Componisten/werken

Samuel jr. en Daniël de Lange:

 

In twee verschillende richtingen

 

© Aart van der Wal, januari 2008

 

 
  De Laurenskerk in 1860

De beide broers werden kort na elkaar geboren: Samuel op 22 februari 1840 en Daniël op 11 juli 1941. Ze groeiden op in het centrum van Rotterdam, rond de Goudsesingel en omgeving. Al vroeg speelde muziek daarin een belangrijke rol. Vader Samuel (1811-1884) was een vooraanstaand musicus en als organist verbonden aan de nabijgelegen Laurenskerk. Geen wonder dus dat hij de eerste was die zijn beide zoons de beginselen van de muziektheorie bijbracht en ze zowel piano- als orgelles gaf. Een zeer druk bezet man, want hij bouwde ook nog orgels, was beiaardier en handelde bovendien nog in piano's. Tussen al die bedrijven door organiseerde vader Samuel nog muzieksoirees bij hem thuis, wat zijn kinderen rechtstreeks in aanraking bracht met zowel het kamermuziekrepertoire als vele musici. Het moet een inspirerende omgeving zijn geweest!

Het valt niet zo gemakkelijk voor te stellen dat in die tijd de muziekbeleving thuis uitsluitend neerkwam op zélf doen, zélf spelen (de grammofoonplaat was nog in geen velden of wegen te bekennen en zou pas in het begin van de twintigste eeuw in Europa zijn intrede doen). Voor het beluisteren van muziek was men dus aangewezen op soirees thuis of elders, dan wel een bezoek aan concertzaal of operavoorstelling.

Daniël ging in 1851 naar de Rotterdamse muziekschool, waar hij les kreeg van Simon Ganz (cello) en Johannes Verhulst (theorie). Zo'n drie jaar later ging hij naar het conservatorium in Brussel om zich verder in het cellospel te bekwamen bij Adrien François Servais, de 'Paganini van de cello'. Daarnaast nam hij compositielessen bij Berthold Damcke. Samuel studeerde eveneens bij Verhulst en Damcke, maar ook bij Jan Dupont en de grote organist en leerling van Franz Liszt, Alexander Winterberger. Verhulst en Dupont hadden in Leipzig nog les gehad van Felix Mendelssohn.

Daniël ontwikkelde zich tot een virtuoos op de cello, Samuel maakte al snel naam als pianist en organist. De nog jeugdige, maar zeer ondernemende broers lieten in 1857 Rotterdam ferm achter zich en begonnen als cello-piano duo aan een concerttournee die hen naar Oostenrijk en Polen voerde. Amper zestien jaar oud traden ze op in onder andere Wenen, Krakow en Galicië, waar ze zich in 1860 vestigden. Samuel had bovendien nog tussen januari en april 1859 als pianobegeleider de cellist Adrien Servais een aantal concertreizen gemaakt. Dankzij de bemiddeling van een leerling van Chopin, Karol Mikuli (Samuel had bij hem aanvullende pianolessen gevolgd), kregen zij een aanstelling aan het conservatorium van Lemberg (later omgedoopt in het Poolse Lwów en nu Lviv, in de Oekraïne). Drie jaar later, in 1863 keerden zij terug naar Rotterdam.

 
  De Waalse Kerk rond 1900

Samuel en Daniël werden docent aan de plaatselijke muziekschool. Samuel werd bovendien benoemd tot organist van de Waalse Kerk. Kort daarop, in 1864, scheidden de wegen van de beide broers zich. Samuel bleef in Rotterdam, Daniël vestigde zich als organist en koordirigent in Parijs. Hij had het in Rotterdam op muzikaal gebied wel gezien: "Een treurig muzieknest met de allerhoogste pretentiën." Daar verschenen zijn eerste liederen, pianowerken én zijn Eerste symfonie in c in druk. In de Franse metropool kwam Daniël in contact met o.a. Berlioz, Bizet, Saint-Saëns, Massenet en Lalo, die hem niet alleen inspireerden, maar zijn liefde voor de Franse muziek uit die tijd deden aanwakkeren. Ook de koormuziek van onder anderen Josquin des Prez en Giovanni Palestrina vonden bij hem een vruchtbare voedingsbodem, zoals blijkt uit zijn Requiem voor a cappella koor, dat eveneens in Parijs ontstond en pas ruim vijftien jaar geleden werd herontdekt.

