Componisten/werken

Componeren in een staat van goddelijke genade:

Galina Oestvolskaja (1919 ~ 2006)

 

© Aart van der Wal en Jan de Kruijff, april 2007

 

 

De term 'wereldberoemd in Nederland' die ooit gold voor Enrico Pace, de Italiaanse eertijdse winnaar van een Utrechts Liszt pianoconcours, geldt in haast nog hogere mate voor de vrijwel alleen in Amsterdam en omstreken bekende Russische componiste Galina Ivanova Oestvolskaja die 24 december op 87-jarige leeftijd in haar woonplaats Sint-Petersburg aan een hartaanval overleed.

Aan een algemene, bredere onbekendheid in internationale muziekkringen droeg de als een kluizenares in Sint-Petersburg levende componiste zelf veel, zo niet alles bij. Niet alleen sloot de schuwe mystica die zo'n totaal ander karakter had dan haar wèl in de openbaarheid tredende landgenote Goebajdoelina zich bewust af van de wereld, haar muziek is in hoge mate weerbarstig en extreem en vertoont een haast even hermetisch gesloten, raadselachtig karakter.

Bekend is dat Oestvolskaja van 1937 tot 1939 aan een muziekvakschool in Leningrad studeerde en daarna tot 1947 aan het conservatorium aldaar, waar Sjostakovitsj haar belangrijkste mentor was en haar zelfs ooit vroeg om met hem te trouwen. Achteraf is duidelijk geworden dat hij haar incidenteel in zijn werken citeerde. Invloeden van het Klarinettrio zijn terug te vinden in diens Vijfde strijkkwartet en de Michelangelo suite; het geklop op de vioolkast uit de Vioolsonate keert terug in zijn Dertiende strijkkwartet. Zelf sprak de componiste in weinig vleiende bewoordingen over de veel beroemder componist. Ze schreef: "Een schijnbaar voorname persoonlijkheid als Dmitri Dmitriëvitsj Sjostakovitsj is voor mij eigenlijk in het geheel niet zo voornaam. Integendeel, hij heeft mijn leven verzwaard en mijn beste gevoelens gedood."

Ze voorzag in haar levensonderhoud door les te geven, filmmuziek te componeren en op bestelling van braaf 'Sovjetrealisme' getuigende stukken te schrijven voor enthousiaste sportlui en partij pioniers. Haar eigen oeuvre ontstond in het geheim. In de tv-documentaire Toonmeesters van Cherry Duins en Reinbert de Leeuw uit 1994 is ze nauwelijks in beeld. Na de dood van haar man, de componist Joeri Balkasjin, in oktober 1960, trad een periode van rouw in die haar niet meer zou verlaten. Haar tweede huwelijk, met een van haar leerlingen, de twintig jaar jongere Konstantin Bagrenin, veranderde daaraan niets.

Composities in de jaren zestig ontstonden vrijwel niet, met het Duet voor viool en piano als het enige noemenswaardige stuk. Galina kwam nauwelijks meer op straat en dan hooguit om snel enige boodschappen te doen. Ze leefde thuis, onder erbarmelijke omstandigheden, maar wel in een volkomen eigen wereld, een wereld die haar zo vertrouwd was. Pas vanaf het begin van de jaren zeventig nam haar creatieve productie sterk toe, maar met behoud van diezelfde zeer strenge onverbiddelijkheid jegens de kwaliteit van haar werk. Zo ontstonden Compositie nr. 1 Dona Nobis Pacem (1970/71), Compositie nr. 2 Dies Irae (1972/73) en Compositie nr. 3 Benedictus Qui Venit (1974/75), de Tweede symfonie (Wahre, ewige Seligkeit) (1979), de Derde symfonie (Jesus Messiah, errette uns! ) (1983), De Vierde symfonie (Gebet) (1985/87) en de Vijfde symfonie (Amen) (1989/90), alsmede haar twee laatste pianosonates : de Vijfde sonate in 1986 en de Zesde sonate in 1988.

Zij behoorde niet tot al die Sovjetkunstenaars die wel of niet noodgedwongen water bij de wijn deden, compromissen sloten die vaak ten koste gingen van hun oorspronkelijkheid. Een van de consequenties van Oestvolkaja's consequente houding was dat zij aan het Russische muziekleven niet actief deelnam en dat haar werk onuitgevoerd bleef. Dat zij uiteindelijk in het vrije westen wel aandacht kreeg liep in eerste aanleg via feministische bijeenkomsten, wat zij ronduit verafschuwde. Het laatste wat zij wilde was dat zij een of ander etiket kreeg opgeplakt, of muzikaal feminisme in de schoenen kreeg geschoven. Integendeel, Oestvolskaja componeerde naar haar zeggen alleen als zij in een staat van 'goddelijke genade' verkeerde, door niets en niemand daarin beïnvloed.

Haar verrassend eruptieve en volkomen compromisloze werk klonk hier voor het eerst tijdens het Holland Festival 1989 tijdens een Russisch programma toen haar Tweede symfonie door het Schönberg ensemble onder Reinbert de Leeuw tot uitvoering kwam. Dat was schrikken van de zware mokerslagen als uit Mahlers Zesde, maar nu geïsoleerd en uitgevoerd op trommen en piano, begeleid door acht duister grommende contrabassen en slechts terloops optredende melodieflarden van hobo's, hoorns en tuba's. Opgenomen is dat werk helaas nooit. Nog meer zware klappen deelde de componiste uit in haar Compositie nr. 2 voor 8 contrabassen, houten kist en piano. Obsessieve muziek gebaseerd op dreunende akkoordclusters, soms op de grens van onspeelbaarheid, laat staan dat iemand nog het verschil zou kunnen waarnemen tussen ffff en ffffsf.

