Componisten/werken

Schumann en het strijkkwartet

 

© Thijs Bonger, februari 2022

 

De strijkkwartetten van Schumann worden relatief weinig gespeeld omdat een aantal kwartetspelers klagen dat ze deels te pianistisch zijn geschreven. Dat is jammer omdat we daardoor verstoken blijven van een rijkdom aan hoogst originele muzikale ingevingen, die Schumann kreeg toen hij zich intensief bezighield met dit moeilijke medium.

Manisch bezig met één genre
Veel componisten houden zich bezig met allerlei genres door elkaar. Schumann werkt anders. Hij stort zich op een genre, bestudeert intensief vergelijkbare werken van collega componisten en produceert daarna het ene werk na het andere. Dan werkt hij koortsachtig, vaak dag en nacht, op het manische af.

Pianomuziek
Van 1831 tot ’39 schrijft hij pianomuziek. Daarna begint hij de jas van de expressiemogelijkheden op de piano als te krap te ervaren. Ook zijn toekomstige vrouw Clara dringt erop aan dat hij zijn horizon moet verbreden en zich ook met andere genres zou moeten bezighouden.

Liederen
In 1840 is het lied aan de beurt. En hoe! Alleen al in dat jaar componeert hij er zo’n 150. Aan zijn vrouw Clara schrijft hij daarover: ‘O, Clara, wat is het heerlijk om liederen te schrijven! Veel te lang is het genre mij vreemd geweest’. En een paar weken later schrijft hij haar: ‘Ik heb er weer zoveel gecomponeerd dat ik het soms een beetje eng vind. Maar ik heb er gewoon geen verweer tegen. Ik zou mezelf wel dood willen zingen, net als een nachtegaal’.

Orkestmuziek
In 1841 houdt hij zich bezig met orkestmuziek en schrijft o.a. twee symfonieën, waarvan er een in première wordt gebracht onder leiding van zijn vriend Mendelssohn.

Kamermuziek
1842 is Schumanns kamermuziekjaar. In de herfst schrijft hij een pianokwartet en het zeer populaire pianokwintet. Maar eerst stort hij zich op het strijkkwartet. Zijn interesse in dat genre wordt gewekt door een paar concerten van het David Kwartet. Ferdinand David was de briljante violist en concertmeester van het Gewandhausorkest, voor wie Mendelssohn zijn vioolconcert schreef. Zijn kwartet speelt tijdens die concerten ook enkele late kwartetten van Beethoven, waarvan Schumann helemaal ondersteboven is. Hij schrijft daarover in zijn Neue Zeitschrift für Musik en constateert dat er na Beethoven eigenlijk nauwelijks kwartetten zijn geschreven, die qua niveau ook maar aan hem kunnen tippen. Behalve dan die van Mendelssohn. Wat hij vooral mist in kwartetten van tijdgenoten als Verhulst, Spohr en Cherubini is originaliteit en poëtische diepgang. En daar wil hij wat aan gaan doen. Korte notities in een door Clara en hem bijgehouden ‘Haushaltbuch’ vertellen ons hoe fanatiek hij zich - ondanks depressieve periodes - inwerkt in het genre: 1 april: ‘continu bezig met kwartetten. Mozart bestudeerd’. 28 april: ‘de kwartetten van Beethoven’. 6 mei: ‘Haydn-kwartetten bestudeerd’. 4 juni: ‘begonnen aan kwartet in a klein’. Die laatste datum vormt de start van weer zo’n maniakale scheppingsperiode. In amper vijf weken componeert hij drie strijkkwartetten. Het laatste van de drie, op. 41 nr. 3 componeert hij in een week, wat inhoudt dat hij om de dag een deel afkrijgt. Het schrijfwerk alleen al is een enorme klus. Hij draagt ze op aan zijn vriend Mendelssohn, ‘in diepe bewondering’. En laat ze door het David Kwartet in première brengen op 13 september, als verjaarscadeau voor zijn vrouw Clara.

Als Schumann de kwartetten naar zijn uitgever stuurt. schrijft hij: ‘We hebben de kwartetten een paar keer gespeeld bij Ferdinand David thuis en zowel de uitvoerenden als de luisteraars waren er blij mee, en Mendelssohn al helemaal. Het past mij niet om er nog meer over te zeggen, maar u kunt ervan uit gaan dat ik alles in het werk heb gesteld om iets fatsoenlijks op papier te krijgen - soms denk ik zelfs dat ze het beste zijn wat ik tot nu toe heb geschreven’.

Schumann had erg veel aan Mendelssohn te danken. Het met succes uitvoeren van een aantal van zijn composities en een baan aan het door Mendelssohn opgerichte conservatorium. Later zei hij een keer tegen hem ‘Hoe kan ik in vredesnaam ooit iets terugdoen voor alles wat jij voor mij hebt gedaan?’ Waarop Mendelssohn antwoordde: ‘De kwartetten, Schumann, de kwartetten’.

Relatief zelden uitgevoerd
Dat die kwartetten relatief zelden worden uitgevoerd ligt er misschien aan dat Schumann - zelf geen strijker - wel zijn uiterste best heeft gedaan om idiomatisch voor kwartet te schrijven, maar dat er desondanks passages in voorkomen die oorspronkelijk gedacht zijn als liederen of pianomuziek en pas daarna zijn omgewerkt voor strijkkwartet. Dat horen we vooral in gedeeltes waarin de vier stemmen niet onafhankelijk van elkaar opereren en hij het kwartet gebruikt als een instrument. Maar daar staat heel erg veel tegenover. Zo is Schumanns muzikale taal in de kwartetten volstrekt origineel. Hij bedient zich nergens van de elegante clichésdie hij aantreft bij zijn tijdgenoten. En de kwartetten zitten vol uiterst geconcentreerde expressieve poëzie. De sfeer van de delen van de kwartetten wisselt sterk en soms zijn er zelfs binnen een deel abrupte overgangen. Dat is een kenmerk van veel van Schumanns werken. Schumann was ook een begenadigd schrijver over muziek en hij had het geregeld over de twee tegengestelde kanten van zijn persoonlijkheid, die hij van namen voorzag. Florestan was uitbundig en strijdlustig, Eusebius introvert en peinzend.