De Frans-Duitse oorlog haalde echter een geduchte streep door de rekening en reeds in 1870 keerde Daniël weer naar Nederland terug. Samuel werkte nog steeds in Rotterdam, maar toch trokken de beide broers daarna niet samen op. Daniël was verbonden aan de Amsterdamse muziekschool en richtte in 1873 een muziekschool op in Zaandam. Zijn grote voorliefde voor koormuziek kwam onder meer tot uiting als dirigent van het Amstels Mannenkoor, waarmee hij tussen 1873 en 1878 vaak optrad en waarvoor hij veel koorwerken componeerde. In 1875 richtte Daniël de Leidse afdeling van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst op, wat hem in staat stelde om grote koorwerken regelmatig uit te voeren. Tijdens die 35 jaar durende verbintenis presenteerde hij vrijwel alle grote werken uit de Europese koorliteratuur. Van 1877 tot 1908 was hij bovendien de secretaris van de Maatschappij en hield hij zich vooral bezig met de ontwikkeling van de koorzang en de muzikale scholing van amateurs. In 1878 was hij een van de oprichters van de Nederlandsche Koorvereeniging, waarvan hij later voorzitter werd.

Samuel hield het in 1874 in Rotterdam voor gezien. Hij kreeg niet de baan waarop hij zijn zinnen had gezet: die van directeur van de muziekschool. Hij vertrok naar Bazel, waar hij aan de 'Allgemeine Musikschule' werd benoemd tot waarnemend directeur en pianodocent. Daarnaast liet hij zich als dirigent, organist en pianist niet onbetuigd. Hij nam als dirigent niet alleen actief deel aan de plaatselijke 'Liedertafel', de 'Gesangverein', de 'Kapellverein'en de 'Konzertgesellschaft', maar trad ook als organist, solopianist en in kamermuziekensembles op. In Bazel ging de toen vacante positie van directeur van het conservatorium aan zijn neus voorbij. Dat viel hem ditmaal extra zwaar want hij had zich zowel voor de muziekschool als voor het muziekleven bijzonder ingespannen, en stond als uitvoerend musicus in hoog aanzien. Hij had daar in korte tijd veel vrienden gemaakt, maar op de keper beschouwd misschien toch niet de juiste...

In 1875 vertrok Samuel diep teleurgesteld naar Parijs, waar hij echter maar vrij kort verbleef. Keulen riep. Vanaf 1877 was hij daar aan het conservatorium leraar orgel, piano en theorie en werd hij al snel dirigent van de 'Kölner Männer Gesangverein' en het 'Konzertchor Gürzenich'. Zijn belangrijkste benoeming evenwel was die van plaatsvervanger van Ferdinand Hiller, de kapelmeester van Keulen en organist van Gürzenich. Hier kwam hij eveneens in contact met grootheden als Johannes Brahms, Max Reger en Max Bruch.

Acht jaar lang doceerde, componeerde en musiceerde Samuel in Keulen. Brahms en Clara Schumann waren tijdens een concert dusdanig onder de indruk geraakt van Samuels spel dat ze na afloop daarvan contact met hem zochten. Het leidde tot vriendschap tussen hen. Het einde van Samuels loopbaan in Keulen kwam in zicht toen daar na het overlijden van de conservatieve Hiller een andere muzikale wind ging waaien en de muziek van Richard Wagner hoog op de agenda kwam. Samuel moest er weinig van hebben en pakte zijn boeltje. Eind 1885 was hij weer terug in Nederland. Hij vestigde zich in Den Haag en werd dirigent van de plaatselijke afdeling van Toonkunst. Het jaar daarop werd hij organist van de Evangelisch-Lutherse Kerk in Amsterdam, niet lang daarna gevolgd door zijn benoeming tot organist van de Remonstrantse Kerk in Den Haag.

