Componisten/werken

Frank Martin: 'Le Mystère de la Nativité'

 

© Maarten Brandt, 2004

 

 
  Frank Martin (r.) met de cellist Henri Honegger (Vevey, 1960)

De Zwitserse, maar sinds 1946 in ons land woonachtig geweest zijnde componist Frank Martin (1890-1974), behoort zonder twijfel tot de meest veelzijdige muziekvinders uit de inmiddels ruimschoots geschiedenis geworden turbulente twintigste eeuw. Er valt moeilijk een genre te bedenken of hij is er niet mee in de weer geweest: orkestwerken, concertante composities, kamermuziek, oratoria, opera, liederen, a cappella koormuziek en noem maar op.

Anders dan vele van zijn tijdgenoten stelde hij zich echter zeer kritisch op ten opzichte van onverschillig welke en vogue zijnde technieken. Wat overigens niet betekent dat Martin zich niet op deze of gene wijze met sommige van die technieken intensief heeft beziggehouden. Zoals bijvoorbeeld met het twaalftoonsdenken van Arnold Schönberg en de zijnen, waarvan duidelijke sporen zijn terug te vinden in onder meer een van zijn meest geliefde werken: de Petite Symphonie Concertante (1945-1946). Het opvallende is echter dat het hanteren van twaalftoonsreeksen bij Martin nooit leidt tot een stijl die ook maar bij benadering aan die van Schönberg doet denken, integendeel. Zijn klanktaal is, om het even of het om vroege of late composities van zijn hand gaat, van A tot Z Latijns gericht, zijn liederen niet uitgezonderd, ook al zijn deze soms duidelijk geïnspireerd door Schubert en vooral Schumann. Bovendien is de werking van tonale centra nooit geheel afwezig, en dat strookt geheel met de opvatting van Martin dat het ontbreken van tonaliteit - en tonaliteit mag hier uiteraard ruimer worden gezien dan de klassieke definitie van dit begrip - neerkomt op een "wereld zonder zwaartekracht". Daarbij was hij nadrukkelijk van mening dat bij een kunstwerk niet de theoretische grondslag, maar de uitdrukking het volstrekte primaat dient te hebben. Ook was hij van opvatting dat complexiteit nooit een doel op zich mag zijn, maar op in beginsel eenvoudige uitgangspunten moet zijn gebaseerd. Alleen onder die voorwaarden is de basis voor een muziek geschapen die rijk is aan kleur en expressie. Een muziek kortom, die bij machte is haar 'boodschap', en die kan evengoed abstract of concreet zijn, direct op de luisteraar over te brengen.

Mysterie- en mirakelspelen

Als er al van een stilistische invloed in het oeuvre van Martin kan worden gesproken, stamt die niet uit de twintigste, maar uit de zeventiende eeuw. Het geval wil namelijk dat de componist op twaalfjarige leeftijd een uitvoering van de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach bijwoonde die een zodanig diepe indruk op hem maakte dat dit zijn leven lang een blijvend effect op hem had. Een van Martins belangwekkendste werken, zijn magistrale oratorium Golgotha (1945-1948), kan dan ook als een imposante Franstalige evenknie van Bachs befaamde en alom geliefde passie worden beschouwd. Voorts gaat het beslist niet te ver Martins tot op heden jammer genoeg zelden te horen oratorium Le Mystère de la Nativité (1957-1959) als een zeer geslaagde twintigste eeuwse pendant te zien van het Weinachtsoratorium van zijn grote voorbeeld.

Zoals de titel van Martins kerstoratorium reeds aangeeft, betreft het hier een klankgeworden mysteriespel. En hiermee bevinden we ons op slag midden in de renaissance, het tijdperk waarin de van oudsher uit de middeleeuwen daterende mysterie- en mirakelspelen nog aan de orde van de dag waren. Anders dan men op grond hiervan zou verwachten is het niet de mystiek (ofschoon wel degelijk aanwezig) die in deze binnen de boezem van de kerk ontwikkelde theatervorm domineert. Het woord 'mysterium' is immers mede afgeleid van het latijnse 'ministerium', dat godsdienst betekent. Qua origine stonden de mysteriespelen dus ondubbelzinnig in dienst van de liturgie. Gaandeweg ontwikkelde deze religieuze theatervorm zich steeds sterker tot een bij uitstek spectaculair gebeuren waarin ook wereldse elementen werden binnengesmokkeld en het devote element allengs geheel naar het tweede plan verschoof. Overbodig te zeggen dat dit de kerkelijke autoriteiten een doorn in het oog was. Zo verplaatste het toneel van deze bonte opvoeringen zich vanuit de kerk naar de marktplaats en werden deze spelen en centrum waaromheen allerhande drank- en eetgelagen werden georganiseerd. Door dergelijke evenementen, waaraan honderden mensen meewerkten, werd de bevolking van een dorp of stad soms wel vier dagen of langer gefascineerd.

