Componisten/werken

Cosima en de Wil van de Meester (4):

De Wagnervereeniging in het nauw

 

© Albert van der Schoot, mei 2022

 

Voorpublicatie in zeven afleveringen van een hoofdstuk uit het nog te verschijnen boek van Albert van der Schoot, Deutschland über alles, Herr Schuricht! Confrontaties in het Concertgebouw.

Wat voorafging: Cosima Wagner heeft alles gedaan en iedereen gemobiliseerd om te voorkomen dat Parsifal integraal in het Concertgebouw zou worden uitgevoerd. Ze heeft zelfs de solisten zo sterk onder druk gezet dat sommigen zich hebben teruggetrokken. Maar Mengelberg, Toonkunst en het Concertgebouworkest geven niet op, en op 20 en 21 december 1902 vindt de uitvoering toch plaats.

Aflevering 4: De Wagnervereeniging in het nauw

Het zou niet de laatste maal zijn dat Amsterdam zondigde tegen de Wil van de Meester. In januari 1903, dus een paar weken nadat de uitvoering heeft plaatsgevonden, publiceert Henri Viotta een uitgebreid artikel in het muziektijdschrift Caecilia. Hieruit blijkt dat Cosima zich, al vóórdat zij aan Mengelberg schreef, op 24 november tot Viotta had gewend in zijn rol van leider van de Wagnervereeniging, met het verzoek te verhinderen dat dit concert plaats zou vinden. Daar voelde het bestuur van die vereniging niets voor. Dat ligt voor de hand: de Wagnervereeniging had zelf al meerdere malen opvoeringen gegeven van ‘verboden’ fragmenten van het werk. Maar dat is niet de reden die Viotta geeft. Aan de lezers van Caecilia geeft hij de indruk dat de Wagnervereeniging niet in competitie wil treden met Toonkunst; aan mevrouw Wagner schrijft hij dat zijn vereniging met deze uitvoering niets te maken heeft en niet mag verwachten dat haar eventuele protest enige weerklank zou vinden.
Als het inderdaad zo zou zijn dat de Wil van de Meester zich
tegen de voorgenomen uitvoering zou verzetten, so kann nach
unserer Ansicht nur eine directe Mahnung Ihrerseits als der
Trägerin der Kenntniss dieses Willens (...) etwas ausrichten
.

Maar Cosima is, zoals we gezien hebben, vasthoudend, en ook Viotta laat ze niet los. Op 7 december (dus nadat ze zich tot Mengelberg heeft gericht, wat ze hier onvermeld laat) herhaalt ze haar verzoek: ook al haalt uw protest niets uit, men moet zien dat een genootschap dat naar de Meester is vernoemd hiertegen protesteert. Ze legt aan de oprichter van de Wagnervereeniging uit dat de taak van die vereniging is om de ideeën van de Meester te verspreiden – de ideeën dus, niet de composities, seitdem unsere Werke (...) über die ganze Welt verbreitet sind. Unsere Werke! Cosima schrijft alsof ze al die opera’s samen met Richard zelf gecomponeerd heeft. Maar over het doel van de Wagnervereeniging denkt ze heel anders dan die vereniging zelf. Die heeft zich juist tot doel gesteld ‘de waardige uitvoering van Richard Wagner’s dramatisch muzikale werken’. Viotta wil een publiek kweken dat die werken op de juiste wijze kan genieten. Hij richt zich daarbij op zijn eigen leden, niet op een breed publiek.

 
 

Mr. Henri Viotta (1848-1933)

En ook nu wacht Cosima de reactie niet af, maar richt ze zich op 12 december zum dritten Male tot Viotta met het verzoek om haar wens actief te ondersteunen. Dat is dus nadat ze, op het verkeerde spoor gezet door het verslag van Geheimrat Strecker, al aan Toonkunst heeft laten weten dat ze blij is dat de zaak nu privatim geregeld is. Ze wil uit haar campagne maximaal effect halen en drukt Viotta op het hart om haar standpunt zowel in de kleine kring van verantwoordelijken alsook in de pers naar voren te brengen. Het bestuur van de Wagnervereeniging voelt niets voor het laatste, maar laat zich overhalen om met Toonkunst contact op te nemen. Het krijgt van Sillem te horen dat de zaak intussen geregeld is, en dat mevrouw Wagner nu instemt met de plannen. Opgelucht meldt de Wagnervereeniging op 13 december deze uitkomst aan Cosima, en even opgelucht bedankt zij Viotta op 15 december voor de moeite.

Op dit moment zijn dus alle drie partijen (Bayreuth, Toonkunst én de Wagnervereeniging) door een ander misverstand in de waan gebracht, dat de zaak geregeld is. Hier stopt Viotta zijn weergave van de correspondentie, en doet hij post factum alsnog wat Cosima van hem gevraagd heeft: hij verdedigt haar positie, en probeert tegelijkertijd het optreden van de Wagnervereeniging daarmee in het reine te brengen. Die heeft immers nooit de hele Parsifal, maar alleen gedeelten daarvan tot uitvoering gebracht. En dat dan ook nog in de schouwburg, zodat het orkest, net als in Bayreuth, voor het publiek niet zichtbaar was.