Maar in tegenstelling tot Daniël wilde hij het muzikale klimaat in ons land niet al te lang trotseren. Het benauwde hem en toen hij vernam dat men in Stuttgart op zoek was naar een vervanger van de zieke directeur van het conservatorium greep hij die mogelijkheid met beide handen aan. Hij zou tot zijn dood op 6 juli 1911 in Stuttgart blijven wonen en werken. Volgens het inmiddels beproefde recept doceerde hij daar in het orgel-, theorie- en compositievak en dirigeerde hij weer verschillende koor- en orkestverenigingen. Het was aan het conservatorium in Stuttgart dat hij een orkestklas oprichtte en de conventionele lesmethoden op de korrel nam. Hij was zeer geliefd, 'einer der prachtvollsten Characterköpfe der Stadt'.  

Samuel was in Europa een graag geziene organist en pianist. Hij trad niet alleen veel op in eigen land, maar ook in Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland, Engeland en Frankrijk. Daarnaast bespeelde hij het klavecimbel en de fortepiano. Hij was evenals zijn vader betrokken bij de oprichting van de Nederlandsche Bach Vereeniging (1870) en verzorgde hij voor de muziekuitgeverij Peters in Leipzig een voor onderwijsdoeleinden geschikt gemaakte editie van Bachs voltallige orgelwerken (hij kent Bachs gehele orgeloeuvre uit het hoofd!). Hij bezorgde eveneens de gedrukte uitgave van muziek van Frescobaldi en Muffat.   Händels orgelconcerten op. 4 en 7 bewerkte hij voor orgelsolo. Maar ook Bach nam een belangrijke plaats in Samuels concerten in. Hij was het die in 1871 de Nederlandse première gaf van Brahms' Eerste pianoconcert. In 1887 dirigeerde Samuel de eerste uitvoering in ons land van Berlioz' Requiem.

Samuel de Lange heeft veel gecomponeerd, maar het merendeel daarvan bevond zich tot voor kort niet op de lessenaars maar in stoffige buitenlandse archieven, min of meer ten prooi aan de verkruimeling. Zo'n 90 liederen, 80 orgelwerken, 13 strijkkwartetten, meerdere soloconcerten, veel piano- en kamermuziek en een groot aantal meerstemmige koorwerken vloeiden uit zijn pen. Hij was een kind van zijn tijd, wortelde in het romantische idioom (Mendelssohn, Reger en Brahms zijn in zijn muziek nooit ver weg) en behoorde in compositorisch opzicht in geen enkele fase van zijn creatieve leven tot de nieuwlichters, maar wat hij schreef staat op een kwalitatief hoog peil. Al is zijn werk dan minder oorspronkelijk, het getuigt wel van groot technisch meesterschap. Zijn composities zijn zeker goed toegankelijk, niet in de laatste plaats door de heldere vormgeving, de hechte structuur en zijn grote kennis van het instrumentarium waarvoor hij componeerde. Toch hebben ze geen vaste plaats op het repertoire verworven, wat zeker te maken zal hebben met de grote onbekendheid ervan. Na zijn dood verdween zijn werk merendeels in de archieven en bleven daar verder onopgemerkt. Dat lot was ook de vele gedrukte uitgaven beschoren. Merkwaardig eigenlijk, want het overgrote deel van Daniëls en Samuels verscheen tijdens hun leven gewoon in druk, waaruit toch wel blijkt dat voor deze muziek toen duidelijk een 'markt' was.

