G

Componisten/werken

Bruckner: Symfonie nr. 4 WAB 109 (1874-1888)

 

© Aart van der Wal, september 2019

 

Eerste versie - 1874
Tweede versie – 1878/80
Derde versie - 1888

Op zaterdag 9 november a.s. klinkt de Vierde symfonie in de oerversie van 1874 in het Muziekgebouw aan 't IJ door het Residentie Orkest o.l.v. Nicholas Collon. Klik hier voor nadere informatie.

Was Anton Bruckner wat we nu een ‘workaholic' zouden noemen? Aan zijn werktempo valt het wel af te leiden, want nauwelijks was de inkt van de eerste versie van de Derde symfonie opgedroogd (hij voltooide het werk op Oudejaarsdag 1873) of hij begon twee dagen later alweer aan de volgende symfonie: de Vierde, die hij zelf de bijnaam ‘Romantische' meegaf (de enige symfonie uit zijn oeuvre die een titel meekreeg). Daarbij liet hij het niet, want later gaf hij de eerste drie delen ieder zelfs een programma mee, zoals blijkt uit de brief die hij op 8 december 1884 aan Hermann Levi schreef: ‘In der romantischen 4. Symphonie ist in dem 1. Satz das Horn gemeint, das vom Rathause herab den Tag ausruft! Dann entwickelt sich das Leben; in der Gesangsperiode ist das Thema: der Gesang der Kohlmeise Zizipe. 2. Satz: Lied, Gebeth, Ständchen. 3. Jagd und im Trio wie während des Mittagsmahles im Wald ein Leierkasten aufspielt'. En de finale? We moeten het zonder Bruckners beschrijving stellen, maar hier lijkt zich de natuur in haar volle glorie, pracht en monumentaliteit tot dan nog ongekende hoogten te ontvouwen. Wat nog eens wordt bevestigd door het lyrische tweede thema: niemand kan daarin de betoverende vogellokroepen ontgaan. Fascinerend is ook dat voor het eerst in Bruckners symfonische conceptie zich in het openingsdeel in de doorwerkingsfase een geheel nieuw idee aandient in de vorm van een door glanzend koper uitgedragen koraalthema.

Populair
We weten het: als het om populariteit gaat is de rangorde strikt helder: de Vierde staat samen met de Zevende van oudsher bovenaan. Waarbij vaak geheel en al over het hoofd wordt gezien dat de populariteit van de Vierde toch vooral betrekking heeft op de versie die vrijwel altijd wordt uitgevoerd: die van 1878/80. Sterker nog: de overige twee versies worden nauwelijks gekend. Alsof ze zijn weggezakt in het door Bruckner zelf gecreëerde versiemoeras. En wat al gold voor de Derde symfonie treft ook de Vierde: het verwarrende beeld van de verschillende versies, maar liefst drie en van de finale zelfs vier. Alleen de laatste en jarenlang meest betwiste versie (de laatste, uit 1888) verscheen nog tijdens Bruckners leven in druk. Pas in 1936 werd in het kader van de ‘Alte Bruckner Gesamtausgabe' een door Robert Haas geredigeerde editie gepubliceerd, niet van de oorspronkelijk geplande ‘oerversie', maar van de eerste drie delen van de versie uit 1878 en de finale uit 1879/80. De finale uit de versie van 1878 (Bruckner heeft die nooit mogen horen) met de door de componist zelf bedacht titel ‘Volksfest' kreeg, als afzonderlijk deel, een aparte plek in die ‘Gesamtausgabe'.

Eerste revisie
De ontstaansgeschiedenis van de Vierde kan tot drie fundamentele fases worden herleid. De eerste fase werd (uiteraard) gekenmerkt door de conceptie van de oorspronkelijke versie zoals die ontstond tussen 2 januari 1874 (de Derde symfonie was slechts een paar dagen eerder, op Oudejaarsdag 1873 voltooid) en 22 november 1874 (‘Wien, 1/2 9 Uhr Abends'). Het compositieproces leek daarmee definitief afgesloten, totdat Bruckner op 18 januari 1878 de draad van het werk weer oppakte en aan een uitgebreide omwerking begon. Dit beeld roept de herinnering op aan het schier eindeloze wordingsproces van de voorganger, de Derde symfonie.

