Componisten/werken

Frank Martin: glijdende tonaliteit

 

© Gerard Scheltens, december 2007

 

 
  De villa aan de Bollelaan 11 in Naarden

In de buurtschap Bikbergen bij Naarden, aan de Bollelaan nummer 11, staat een aangenaam ogende villa met een ruime tuin: het Frank Martin Huis. Het is een documentatiecentrum voor eenieder die meer wil weten over deze Zwitserse componist, die er woonde vanaf 1956. Sinds hij op 21 november 1974 stierf - een week nadat hij nog gewerkt had aan zijn kamercantate met de veelzeggende titel Et la vie l'emporta - is de benedenverdieping onaangetast gelaten op instigatie van Martins tweede vrouw, de Nederlandse fluitiste Maria Boeke. Hier kan men zien hoe hij woonde en werkte, in een idyllische omgeving die hem op een zomerdag de verzuchting deed slaken dat hij "geen rustig moment had gehad door het vogelgekwetter om me heen."

Frank Martin kwam uit het Romaanse deel van Zwitserland. Zijn stijl heeft zich ontwikkeld vanuit een Franse oriëntatie en heeft altijd een sterke binding gehouden met zijn wortels. Hij werd in zijn geboorteland erkend als één der groten en overladen met eerbewijzen. Zo kreeg hij in 1949 een eredoctoraat in Genève en twee jaar daarvoor de Prix des compositeurs Suisses , die volgens de dirigent Ernest Ansermet, één van zijn trouwste vrienden en voorvechters, niet alleen gold voor zijn oeuvre, maar ook voor zijn persoonlijkheid.

 
  Frank Martin omringd door zijn kinderen en kleinkinderen, in de tuin van zijn huis in Naarden, september 1965

Martin in Nederland

Maar iemand die van 1946 tot zijn dood in Nederland woonde (de eerste tien jaar in Amsterdam) willen wij ons graag een beetje toe-eigenen. Vandaar dat Frank Martin óók een eervolle plaats inneemt in de annalen van de Nederlandse muziekgeschiedenis, al sprak hij gebrekkig Nederlands en hield hij zich op afstand van het muziekleven. In 1971 gaf hij in Mens en Melodie te kennen dat hij zich in Zwitserland wat opgesloten had gevoeld en dat hij zich in Nederland helemaal aan het componeren kon wijden: "ik geniet daartoe veel rust." Dat belette hem overigens niet om tien jaar lang te doceren aan de Hochschule für Musik in Keulen. Hij volgde het Nederlandse muziekleven op afstand en waardeerde vooral de muziek van Willem Pijper, die hij als muzikale verschijning zeker van het formaat van Roussel vond, "beter zelfs."

Na zijn dood is Martin in Nederland niet vergeten. In het Utrechtse Vredenburg is meermalen een concert of zelfs (in 1997) een hele dag aan zijn muziek gewijd. In de groeiende rij alternatieven voor Bachs Matthäus-Passion die jaarlijks in de lijdenstijd worden aangeboden, speelt zijn protestantse oratorium Golgotha uit 1945-48 een belangrijke rol. Martins visie op het lijdensverhaal bewijst in harmonisch opzicht eer aan Bach - van zijn kennismaking als 10-jarige met de Matthäus kwam hij nooit meer los - maar draagt zijn eigen 20ste-eeuwse stempel.

Fascinatie

Eerst zag het er niet naar uit dat de jonge Martin in de muziek zou gaan. Als tiende en jongste kind van een protestantse predikant werd hij op 15 september 1890 in Genève geboren. Hoewel hij als 8-jarige al componeerde, bezocht hij nooit een conservatorium. Naar de wens van zijn ouders ging hij wis- en natuurkunde studeren. Hij maakte de studie niet af, want de muziek trok aan hem. Na de Eerste Wereldoorlog woonde hij in Zürich, Rome en Parijs. Hij keerde terug naar zijn geboortestad en nam in 1926 les aan het Institut Jacques-Dalcroze , waar hij vervolgens van 1928 tot 1938 docent werd. Hier kon hij zijn fascinatie voor ritme uitleven en verder ontwikkelen.