Daniël heeft, ook na 1878, grote betekenis gehad voor de muzikale ontwikkelingen in ons land. Van 1881 tot 1913 was hij bestuurslid van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis en nam hij in Amsterdam het initiatief tot een cursus muziekgeschiedenis. Vervolgens kwam er een kamerkoor (a cappella) dat Daniël uit beroepszangers had samengesteld en vele succesvolle concerten met Nederlandse en Italiaanse renaissancemuziek verzorgde. Zo bracht hij veel composities van onder meer Jacob Obrecht en Jan Pietersz. Sweelinck weer onder de aandacht. Niet alleen in ons land, maar evenzeer daarbuiten heeft Daniël met zijn koor veel betekend voor de verbreiding van de oude Nederlandse muziek.

Een van Daniëls belangrijkste initiatieven was de oprichting van het Amsterdamsch Conservatorium, het eerste in ons land, samen met de componisten Frans Coenen en Julius Röntgen. Coenen werd de eerste directeur. Daniël - die aan het conservatorium lesgaf in solfège, compositie en muziekgeschiedenis - volgde hem in 1895 op. Zijn gezag op muzikaal gebied stond niet ter discussie. Hij genoot landelijke bekendheid als muziekredacteur van Het Nieuws van de Dag (Daniël was de eerste beroepsmusicus die recensent werd!) en als lid van talloze commissies en jury's. Zijn vele pleidooien in de krant voor eigentijdse composities geven blijk van een brede blik, wat overigens in zijn uitvoeringen steevast naar voren kwam. Zo betekende het in 1882 nogal wat in ons land om voor de eerste keer met Berlioz' 'La damnation de Faust' op het podium te verschijnen. Het was niet minder vooruitstrevend om in Amsterdam nieuwe symfonieën van Anton Bruckner te introduceren, zoals de Derde en de Zevende. De dirigent van Apollo en Caecilia gaf eigentijdse muziek volop kansen. Helaas moest hij in 1889 zijn dirigentschappen om gezondheidsredenen neerleggen.

Daniëls laatste levensjaren stonden in het teken van de theosofie. De uitgangspunten daarvan zijn door de jaren heen dezelfde gebleven. Centraal staat d e kennis van de essentiële eenheid van al wat bestaat en dat deze aan de natuur ten grondslag ligt. Daarnaast het propageren van de menselijke broederschap, de kennis van het heelal, de bestudering van oude en moderne religies, van filosofie en wetenschap en onderzoek naar de sluimerende vermogens in de mens. Zijn tweede huwelijk heeft daaraan zeker bijgedragen. Na een halfjarig verblijf Point Loma bij San Diego, waar het hoofdkwartier van de International Theosophical Society was gevestigd, besloot het echtpaar om zich daar in het voorjaar van 1914 voorgoed te vestigen. Daar overleed Daniël, op 30 januari 1918.

Ook Daniëls composities vielen ten offer aan de vergetelheid. Zijn vertrek naar Amerika en kort daarop het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zullen in ieder geval geen bijdrage hebben geleverd aan de verdere verspreiding ervan.

Niet zo lang geleden werd aandacht besteed aan het werk van Daniël de Lange. Zijn Requiem voor a cappella koor uit 1867 beleefde de cd-première door het Nederlands Kamerkoor en werd zelfs met een Edison bekroond. De Symfonie op. 4 verscheen opnieuw in druk en werd door het Radio Symfonieorkest uitgevoerd, maar het blijft vooralsnog toch helaas bij 'incidenten'. Dat geldt evenzeer voor het werk van Samuel de Lange, alhoewel er nu dan toch twee cd's zijn verschenen met een aantal van zijn composities. Toch wacht bijvoorbeeld nog het merendeel van zijn bijna honderd liederen op de ontdekking door vele muziekliefhebbers!

Stichting Muzikale Nalatenschap Daniël de Lange & Samuel de Lange jr.