In de tussenliggende jaren had hij vanachter zijn schrijftafel bijna hemel en aarde bewogen om de Vierde symfonie uitgevoerd te krijgen, waarbij hij zijn pijlen vooral richtte op Berlijn. Hij had de Duitse muziekcriticus Wilhelm Tappert (die hij kende van zijn bezoek aan het Wagner-walhalla Bayreuth en die hij als een vriend beschouwde) zover gekregen om de dirigent Benjamin Bilse voor dit doel te ‘bewerken'. Blijkbaar had Bruckner, na de vele negatieve ervaringen in Wenen met de uitvoering van zijn Derde symfonie, nog maar weinig fiducie in een uitvoering in de Oostenrijkse hoofdstad. Maar alle pogingen leidden uiteindelijk tot niets, waarna Bruckner in 1877 besloot om de Vierde alsnog aan een ingrijpende revisie te onderwerpen. En dat terwijl het werk nog niet eenmaal was uitgevoerd. Het begin verliep moeizaam, omdat het netschrift van de partituur zich nog ‘ergens' in Berlijn bevond en ondanks herhaalde verzoeken niet werd teruggestuurd (hij heeft het ook nooit meer teruggezien).

‘Gründliche Umarbeitung'
Op 18 januari 1878 begon Bruckner met wat hij als een ‘gründliche Umarbeitung' (brief aan Tappert, gedateerd 12 oktober 1877) beschreef. Verhelderend is de volgende passage: ´Ik ben er geheel en al van overtuigd geraakt dat mijn vierde romantische symfonie dringend moet worden omgewerkt. Er zijn bijvoorbeeld in het adagio te moeilijke, onspeelbare vioolfiguraties en de instrumentatie is hier en daar te overladen en te onrustig. Ook Herbeck, die het werk zeer bevalt, maakt dezelfde opmerkingen en bevestigde mij in mijn besluit om de symfonie deels opnieuw te bewerken.´ Bruckner verwijst hier naar het tweede deel, het uiteindelijke Andante quasi allegretto, de vioolfiguraties hebben betrekking op de inderdaad zeer lastige passages voor de eerste violen in de derde sectie van dit deel. Uit de passage blijkt voorts dat Bruckner zich ook van de speltechnische aspecten ernstig rekenschap gaf.

Alleen het Scherzo bleef buiten de revisiearbeid. Rond november legde hij de laatste hand aan zelfs een compleet nieuw ‘Jagdscherzo' dat het oude moest vervangen. Maar alle arbeid aan de omvangrijke finale ten spijt was Bruckner over het eindresultaat daarvan nog verre van tevreden. Nadat hij op 30 september de dubbele maatstreep had getrokken, besloot hij in november om een geheel nieuwe versie van die finale te ontwerpen, een klus die, geruime tijd onderbroken door het onder handen zijnde Strijkkwintet, eerst op 5 juni 1880 kon worden afgerond.

Het zal Bruckner bijzonder goed hebben gedaan dat al vrij spoedig daarna door de Weense Wagnervereniging het plan werd opgevat om de tweede versie (met de nieuw gecomponeerde finale uit 1879/80) uit te voeren. Dat gebeurde op 20 februari 1881, door de Wiener Philharmoniker onder Hans Richter, met in het ‘voorprogramma' Beethovens Vierde pianoconcert (solist: Hans von Bülow). Toch nog niet geheel tevreden na de succesvolle uitvoering onder Richter bracht Bruckner opnieuw wijzingen in de partituur aan, die later door Leopold Nowak in de (nieuwe) ‘Gesamtausgabe' als zodanig ook werden opgenomen.