Viotta gaat selectief om met zijn bijval voor de positie van Cosima Wagner. Hij valt haar bij in haar kritiek op de concertuitvoering: in een concertzaal komt het Bühnenweihfestspiel niet tot zijn recht.

‘Welke Wagneriaan gevoelt niet met mevrouw Wagner mede, wanneer zij zich gegriefd acht door de wijze, waarop met den zwanenzang van den grooten meester wordt omgesprongen!’(1)

Maar wat betreft het uitvoeringsverbod buiten Bayreuth: hoe lang zal dat nog kunnen blijven gelden? Hier stelt de jurist Viotta, die in 1877 gepromoveerd is op het proefschrift Het auteursrecht van den componist, nuchter vast dat dit niet door ‘de Wil van de Meester’, maar door de wet bepaald wordt. In Duitsland geldt het auteursrecht tot dertig jaar na de dood van de schepper, dus over tien jaar staat het iedereen vrij Parsifal naar eigen inzicht uit te voeren.(2) Als Wagner dat niet gewild had, dan had hij de partituur helemaal niet moeten uitgeven.(3)

Aan het feit dat Wagner alleen bepaalde fragmenten voor uitvoering had vrijgegeven gaat Viotta maar helemaal voorbij: die regel heeft hij zelf te vaak overtreden.

Viotta’s artikel vraagt wel om commentaar – en dat is een kolfje naar de hand van Charles Boissevain, bestuurslid van de NV Het Concertgebouw, en bovenal: vriend en vertrouweling van Mengelberg.

Jan Toorop: Charles E.H. Boissevain (1868-1940)

Boissevain verwijst dankbaar naar de talrijke bladen in en buiten Nederland die zich lovend over de uitvoering van Toonkunst hebben uitgelaten. De lof gold in de eerste plaats de hoge muzikale kwaliteit van de uitvoering, maar daarnaast heeft een aantal bladen ook het oordeel van de dame uit Bayreuth in twijfel getrokken.

En natuurlijk weet Boissevain precies aan te wijzen welke delen van de brieven van Cosima niet door Viotta zijn weergegeven. Uit de correspondentie tussen haar en Toonkunst citeert hij triomfantelijk haar opmerking dat zij van de uitvoeringen door de Wagnervereeniging niet op de hoogte was. Sonst können Sie sicher sein dass ich eingeschritten wäre.(4) Ze herinnert eraan dat ze dat bij een andere poging ook inderdaad gedaan heeft. Boissevain stelt niet zonder triomf vast dat Viotta ten strijde trekt tegen misdaden die hij zelf begaan heeft!

Dit kan Viotta op zijn beurt niet onweersproken laten. Hij kan – als redacteur van Caecilia – in de kolommen van zijn eigen tijdschrift makkelijk een weerwoord plaatsen, en laat dat als ‘Naschrift’ meteen op het stuk van Boissevain volgen. Viotta benadrukt dat hij de aandrang van Cosima heeft weerstaan om zich in het openbaar tegen de uitvoering te keren. Liever had hij zich er helemaal niet over uitgesproken, maar ‘door de fanfaronnades der trawanten van “Toonkunst”, die er de Wagnervereeniging bij te pas brachten’ kon hij niet anders.(5) Maar hij is en blijft het met Cosima eens dat de uitvoering unkünstlerisch was: de Grote Zaal is ten enenmale ongeschikt om de voor Parsifal vereiste balans van solisten, koor en orkest te bereiken. En wat die ‘verboden fragmenten’ betreft: daar is ons voor het eerst melding van gemaakt in de brief uit Bayreuth van 7 december 1902, dus wij hebben dat bij onze eerdere uitvoeringen niet kunnen weten. De Wagnervereeniging heeft dan ook geen enkel verbod overtreden, want – dat verbod was er nog niet.

Volgende aflevering: Opnieuw protest van Cosima.

Vorige aflevering: De Wagnervereeniging in het nauw.
_________________
(1) Viotta, ‘De “Parsifal”-kwestie’, in Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift voor Nederland, jg. 60 nr. 5, 1903, p. 169.
(2) Als het aan Cosima had gelegen zou die periode nog met twintig jaar verlengd zijn. Ze heeft zich vergeefs tot de Rijksdag gewend om dat voor elkaar te krijgen.
(3) Een onmogelijk verlangen: het was Wagners levensonderhoud. Voor het recht om Parsifal uit te mogen geven betaalde Franz Schott destijds 190.000 mark aan de componist.
(4) Boissevain, ‘De Parsifal-uitvoering’, ‘De Parsifal-uitvoering van “Toonkunst” ’, in Caecilia, algemeen muzikaal tijdschrift voor Nederland, jg. 60 nr. 6, met ‘Naschrift‘ van Viotta, 1903, p. 225.
(5) Ibidem (Viotta’s ‘Naschrift’).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links