G

Componisten/werken

Bruckner: Symfonie nr. 3 WAB 103 (1873-1889)

 

© Aart van der Wal, september 2019

 

Eerste versie - 1873
Tweede versie - 1875
Derde versie - 1877
Vierde versie - 1889

Op zondag 10 november a.s. klinkt de Derde symfonie in de oerversie van 1873 in het Muziekgebouw aan 't IJ door Het Gelders Orkest o.l.v. Claus Peter Flor. Klik hier voor nadere informatie.

Anton Bruckner had het nauwgezet in zijn kalender bijgehouden: herfst 1872: eerste afwijzing van de uitvoering van de Derde symfonie in Wenen; herfst 1875: tweede afwijzing; 27 september 1877: derde afwijzing. Dankzij echter de inspanningen van zijn goede vriend Johann (von Ritter) Herbeck (hij had onder meer de première van Schuberts ‘Onvoltooide' geleid) besloot de Weense Gesellschaft der Musikfreunde het werk alsnog op het programma te zetten, en wel op 16 december 1877, het tweede concert in de reeks ‘Gesellschaft'-concerten. Herbeck zou bij die gelegenheid de Wiener Philharmoniker dirigeren in de bekende ‘Gouden Zaal' van de Weense ‘Musikverein'.

Sabotage
Toch kwam het er ook ditmaal niet van: de dood had een spaak tussen het wiel gestoken. Herbeck overleed geheel onverwacht op 28 oktober, slechts anderhalve maand vóór de geplande première. Goede raad was duur en er moest snel worden gehandeld. Nog diezelfde avond zocht Bruckner steun bij de invloedrijke afgevaardigde van de ‘Reichtstag', de latere Bruckner-biograaf August Göllerich, een goede vriend van Nikolaus Dumba, de president van de Gesellschaft. Met een dergelijk netwerk binnen handbereik kon een gunstig resultaat niet lang op zich laten wachten en inderdaad kwam al spoedig het verlossende woord: de uitvoering van de Derde symfonie op de geplande datum bleef gehandhaafd. Er restte ‘slechts' het vinden van een geschikte dirigent om het werk te leiden, maar uitgerekend daarop strandde het: er meldde zich geen geschikte kandidaat aan en alle pogingen in die richting bleven vruchteloos. De première naderde echter met rasse schreden en Bruckner, zelf bepaald geen door de wol geverfde dirigent, zag ten slotte geen andere uitweg dan zelf maar de dirigeerstok ter hand te nemen. Hij begon manmoedig aan de eerste repetitie, maar werd al prompt geconfronteerd met een uiterst onwillig orkest. Een aanzienlijk aantal orkestleden toonde niet of nauwelijks respect voor de arme componist, ze saboteerden waar ze maar konden, speelden daarbij letterlijk vals spel, voegden onder grote hilariteit zelfbedachte noten toe en brachten in die luimige stemming de meest vreemdsoortige versieringen aan. Er waren zelfs orkestleden die de componist midden in zijn gezicht uitlachten. En alsof dat nog niet genoeg was weigerden ze halsstarrig om op Bruckners uiterst beleefde verzoek in te gaan om bepaalde frases te herhalen. Het moet Bruckner in die dagen niet licht zijn gevallen.

Te lang…
Het concert stond van tevoren toch al niet in een gunstig teken: het programma was veel te lang, met voor de pauze de niet door Bruckner maar door Joseph Hellmesberger gedirigeerde ouverture ‘Egmont' van Beethoven, het Vioolconcert in d van Louis Spohr, meerdere aria's uit Mozarts ‘Le Nozze di Figaro', Peter von Winters ‘Das unterbrochene Opernfest' en ter afsluiting nog een werk van Beethoven: ‘Meeresstille und glückliche Fahrt'. Pas daarna mocht Bruckner met zijn Derde symfonie aantreden! Toch bleek het toegestroomde publiek na afloop nog fris en monter genoeg om zich luidkeels lachend, fluitend en sissend over de zojuist gehoorde symfonie uit te laten. Tegen zoveel uitbundige joligheid kon het handjevol trouwe vereerders en leerlingen van Bruckner, waaronder Josef Schalk en Gustav Mahler, uiteraard niet op.

Een milde Hanslick
Bruckner was ontroostbaar, hij wilde zo snel mogelijk weg, het was duidelijk geweest, men wilde niets van hem weten. Ook de perskritieken waren niet mals, al was de toonzetting niet alleen maar negatief. De gevreesde criticus Eduard Hanslick was mild voor zijn doen door op te merken dat hem niet zozeer kritiek paste, zij het louter en alleen omdat hij Bruckners ‘gigantische' symfonie niet begreep. Hij zag als in een visioen hoe Beethovens Negende vriendschap sloot met Wagners ‘Walküre', om ten slotte onder de hoeven van haar paard te geraken…

Geen manuscript
Van de eerste versie, gecomponeerd in 1873 (tevens de eerste symfonie van Bruckner die in druk verscheen), is helaas geen complete partituur in het handschrift van de componist overgeleverd. We mogen daarom van geluk spreken dat Bruckner twee afschriften liet maken die wel bewaard zijn gebleven. Een exemplaar, voorzien van een fraai gekalligrafeerde opdracht, was bestemd voor Richard Wagner, de ‘meester uit Bayreuth'.