Geen wonder dat het stuk met vele andere tijdens het strenge artistieke regime in de Sovjet-Unie geen kans op uitvoering maakte en jaren in een lade thuis sluimerde en hooguit bekend was binnen een klein sektarisch groepje kennissen. Van opnamen kon dus ook geen sprake zijn, al bood Megadisc achteraf een unieke opname met violist Oleg Stolpner pianist Oleg Malov van het Duet voor viool en pianouit 1964 en het aan Rostropovitsj opgedragen Grand duet voor cello en piano uit 1959 met een onbekende cellist aan (Megadisc MDC 7863). Met pianist Alexander Loebimov nam Rostropovitsj dat werk trouwens veel later, in 1996 op, maar het bevindt zich alleen onhandig in een album van 13 cd's (EMI 572.016-2). Ook wijdde Malov zich aan de zes pianosonates (MDC 7876). Verder circuleerde er een Melodyia opname (74321-49956-2) uit 1985 ook met dat Grand duet, het Octet voor 4 violen, 2 hobo's, cello en slagwerk (1950), het Concert voor piano, strijkers en pauken (1946) van het Leningrads kamerorkest en de Derde pianosonate (1952) als enige opname van vroeg werk van deze componiste.

In 1995 was Oestvolskaja verrassend en vrij anoniem even in Nederland toen het Concertgebouworkest onder leiding van Valery Gergiev haar Derde symfonie met de ondertitel 'Jezus, Messias, red ons' uitvoerde. Een jaar later dirigeerde Mstislav Rostropovitsj het Amsterdamse orkest  in een vertolking van de Tweede symfonie 'Ware, eeuwige genade'. De diverse liturgische titels kunnen gemakkelijk misverstanden oproepen, want de betreffende muziek heeft een allesbehalve liturgisch karakter. Met deze werken doorbrak ze bovendien de scheidslijnen tussen het symfonische- en kamermuzikale genre: "symfonieën" maakten plaats voor "composities" en vice versa. Nadere toelichtingen en verklaringen van Oestvolskaja over haar eigen werk ontbreken, zodat het gissen blijft. Tenzij ooit in haar woning nog schriftelijk vastgelegde nadere gegevens opduiken. Ze blijft een raadselachtige, unieke verschijning in de twintigste-eeuwse muziekwereld. De felle klappen die ze liturgisch gemotiveerd in haar werk telkens weer uitdeelt, hebben iets van zelfkastijding.

De beste vertolkingen van de muziek van Oestvolskaja moeten getuigen van een fanatieke intensiteit die een sine qua non is voor haar bijzondere manier van getourmenteerde communicatie. Vooral het Schönberg ensemble en pianist Hinterhäuser lukt dat prachtig.

Het Concert voor piano, strijkers en pauken uit 1946 dat ontstond toen de componiste nog deel uitmaakte van de compositieklas van Sjostakovitsj in Leningrad ademt al iets van de latere frisson. Geen wonder dat het werk meteen werd verboden en pas in 1969 in première ging.

Tegen 1950 schreef Oestvolskaja al het soort van kale structuren waarin Sjostakovitsj iets van zichzelf herkende. Het Octet is daarvan een mooi voorbeeld met zijn angstaanjagende percussieve klappen in de climaxen. De ascetisch gepassioneerde toon die ze aanslaat in opnieuw heel bijzonder in de Vioolsonate en het Klarinettrio. Bewust lijkt ze omgekeerd invloeden van Sjostakovitsj hier op afstand te houden.

Goed uitgevoerd neemt een indrukwekkend werk als het Grand duet het karakter aan van een symfonie voor cello en piano.

Vooral in de ascetische Derde pianosonate schuilen ascetische mysteries en een duistere intensiteit. De Vierde daarentegen klinkt vol gedempte intimiteit, de Vijfde is weinig meer dan de som der delen, maar de apocalyptische Zesde is weer een indrukwekkend stuk.

Selectieve discografie

Symfonie nr. 3 Jezus Messias, red ons! (tekst: Contractus) (1993). Valery Sjertsjanoi met het Sinfonie Orchester des Bayerischen Rundfunks o.l.v. Markus Stenz. Col Legno WWE 20083.

Symfonie nr. 4 Gebed  voor mezzosopraan, trompet, piano en tam-tam (1985/87). Barton Workshop. Et'cetera KTC 1170.

Concert voor piano, strijkers en pauken (1946). Aleksei Loebimov met de Kammerphilharmonie Bremen o.l.v. Heinrich Schiff. Warner Classics 2564.60491-2.

Compositie nr. 1 Dona nobis pacem voor piccolo, tuba en piano (1970/71), Compositie nr. 2 Dies irae voor 8 contrabassen, blok en piano (1972/73), Compositie nr. 3 Benedictus qui venit voor 4 fluiten, 4 fagotten en piano (1974/75). Schönberg ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Philips 442.532-2.

Grand duet voor cello en piano. Barton Workshop. Et'cetera KTC 1170.

Trio voor viool, clarinet en piano (1949); Vioolsonate (1952). Kirill Rybakov (klarinet), Alexander Trostiananski (viool) en Alexei Loebimov (piano). ECM 476.3108.

Trio voor viool, klarinet en piano (1949). Barton Workshop. Et'cetera KTC 1170.

De 6 pianosonates (1947-1988). Markus Hinterhäuser. Col Legno WWE 20019.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links