‘Volksfest'
Wat gebeurde er met de oorspronkelijke finale van de tweede versie? Die is nooit uit het historische beeld verdwenen (de componist zelf heeft die overigens nooit gehoord), maar kreeg zelfstandig betekenis als ‘Volksfest' (die titel gaf Bruckner er zelf aan) en werd aldus opgenomen in de door Robert Haas geredigeerde (oude) ‘Gesamtausgabe'. In 1980 volgde, nu onder redactie van Leopold Nowak, een herdruk die werd opgenomen in de (nieuwe) ‘Gesamtausgabe'. Het is overigens onduidelijk waarom er in het muziekbedrijf nog steeds niet voldoende belangstelling bestaat voor een uitvoering van de Vierde in de ‘Fassung' van 1878, maar mét ‘Volksfest' als finale (het stuk is wel meerdere malen apart vastgelegd). Gerd Schaller heeft onlangs die stap wel gezet, met de Philharmonie Festiva op het Hänssler Profil-label. Wie volgt?

Opnieuw ‘Umarbeit'
Het succes van de Vierde, hoewel niet onverdeeld (een uitvoering van de tweede versie in Karlsruhe onder Felix Mottl bleek zelfs uit te monden in een regelrechte deceptie en in Sondershausen beperkte dirigent Karl Schröder zich schaamteloos tot de uitvoering van slechts het eerste en derde deel, dit tot groot ongenoegen van de componist), spoorde Bruckner evenwel niet aan tot spoedige publicatie. Eerst in 1886, kort na de ernstig gemutileerde uitvoering in Sondershausen, stuurde hij de partituur naar twee Duitse uitgevers: Bote & Bock en Schott. Ze toonden echter geen enkele belangstelling. Deze afwijzing droeg zeker bij aan Bruckners nooit ver weg zijnde onzekerheid want hij besloot om de Vierde opnieuw onder handen te nemen, wat in 1888 zou uitmonden in de derde en daarmee tevens laatste versie. De eerste uitvoering van deze derde ‘Fassung' vond al op 22 januari 1888 plaats in de ‘Gouden Zaal' van de Weense ‘Musikverein', door de Wiener Philharmoniker onder Hans Richter.

Die laatste versie kende ten opzichte van de versie uit 1878/80 een aantal ingrijpende veranderingen op het gebied van de structuur, de instrumentatie, de dynamische proportionaliteit, de tempi en de fraseringen. De verschillen vallen vooral in het Scherzo op, met zijn stevig ingekorte reprise en de nieuw ontworpen transitie van Scherzo naar Trio. Maar ook in de finale kreeg het einde van de doorwerkingsepisode en het begin van de herhaling een geheel nieuwe gestalte. Interessant is ook dat aan het Scherzo een derde fluit en piccolo zijn toegevoegd, het koper nog verder is uitgebreid en bij de maten 76, 473 en 477 een bekkenslag werd ingevoegd.

Deposito
Waar de twee Duitse uitgevers verstek hadden laten gaan, hapte de uit het Beierse Fürth afkomstige en in Wenen residerende Musikalienhändler und Konzertagent' Albert Gutmann wel toe: hij was bereid de 1888-versie uit te brengen, maar niet zonder een deposito van maar liefst 1000 Mark te eisen. Het was Hermann Levi die het bedrag bij elkaar sprokkelde.

Het voor de eerste druk bestemde afschrift (‘Reinschrift') is niet van Bruckners hand, maar van Ferdinand Löwe (delen 1 en 4) en de beide broers Josef en Franz Schalk (delen 2 en 3). Dat lijkt een aanslag op de authenticiteit, maar dat blijkt bij nadere beschouwing niet het geval. Het wemelt, nu wel in Bruckners handschrift, van de aangebrachte correcties en ‘verbeteringen', wat de conclusie wettigt dat het eindresultaat overeenstemt met Bruckners wensen, dan wel bedoelingen. Wat nog eens wordt bevestigd door Bruckner zelf, in een brief aan Hermann Levi, gedateerd 27 februari 1888, waaruit blijkt dat de revisies ‘aus eigenem Antriebe' werden doorgevoerd. Saillant detail: de versie uit 1888 wordt dankzij uitvoerig musicologisch onderzoek nu wel als ‘des Bruckners' beschouwd, nadat het echter eerst als ‘Löwe Fassung' buiten de (oude) ‘Gesamtausgabe' was gehouden. Dat noemen we tegenwoordig ‘voortschrijdend inzicht'…