Een mondvol, dat wel, maar een bijzonder initiatief van de pianiste en nazaat van de beide componisten, Laura de Lange en de cellist Jascha Albracht. De stichting wil niets liever dan het gehele muzikale oeuvre van Daniël en Samuel aan de vergetelheid ontrukken. Dat betekende eerst een intensieve speurtocht langs alle daarvoor in aanmerking komende archieven in zowel ons land als in Duitsland en Zwitserland. Zo heeft Laura duizenden kilometers afgelegd en in vele archieven rondgesnuffeld om dan uiteindelijk met weer een rijke oogst huiswaarts te keren.

De stichting coördineert allerhande activiteiten, variërende van de productie van cd's met en de programmering van de muziek van de beide broers tot het organiseren van lezingen met daarbij live ten gehore gebrachte composities en het in druk laten verschijnen van manuscripten. Daarnaast wordt gewerkt aan een heus 'De Lange Jaar' in 2011 (dan is het honderd jaar geleden dat Samuel de Lange in Stuttgart overleed).

In mei gaven de bariton Wiard Witholt, de cellist Jascha Albracht en pianiste Laura de Lange concerten in de twee steden waar de beide broers De Lange hebben gewoond en gewerkt: Parijs ('Hommage à Samuel et Daniël de Lange') en Stuttgart ('Zwischen Neckar, Rhein und Seine. Ein musikalischer Freundenkreis'). De musici lichtten de te spelen muziek zelf toe. In de zaal van het conservatorium van Stuttgart bevonden zich tot ieders verrassing studenten onder de toehoorders die zelf al liederen van Samuel aan het instuderen waren!

De Nederlandse omroep liet zich vervolgens evenmin onbetuigd. In maart besteedde de Concertzender aandacht aan de Eerste symfonie van Daniël de Lange en klonk in het programma 'Klassieke Muziek Actua' een deel uit de cello-piano cd. Op Radio 4 kwam het werk zelfs een aantal weken in de Top 15 terecht!

Op 23 april speelden Jascha Albracht en Laura de Lange in het Amsterdamse Concertgebouw een cello-piano programma van Samuel de Lange dat in het programma 'Spiegelzaal' live werd uitgezonden. Op 28 juli verzorgde de Wereldomroep een twee uur durende uitzending over de beide broers. Dan was er op 5 augustus de Rotterdamse longarts Paul Hekking die in het programma 'Een goede morgen met...' op Radio 4 een deel uit de cello-piano cd liet horen. In het nog kersverse nieuwe jaar, op 6 januari, traden Wiard en Laura wederom in de Spiegelzaal aan in een De Lange-programma.  

Er lijken dus voldoende drijvende krachten in de stichting aan het werk te zijn, maar daarvan is Laura de Lange (Daniël was haar betovergrootvader) toch wel het epicentrum. Deze getalenteerde pianiste liet het niet bij haar vaststelling dat het met de koestering van de muzikale erfenis van haar voorvaderen treurig was gesteld. Ze doet er alles aan om dit beeld te doen kantelen en bepaald niet zonder succes. En... gelijk heeft ze, want ze heeft de kwaliteit van de composities aan haar zijde. De twee inmiddels door de stichting uitgebrachte cd's leggen daarvan al voldoende getuigenis af.

 

Samuel Jr. en Daniël de Lange: liederen

Samuel de Lange Jr. (1840-1911):

Nachts in der Kajüte op. 6 (H. Heine):
1. Das Meer hat seine Perlen
2. An die blaue Himmelsdecke
3. Aus den Himmelsaugen droben
4. An die bretterne Schiffswand
5. Es träumte mir von einer weiten Heide

Fünf Gesänge op. 31:
1. Sommernacht (F.M. von Bodenstedt)
2. Liederen vom schwarzen Meer (von Bodenstedt)
3. An den Tod (Fr. Hebbel)
4. Erinnerung (N. Lenau)
5. Nachtgefühl (Fr. Hebbel)

Trois poésies de Paul Bourget op. 59:

 
 
Ilse Eerens
   
 
 
Jascha Albracht, Laura de Lange en Wiard Witholt
   
 