Eerste uitvoeringen

Voor zijn in opdracht van de Geneefse Radio geschreven Le Mystère de la Nativité zocht Martin zijn toevlucht tot Mystère de la Passion, een uit het midden van de vijftiende eeuw stammend mysteriespel van Arnoul Greban. Grebans tekst bestaat uit een proloog en vier delen, die elk voor een dag zijn bedoeld en waarin de geboorte, het leven, het lijden en de opstanding van Christus worden behandeld. Martin koos uit dit uitvoerige passiespel delen uit de proloog en de eerste dag, waarin de nadruk ligt op de geboorte van Christus in combinatie met het thema van de Erfzonde en de vergeefse pogingen van Satan om de geboorte van de Verlosser te verijdelen. De componist heeft de oorspronkelijke tekst van Greban zoveel mogelijk intact gelaten, behalve dat hij deze zowel naar de letter als de geest in modern Frans heeft trachten over te zetten.

Voorts richtte Martin het totaal zo in dat het uit drie delen en twaalf secties samengestelde opus eventueel ook scenisch kon worden gerealiseerd. Wat overigens is geschied en wel op 15 augustus 1960 tijdens de Salzburger Festpiele onder regie van de maker zelf en met de Berliner Philharmoniker onder supervisie van de wijlen Heinz Wallberg. De wereldpremière had op 23 december 1959 te Genève plaats. Naast het Orchestre de la Suisse Romande onder Ernest Ansermet, destijds een van de belangrijkste pleitbezorgers voor Martin, werkte een keur aan vermaarde solisten mee, waaronder Elly Ameling en Aafje Heynis in de rollen van respectievelijk Eva en Maria alsmede Elisabeth en Anna. De eerste Nederlandse uitvoering van Martins Le Mystère de la Nativité heeft op 14 oktober 1964 in de Grote zaal van het Amsterdamse Concertgebouw geklonken. Bij die gelegenheid speelde het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Jean Fournet met opnieuw in de belangrijke vrouwelijke hoofdrollen Elly Ameling en Aafje Heynis. Het initiatief tot deze uitvoering werd genomen door Han Reiziger, toen hoofd van de klassieke muziekafdeling van de VPRO, die naar een tegenhanger zocht voor Bachs Weinachtsoratorium en door Felix de Nobel en Anthon van der Horst opmerkzaam werd gemaakt op Martins Le Mystère. Martin zelf was intensief bij de voorbereidingen van deze verklanking betrokken en nadien bijzonder te spreken over het uiteindelijke resultaat.

Opzet

Van doorslaggevend belang voor de tekst van Greban is de opsplitsing ervan over drie lagen die de Hemel, de Aarde en de Hel representeren. Van die gelaagdheid is door Martin dankbaar gebruik gemaakt. Het muzikale materiaal in de Hemel berust voor het merendeel op een vooral open sonoriteit en elementen die stoelen op de aloude modale kerktoonsoorten. De Hel krijgt uiteraard op een precies tegenovergestelde wijze gestalte. Het idioom is ruw, zeer elementair en leunt sterk tegen de atonaliteit aan. Zij het dat die atonaliteit helemaal niet beredeneerd overkomt, maar aan het verloop van het gebeuren rond Satan en zijn trawanten - die zich van een soort 'Sprechgesang'bedienen - een haast komische inslag verleent (iets van het Bourgondische van de oorspronkelijke mysteriespelen - zie hiervoor - klinkt bij uitstek in deze episodes door!). Het meest rijk van inhoud is de muziek die zich in het Paradijs en op Aarde afspeelt. Tonale elementen en atonale elementen (chromatiek, dissonanten) zijn op een grandioze wijze met elkaar vermengd. Tegelijkertijd overheerst overal eenvoud, wat hier niet mag worden vertaald met oppervlakkigheid. Het gaat hier om de eenvoud die het kenmerk van het ware is, of om met Martin zelf te spreken, om "simplicité et pureté". Opvallend is dat het orkest zelden in zijn geheel klinkt, maar meestal groepsgewijs. Om maar eens een sterk tot de verbeelding sprekend voorbeeld te noemen; het ontroerende vrouwenkoor ("O la béneutuée Pucelle") wordt slechts door één enkel instrument (hobo) omspeeld, maar het effect is van een ongelooflijke draagwijdte. Het gehele uit twaalf episodes samengestelde oratorium is doordesemd van een naar het sensuele neigende intieme atmosfeer die lijkt te onderschrijven dat sensualiteit en spiritualiteit elkaar niet hoeven uit te sluiten.

Hier zij vooral verwezen naar de vrouwelijke protagonisten aan wie Martin het leeuwendeel van zijn betoverende melos heeft toevertrouwd. Bij alle contrasten tussen zowel die twaalf episodes onderling als de gelaagdheid van het oratorium in zijn totaal is de uiteindelijke indruk die Le Mystère de la Nativité achterlaat die van een perfect sluitende eenheid. Dit laatste strookt evenwel geheel met de bedoeling van Martin, die een centrale notenreeks tot vertrekpunt van het werk in zijn geheel heeft gemaakt, een reeks waaruit de muzikale elementen van Hemel, Aarde en Hel zijn afgeleid en waaruit dus blijkt dat deze drie hoedanigheden niet als afgebakende 'gebieden' moeten worden gezien maar als één ondeelbaar universum. Om nog eenmaal op het begrip eenvoud in samenhang met deze compositie terug te komen; het komt hier op de eenvoud voor de fijnproever aan, en niet op wat men daar tegenwoordig doorgaans met betrekking tot de 'nieuwe eenvoud' onder verstaat. Wie oren heeft om te horen, die hore.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links