Nieuwe druk
Het zat Gutmann, ondanks die 1000 Mark als ‘zekerheidssom', niet mee. Nadat hij in september 1889 de eerste druk had verzorgd moest als gevolg van talloze zetfouten (alles moest met de hand) vrij kort daarna alweer een nieuwe druk worden voorbereid. Die verscheen in januari 1890. En passant werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om de tempi ook met metronoomcijfers aan te duiden, terwijl ook de tempoaanduidingen zelf werden gewijzigd. In de Bruckner-biografie van Cornelis van Zwol gaat de auteur daar ook verder op in. Deel 1: ‘Bewegt, nicht zu schnell' werd ‘Ruhig bewegt' (‘nur nicht schnell'), deel 2 ‘Andante quasi Allegretto' werd ‘Andante', deel 3 ‘Trio. Nicht zu schnell. Keinesfalls schleppend' werd ‘Trio. Gemächlich', deel 4: ‘Finale. ‘Bewegt doch nicht zu schnell' werd ‘Finale. Mässig bewegt'. Onder anderen Hans Knappertsbusch bediende zich van de Gutmann-uitgave.

Korstvedt
Ondanks het intensieve veldwerk van de musicoloog en Bruckner-kenner Benjamin Korstvedt (in 2003 verzorgde hij een geredigeerde, maar helaas verre van foutloze editie van de ‘Fassung 1888' in het kader van de ‘Gesamtausgabe') wordt de derde versie minder vaak uitgevoerd dan die van 1878/80. Onder meer Osmo Vänskä gelooft sterk in die laatste versie, getuige ook zijn opname met het Minnesota Orchestra op het Zweede BIS-label. Vänskä heeft zich – gelukkig! – daarbij gebaseerd op de later door Musikwissenschaftlicher Verlag in Wenen alsnog aangebrachte correcties.

Tot slot
Oorspronkelijk zou de eerste versie van de Vierde symfonie (1874) in de (oude) ‘Gesamtausgabe' worden opgenomen, maar Robert Haas besloot toch anders door de versie van 1878 op te nemen en die te koppelen aan de finale uit 1879/80. Het oorspronkelijke Scherzo (1874) werd pas eind 1909 voor het eerst uitgevoerd, door August Gröllerich in Linz, toen nog vanuit Bruckners handschrift (een gedrukte uitgave ontbrak immers).

Het duurde tot medio de jaren zeventig van de vorige eeuw alvorens de versie uit 1874 onder de redactie van Leopold Nowak in de (nieuwe) ‘Gesamtausgabe' verscheen. Waarna de Vierde symfonie in deze (dus oorspronkelijke) versie door een aantal dirigenten werd uitgevoerd, waaronder Roger Norrington, Michael Gielen, Simone Young en Franz Welser-Möst. Eliahu Inbal komt de eer toe van de plaatpremière van de eerste versies van de Symfonieën nr. 3, 4 en 8, op het Teldec-label (later tevens op cd verschenen). De dirigent Kurt Wöss nam de wereldpremière voor zijn rekening, met de Münchner Philharmoniker, op 20 september 1975 in het kader van het tweede Brucknerfest in Linz. Van Zwol memoreert nog dat Wöss enkele jaren nadien naar Hilversum kwam om deze eerste versie bij het Radio Filharmonisch Orkest te dirigeren.

__________________
Bronnenmateriaal:
Anton Bruckner Alte Gesamtausgabe (1944) en Neue Gesamtausgabe (2019)
Max Auer: Anton Bruckner, Ein Lebens- und Schaffens-Bild von von August Gröller (1974)
Anton Bruckner-Forschung, Forschungsprojekt Musik – Kunst – Wissenschaft, Institut für kunst- und musikhistorische Forschungen, Österreichische Akademie der Wissenschaften (2019)
Robert Haas: Anton Bruckner (1934/1980)
Leopold Nowak: Über Anton Bruckner (1936/1985)
Elisabeth Maier: Anton Bruckner, Stationen eines Lebens (1996)
Kurt Wöss: Ratschläge zur Aufführung der Symphonien Anton Bruckners (1974)
Cornelis van Zwol: Anton Bruckner (2012)
Anton Bruckner Institut Linz (2019)
Partituren/manuscripten (Petrucci)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links