1. Soir d'été (uitgegeven als op. 72 nr. 1)
2. Nuit d'été (uitgegeven als op. 72 nr. 2)
3. Romance

Drei Lieder op. 94
1. Herbstgefühl (K. von Gerok)
2. Komm jetzt (J.G. Fischer)
3. Bald (F.Th. Vischer)

Daniël de Lange (1841-1918):

Vor einer Genziane op. 7 (R. Hamerling)
Sentiers où l'herbe se balance (V. Hugo)

Uit Vier Gedichten :
Croire (L. Phal)

Uit Zehn Lieder und Gesänge :
Erster Verlust (J.W. Goethe)

Uit Lieder und Gesänge op. 10:
1. Aussöhnung (J.W. Goethe)
2. Zuleikha (F.M. von Bodenstedt / M. Schaffy)
3. Du liebst mich nicht (H. Heine)

Ilse Eerens (sopraan), Wiard Witholt (bariton) en Laura de Lange (piano).

SDLCD0701 • 72' •

Samuel de Lange jr.: Werken voor cello en piano

Cellosonate nr. 1 in c, op. 37 (1879) - nr. 2 in A, op. 76 (1899) - Berceuse & Gavotte op. 46 (1886).

Jascha Albracht (cello) en Laura de Lange (piano).

SDLCD0601 • 69' •

De cd's zijn verkrijgbaar bij de Stichting De Lange (www.stichtingdelange.nl )

 


Als dit liederenprogramma iets duidelijk maakt is het wel de zorgvuldige vormgeving van deze composities. Alsof de beide broers De Lange het werk van de grote dichters op een goudschaaltje hebben gewogen, alvorens er hun muzikale invulling aan te geven.

De teksten en de toonzetting ervan zijn romantisch getint. De hoofdthema's zijn niet alleen liefde, sterven en dood, maar ook geurend-glanzende zomernachten, prachtige bloemen onder onbeweeglijke luchten, herfstgevoelens en herinneringen aan dat wat eens was. Samuel en Daniël verstonden de kunst om deze zo gevoelsrijke poëzie in muzikaal opzicht echt te laten spreken, waarbij her en der het melodramatische element niet wordt geschuwd.

Nee, dit zijn geen ballades zoals Carl Loewe (1796-1869) die wist te scheppen, maar echte liederen. Toch herinneren de liederen van de beide De Lange's aan de muzikale distinctie van de romantische hoofdmotieven waarin Loewe, en hij niet alleen, excelleerde. In Samuels liedcomposities hoor ik niet alleen Brahms en Schumann doorklinken, maar soms zelfs die zo   typische intervallen die Hugo Wolf graag hanteerde. Daniël heeft voor zijn expressie een grotere actieradius nodig en zijn de wagneriaanse invloeden onmiskenbaar.  

De vraag is of van de ongeveer 180 liederen die de beide broers hebben nagelaten en waarvan het merendeel gelukkig kon worden opgespoord, het relatief geringe aantal dat op deze cd is samengebracht, representatief kan heten voor hun totale liedoeuvre.

Het hoge emotionele gehalte van deze muziek maakt het de vocalisten al bij voorbaat tamelijk lastig, want enerzijds moeten die - zo verschillende emoties - in de voordracht goed doorklinken, maar anderzijds moet het geen larmoyante vertoning worden, waardoor het kind met het badwater wordt weggegooid. Ook de pianopartij dient zo te worden ingevuld dat de gezongen tekst zowel wordt aangevuld als onderstreept, uiteraard afhankelijk van hetgeen de componist heeft bedoeld. Dat betekent dat het notenbeeld eigenlijk voor de beide partijen (vocalist en pianist) vooraf goed geanalyseerd dient te worden, moet worden 'verstaan', om met uiteindelijk zo gering mogelijk expressieve middelen de meest sprekende expressie te realiseren. In dit romantische idioom staat de gedoseerde retoriek voorop. Om het eenvoudig te zeggen: laat de muziek spréken, al is dat dan soms met donderend affect.

