij Verbey de ontmoeting eerder op een conflict.

Struikelblok
Het begin van het laatste deel van Fractal Symphony (2004) lijkt verdacht veel op dat van Ravels La vallée des cloches uit Miroirs; in het Pianoconcert (2006) zitten flarden van Amériques van Varése en Poème de l'extase van Skrjabin; in Traurig wie der Tod (2015) voor koor en orkest doet de harmonie soms zeer denken aan Mozarts Requiem. In de meeste gevallen zijn de citaten of stijlcitaten voorbij voordat men er erg in heeft, mede dankzij de collageachtige vormen.
Vergelijking met die buitenlandse stukken werpt extra licht op Verbeys werk. Hij begint zoals veel Nederlanders met een aardig idee, waarna de ontwikkeling een struikelblok blijkt en het betoog vaak verzandt in herhalingen en een onbesliste strijd wordt tussen een harmonisch fundament en de wil tot avontuurlijkheid, alsof het drama nooit echt van de grond komt omdat we de consequenties van echt drama niet willen aanvaarden.

Amper gespeeld
Sommige kranten typeerden Verbey bij zijn dood als een lieveling van de symfonieorkesten. Die uitspraak is waar in die zin dat hij na 2000 een van de meest gespeelde Nederlandse componisten bij de orkesten was. Verbey hield van het orkest omdat het symfonieorkest zich bij uitstek leende voor zijn stijl vol prachtige klanken in een gebarsten taal. De orkesten hielden van zijn werk omdat zij met hun inzet voor zijn werk hun belangstelling konden tonen voor Nederlandse muziek en tegelijk die voor nieuwe muziek in een gedeeltelijk oude jas. Niettemin zijn de meeste opnamen die ik beluisterde ten behoeve van dit artikel zeker enige jaren oud. Veel van zijn stukken zijn in Nederland amper gespeeld en de meeste cd's met zijn muziek zijn alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. Een recente cd van Jörgen van Rijen met onder meer Verbeys Lied voor trombone en orkest, hier besproken, is daarom zeer welkom. Gelukkig zijn ook opnamen van diverse van zijn composities van na 1995 te horen op de website van radio 4. Op een paar uitzonderingen na is Nederlandse muziek bij orkesten de laatste decennia een perfect stiefkind. Sommige stukken worden wel gespeeld, maar zelden herhaald en opgenomen voor cd of radio (internet biedt wel veel, maar zeker niet alles) waardoor veel nieuwe kunstmuziek onbereikbaar blijft voor wie niet naar zijn uitgever kan stappen om de bladmuziek in te kijken.

Tijdsdocument
Die trieste constatering staat haaks op de Engelse zin op zijn website die ook juist is (Verbeys eigen website omschrijft zijn werk als ‘ contemporary classical music that makes a real connection with listeners'). Bij elke uitvoering van zijn orkestmuziek geschreven na 1995 die ik meemaakte reageerde het publiek positief. Zijn vroegere werken, waaronder een prachtige instrumentatie van de liedcyclus Zonder Zon van Moesorgski, klinken helaas nooit meer, net als het fascinerende Expulsie (1988-1990) waarin hij op boeiende wijze op zoek gaat naar een structuur in een collageachtige vorm. Het relatieve succes van Verbeys oorspronkelijke composities sinds 2000 (andere Nederlandse componisten kregen nog minder uitvoeringen en publiciteit) is helaas ook een tijdsdocument. De constatering (geen mening, maar een feit) dat ook modernistische muziek soms heel goed is, karakter heeft en daarmee communiceert en ook een publiek heeft, lijkt thans volkomen dwaas. Wie kunst niet louter publicitair-economisch maar ook en soms primair artistiek-ruimdenkend bekijkt en modernisme niet opvat als iets exotisch uit lang vervlogen tijden maar als een entree tot nieuwe soms fascinerende werelden, is thans een allochtoon. Terwijl uitgerekend de nu bejubelde Verbey ook in zijn meest ‘communicerende' muziek heel goed hoorbaar kon maken hoe betrekkelijk het tonale is binnen het neotonale.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links