Kwartet in a kl. op. 41 nr. 1
In de langzame inleiding van het Eerste kwartet, op. 41 nr. 1 horen we dat Schumann ook nog diepgaand de werken van Bach heeft bestudeerd. Het scherzo heeft iets krijgshaftigs, maar lijkt qua springerigheid soms ook wel op Mendelssohn. Het langzame deel is één grote liefdesverklaring aan Schumanns vrouw Clara. Krijgshaftig, superbeweeglijk en juichend is de finale. Met behoorlijk veel fugatische passages. Tegen het einde legt Schumann de vaart ineens stil en via een geheimzinnig doedelzak gedeelte komen we terecht in een plechtige koraalmelodie. Maar vlak voor het slot komt het opwekkende en springerige karakter weer volop terug als een soort uitsmijter.

Kwartet in F gr.op. 41 nr. 2
Toen Schumann in 1838 aan Clara schreef dat hij bezig was om strijkkwartetten te schrijven antwoordde zij: ‘Ik ben opgetogen over je plannen. Maar zou je alsjeblieft wat helderder kunnen componeren? Ik vind het vreselijk als mensen je muziek niet kunnen volgen.’ In eerste instantie was Schumann hier behoorlijk gepikeerd over, maar het zou best kunnen dat hij in zijn Op. 41 nr. 2 een beetje tegemoetkomt aan Clara’s wens en zo toegankelijk mogelijk probeert te schrijven. Het kwartet valt met de deur in huis met een assertief thema met grote notensprongen boven een aanstekelijk wiegende begeleiding. Dat thema ondergaat vrijwel meteen allerlei bewerkingen en wordt ook als canon gebruikt. In de coda valt het tempo terug en smeert Schumann een fragment van het thema uit op een manier die sterk doet denken aan het begin van Beethovens kwartet op. 132. Is het een bewust citaat? Daarna eindigt het deel abrupt. Er volgt een variatiedeel, waarin Schumann laat horen hoe zuinig hij omspringt met een melodische inval en er het maximale uithaalt.

Hij draait het thema om, rekt het uit, snijdt het in stukjes en herschikt die op allerlei manieren. Het lijkt soms net of hij in de keuken bezig is met een lap deeg. Het daaropvolgende scherzo is duidelijk vanuit de piano gedacht en is moeilijk speelbaar voor strijkers. In het trio, het tussengedeelte, horen we dat de kroegen in Leipzig aan Schumann een goede klant hadden. Het klinkt burlesk en op het randje van ordinair en komt na de herhaling van het scherzo nog even terug in het coda. De finale is uitbundig en sprankelend. Schumann verwerkt er weer een Beethovencitaat in. We horen het thema van het laatste lied uit diens cyclus An die ferne Geliebte op. 98.

Kwartet in A gr. op. 41 nr. 3
Van Schumanns drie kwartetten wordt het laatste, in A gr. Op. 41 nr. 3, het meest gespeeld. Het lijkt of hij zich, na het componeren van de eerste twee van dat opus, nu pas echt helemaal thuis voelt in het strijkkwartetidioom en zijn expressiedrift de vrije teugel durft te geven. Ook al is dit kwartet sterk rapsodisch en zit het vol met abrupte tempowisselingen, toch komt het helemaal niet chaotisch over. In de dromerige inleiding klinkt al een zuchtende voorbode van het openingsthema - twee noten van een dalende kwint die Schumann ook gebruikte als hij zijn vrouw riep: ‘Cla-ra’. Dat thema fungeert als bindmiddel voor het hele werk en het is hoogstwaarschijnlijk weer een Beethovencitaat. Schumann speelde erg graag diens Pianosonate op. 31 nr.3, die opent met een vergelijkbaar motief. Het tweede thema wordt gespeeld door de cello en door de andere instrumenten ritmisch tegendraads begeleid, iets dat Schumann ook vaak toepast in zijn pianomuziek. Het deel eindigt weer zoals het begon: met het zuchtende dalende kwintmotief. Tegendraadse ritmes bepalen ook het tweede deel, een hoogst originele mengvorm tussen een scherzo en een variatiedeel, waarin het krachtige, exuberante en het peinzende en lyrische elkaar afwisselen.

In de tweede variatie kunnen we horen dat Schumann zich kort
daarvoor diepgaand had beziggehouden met de muziek van
Bach.

 

In de derde variatie komen we het kwintthema van het eerste deel weer tegen. Het Adagio molto daarna opent met een hunkerende melodie, die op zichzelf niet zo bijzonder is, maar ongelooflijk rijk harmonisch wordt aangekleed. Dit deel zit barstensvol geniale muzikale invallen, soms dramatisch en meestal lyrisch, met als contrast een passage in een mild marstempo. De zwierige, zorgeloze, soms bijna overmoedige Finale is een soort lappendeken van losse stukjes, vergelijkbaar met de pianocycli die Schumann eerder had geschreven. Tegen het eind werkt Schumann toe naar een opwindende climax.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links