Hierbij speelt de tempokeuze een belangrijke rol. De uitspraak 'het goede tempo is al de helft van de vertolking' doet hier zeker opgeld. De samenhang tussen tempo en frase is eveneens een belangrijk gegeven. Luistert u maar eens naar track 10, 'Nachtgefühl' van Hebbel, met in de eerste strofe 'Wenn ich mich abends entkleide / Gemachsam, Stück für Stuck / So tragen die müden Gedanken / Mich vorwärts oder zurück', en u begrijpt precies wat ik daarmee bedoel. Het staat of valt met de spanning van het legato.

Het opbouwen van de spanning en de daarop volgende afwikkeling naar de ontspanning is een van de wezenskenmerken van het romantische liedrepertoire. Zo bezien is het kleinste lied onderworpen aan structuurelementen die zich zelfs achter de motieven verschuilen. En een fijnzinnige aanpak blijft overeind in de liederen die als een wervelwind voorbijsuizen (zoals in 'Lieder vom schwarzen Meer'). Het een kunst op zich om mijmeringen écht de vereiste muzikale reflectie mee te geven, wat aan de begeleiding hoge eisen kan stellen ('Erinnerung' en 'Nachtgefühl').

Ilse Eerens, Wiard Witholt en Laura de Lange vertolken deze liederen zó dat ik het als een gemis heb ervaren dat dit repertoire zó lang onopgemerkt in de nachtkluizen heeft gelegen. Het rijke palet aan muzikale uitdrukkingskracht vloeit uit de muziek zelf voort, maniërismen worden vermeden en de onopgesmukte weergave vormt het beste pleidooi voor deze muziek.

Áls ik deze liederen van de beide De Lange's met die van de wellicht grootste Nederlandse componist uit het vergelijkbare tijdvak mag vergelijken, Alphons Diepenbrock (1862-1921)? Ik vind dan meer overeenkomsten dan verschillen in de romantische invloeden (zeker die van Wagner), de polymelodische stijl en de soms uitgesproken zoektocht naar impressionistische klankzuilen, naast een consistent sterke samenhang tussen vocalistiek en pianobegeleiding. Al kan Diepenbrock een aanmerkelijk grotere muzikale eigengereidheid niet worden ontzegd.

De Eerste cellosonate van Samuel de Lange ontstond in Keulen, in 1879. Het is een met name op Brahms geïnspireerd werk, met uitbundiger romantische contouren, waarin vooral de pianist het in virtuoos opzicht zwaar te verduren krijgt. Brahms is hier de grotere melodicus, Samuel de Lange de veelzijdige contrapuntist die het soms stevig laat 'orgelen'. Het diep kleurende Adagio is de fraai verzonken rustplaats tussen Vivo en Agitato.

De Tweede cellosonate, opgedragen aan de cellist Hugo Becker, laat de wereld van Brahms achter zich. Gedurfde intervalsprongen bepalen merendeels het wispelturige parcours. Het Vivace lijkt op een instrumentale wedloop die overigens geen winnaar oplevert. In het slotdeel treft de knappe variatievorm.

In de Berceuse wordt de sfeer van een zwoele, warme zomernacht bijzonder raak getroffen. Het heftige middendeel doet de spanningen plotsklaps oplaaien, om dan vervolgens weer terug te zinken. in de Gavotte grijpt Samuel weliswaar terug op deze dansvorm uit de barok, maar dan wel met een romantische mantel omhangen.

In Jascha Albracht en Laura de Lange vinden deze werken voor cello en piano naar mijn smaak ideale pleitbezorgers. Ze zijn dermate overtuigend dat ik deze muziek indringender vindt dan bijvoorbeeld de Cellosonates op. 7, 10 en 41 van Julius Röntgen, die ik onlangs nog beluisterde op het label Ars, uitgevoerd door cellist Jean Decroos en pianiste Danièle Dechienne.


terug naar index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links