Een vroeg werk als de vioolsonate uit 1913 toont zijn schatplichtigheid aan zowel Schumann als Franck, waarmee een gecombineerd Frans-Duitse ondergrond werd gelegd die doorklinkt tot in zijn laatste werk. Maar dit puur-romantische idioom liet hij snel achter zich. Via Ansermet raakte hij bekend met het werk van Debussy en Ravel, wat resulteerde in de Quatre Poémes à Cassandre (1921) naar Ronsard, waarin hij voor het eerst een eigen, bewust archaïserende stijl hanteert.

Glijdende tonaliteit

In de jaren '30 ontdekte Martin het 12-toonssysteem van Schönberg. Hij paste dit toe in o.a. het Eerste Pianoconcert (1934) en de Symfonie (1937), waarin hij ook instrumenten als de vibrafoon en de saxofoon gebruikte. Het was slechts een fase, want een dogmatisch Schönberg-adept is hij nooit geworden: harmonie bleef het centrale uitgangspunt en hij hield de tonaliteit in ere, maar liet die wel 'glijden': vaak eindigt een deel in een andere toonsoort dan die waarmee het begonnen was. Een sleutelwerk in dit opzicht is het oratorium Le vin herbé (1938-41), een moderne adaptatie van het Tristan en Isolde-verhaal voor 12 zangstemmen, 7 strijkers en piano, waarin Martin de roman van Joseph Bédier nauwgezet volgt.

 
  V.l.n.r. Elsa Cavelti, Frank Martin, Paul Sacher, Vondermùhl,
Maja Sacher, Arthur Honegger, in Schönenberg, 1945

In de volgende jaren schreef hij veel concertante werken, waarbij zich vooral toelegde op klankkleur en virtuositeit. Hoogtepunt was de bekende Petite Symphonie Concertante , die hij in 1945 schreef voor de Baselse maecenas en dirigent Paul Sacher. Een lucide werk in een originele bezetting: strijkers, piano, harp en klavecimbel, sterk wisselend van stemming en met een bijzonder effectief gebruik van klankkleuren.

Vocaal

Een ander object van zijn belangstelling vormde de vocale muziek. In de jaren '20 had deze overtuigde protestant al een katholieke Mis voor dubbel koor a cappella geschreven en in 1945 verscheen het Bijbels oratorium In terra pax in drie delen. In dezelfde periode inspireerde Rembrandts schilderij De drie kruisen hem tot het bovengenoemde grote passie-oratorium Golgotha. Hij had geen Bach-replica voor ogen, maar laat de solisten en - op dramatische momenten - homofone gezangen van het koor het lijdensverhaal vertellen. Meditatieve teksten van Augustinus smeden een eenheid tussen de zeven tableaux.

In zijn Nederlandse periode nam, ondanks zijn klimmende ouderdom, Martins productiviteit niet af, integendeel. Hoofdwerken uit deze jaren zijn de Duitstalige opera Der Sturm (naar Shakespeare, 1952-55), die ondanks Ansermets pleidooi - hij hield het werk in 1956 in Wenen ten doop - geen repertoire heeft gehouden, het oratorio/spectacle   Le mystère de la Nativité (1957-59) en het Requiem (1971-72).

Open instelling

Toen zijn jongste zoon hem in aanraking bracht met de popmuziek, was hij dadelijk geïnteresseerd, en dat resulteerde in de Poèmes de la Morts (op teksten van Francois Villon, 1971) waarin gebruik wordt gemaakt van electrische gitaren. Het typeert de open opstelling van de toen 80-jarige componist, die de experimentele muziek overigens met gemengde gevoelens bekeek: "Het is en blijft noodzakelijk dat ook het allernieuwste wordt uitgevoerd en gekend. Persoonlijk echter houdt mijn interesse voor wat bij de avant-garde gebeurt geen gelijke tred met mijn waardering. Volgens mij bevinden wij ons aan het einde van een muzikale ontwikkelingsfase in de scheppende toonlkunst. Wanneer er geen nieuwe bronnen worden aangeborod, zal deze zich tenslotte in het niets verliezen" . Het zijn défaitistische woorden van een productief componist, die zijn leven in dienst stelde van een ethisch-religieuze boodschap aan de mensheid, verklankt in een gematigd-modern, maar typisch 20ste-eeuws muzikaal idioom.

 
  Frank Martin aan de vleugel in zijn huis in Naarden, ca. 1966
   

Een paar cd-tips

Van Martins eigen uitvoeringen bestaan twee cd-uitgaven met als titel Frank Martin dirige Frank Martin ., waarvan ik niet weet hoe (on)gemakkelijk ze te krijgen zijn. Op Jecklin 529/2 vinden we de Petite Symphonie Concertante en de Passacaglia en op Jecklin 645/2 de Ballade voor piano en orkest en het klavecimbel - en tromboneconcert . Zijn verrichtingen als pianist in kamermuziek en liederen zijn te horen op Frank Martin interprète Frank Martin (Jecklin 563/2, ook met Henri Honegger, Heinz Rehfuss, Elly Ameling en Pieter Odé).

Er bestaan minstens drie goedkope uitgaven van het lijdensoratorium Golgotha . De door Martin zelf geautoriseerde uitvoering onder Robert Faller op Erato is heruitgegeven als Warner Apex 2564643982. Brilliant Classics heeft zelfs twee opnamen van andere labels heruitgebracht, zodat u via het Kruidvat voor een habbekrats van deze diep-ernstige passiemuziek kunt kennisnemen. Die van Herbert Böck, alleszins acceptabel, wordt overigens overtroffen door die van Michel Corboz.   Er wordt - zoals het hoort - Frans gezongen, waardoor beide opnamen te verkiezen zijn boven de Duitstalige versie van Hayko Siemens op het label Vengo.

Voor   een ideale uitvoering van het belangrijke oratorium Le vin herbé kunnen we uitstekend terecht bij   Sandrine Piau (Iseut), Steve Davislim (Tristan), Jonathan de la Paz (Roi Marc), Hildegard Wiedemann (Iseut aux blanches mains), Jutta Böhnert (Branghien), RIAS kamerkoor en het Scharoun-ensemble Berlijn o.l.v. de Nederlandse dirigent Daniel Reuss (Harmonia Mundi HMC 90.1935/6).  

Martins populairste compositie is de speelse Petite Symphonie Concertante , maar minder bekend is zijn eigen versie voor groot orkest. In de uitvoering door Matthias Bamert en het London Philharmonic blijkt het werk deze uitvergroting prima te doorstaan. Op dezelfde cd horen we ook dwingende uitvoeringen van de Symfonie uit 1937 en de orkestversie van de grote, sombere Passacaglia voor orgel (Chandos CHAN 9312).

Van deze Passacaglia bestaat ook nog een versie met alleen strijkers die te vinden is op een prachtige cd van Quirine Viersen e.a. met het Radio Kamerorkest onder Kenneth Montgomery met verder het uit 1966 daterende Celloconcert , de Drie dansen voor hobo, harp en strijkorkest en de Ballade voor cello en kamerorkest (Et'cetera KTC 1290).

Van de indrukwekkende liedcyclus Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke (kortweg Der Cornet ) maakte Jard van Nes een indringende opname met Nieuw Sinfonietta Amsterdam en Reinbert de Leeuw (Philips 442 535-2). Voor mij was dit lang de beste opname van Martins misschien wel beste werk, al is Marjana Lipovsek (Orfeo C 164 881 A) zeker even fascinerend. Maar zij wordt door het ORF-Symphonieorchester onder Lothar Zagrosek wat minder goed begeleid. Maar: beide mooie cd's worden nu overruled door de nieuwe uitvoering door Christianne Stotijn met het Winterthur Musikkollegium o.l.v. Jac. van Steen, die in de zomer van 2007 uitkwam op een hybride sacd van het label MDG (901 1444-6). Ik heb er maar één woord voor: schitterend.

_________________

Zie ook: Frank Martin tussen Genève en Naarden (klik hier)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links