Verwarring
Met de Derde symfonie duikt voor het eerst het complexe ‘versieprobleem' en de daarmee verband houdende verwarring op, zoals die zich later ook zal uitstrekken tot de Vierde en Achtste symfonie (bepaald anders dan de beide relatief gemakkelijk van elkaar te onderscheiden versies van de Eerste symfonie: de ‘Linzer' en de ‘Wiener'). Van alleen al de Derde symfonie zijn in de (nieuwe) ‘Gesamtausgabe' maar liefst vijf deelbanden opgenomen! Het moet met die Derde al vanaf het prille begin de nodige verwarring hebben gegeven, want het was de eerste symfonie die tijdens Bruckners leven in twee verschillende versies werd uitgegeven. Bovendien was het dit werk dat Bruckners bekendheid ook buiten de eigen landsgrenzen stimuleerde (wat onder meer blijkt uit een uitvoering in ons land in 1885).

Natuurlijk was de componist zelf in de eerste plaats verantwoordelijk voor die verwarring. Hij was het immers die zijn werk graag opnieuw onder handen nam, daarbij wel vaak aangespoord door de slechte ontvangst en de geleverde kritiek, maar ook door goedbedoelde adviezen van anderen. ‘Verbeteringen' waarvan menigeen zich achteraf afvraagt of het wel verbeteringen waren, maar ongetwijfeld ook bedoeld om aan de kritiek tegemoet te komen en zich zoveel mogelijk te verzekeren van een succesvolle uitvoering; of een uitvoering überhaupt. Revisie op revisie, menigmaal dusdanig uitdijend dat sprake werd van een deels nieuw concept (Derde, Vierde en Achtste symfonie).

Work in progress
Geen wonder dus dat zowel binnen als buiten de kaders van de oude en de nieuwe ‘Bruckner Gesamtausgabe' ware monnikenarbeid moest worden verricht, met als belangrijkste taak de tekstkritische uitgaven die Bruckners complete oeuvre omspanden. Een waar ‘work in progress', niet zonder vallen en opstaan, een project ook dat nog steeds niet is afgesloten (zo zijn er nog de vele ‘restauratiewerkzaamheden' van recente datum op grond van de nieuwste inzichten, en dan met name die van de Duitse muziekwetenschapper Benjamin-Gunnar Cohrs).

Geen half werk
De eerste versie van Bruckners Derde symfonie zou oorspronkelijk deel uitmaken van de (dan nog oude) ‘Gesamtausgabe' die onder redactie stond van Robert Haas. Het geallieerde bombardement op Leipzig in 1945 maakte daaraan echter voortijdig een einde: het reeds gegraveerde notenmateriaal overleefde de verwoesting niet. Wonder boven wonder bleek echter een proefdruk te zijn overgeleverd die het mogelijk maakte om alsnog tot de uitvoering van het werk te komen: op 1 december 1946 door de Sächische Staatskapelle Dresden onder leiding van Joseph Keilberth. De dirigent hield niet van half werk: hij realiseerde zich dat de symfonie zo zijn weerbarstige kanten had en liet het publiek er alvast enigszins aan wennen door het inlassen van een openbare repetitie op 30 november, terwijl het concert zelf op 2 december werd herhaald. Plaats van handeling het ‘Kurhaus Bühlau'. Maar evenals in Wenen was de publieke bijval beperkt en waren de kritieken in de dagbladpers bovendien sterk verdeeld, met voor- en tegenstanders in een bonte afwisseling.

Ver van huis
Eerst in 1977 werd de eerste versie van de Derde symfonie opgenomen in de (nieuwe) ‘Gesamtausgabe, dan onder redactie van Leopold Nowak. De eerste uitvoering speelde zich heel ver van huis af, in het Australische Adelaide, op 19 maart 1978, door het BBC Symphony Orchestra onder leiding van Hans-Hubert Schönzeler. Kort daarop bracht de dirigent het werk ook naar Nederland, met op het podium het al lang niet meer bestaande Omroeporkest. De NCRV maakte er een radio-opname van. Zelf had ik ooit een cassettebandje (verloren gegaan tijdens een verhuizing) met daarop nog een andere uitvoering: die op 17 september van dat jaar in Linz, ter gelegenheid van het traditionele Brucknerfest in het Brucknerhaus, met het Brucknerorchester Linz onder zijn toenmalige chef, Theodor Guschlbauer. Het is deze ‘Erste Fassung' die – evenals de vierde en tevens laatste versie uit 1889 - door veel dirigenten werd en (gelukkig!) nog steeds wordt uitgevoerd.

‘Verbeteringen'
Waarom bleef het niet bij die eerste versie? Op 12 januari 1875, inmiddels driftig werkend aan zijn Vierde symfonie, meldde Bruckner aan zijn goede vriend Moritz von Mayfeld dat hij in de Derde ‘wezenlijke verbeteringen' had aangebracht. Het besluit daartoe had hij al in een vroeg stadium genomen. Immers, de voor Wagner bestemde partituur (vandaar de bijnaam ‘Wagner-Symphonie') was nog maar amper droog of Bruckner bracht (in 1874) al ingrijpende wijzigingen aan. In de zomer van 1875 presenteerde hij de aldus omgewerkte partituur aan de Wiener Philharmoniker. Hij hoopte ditmaal duidelijk op ‘beter weer', na de deceptie in de herfst van 1874, toen dirigent Otto Dessoff de toegezegde uitvoering van de ‘Wagner-Symphonie' tegen de verwachting in alsnog uit het concertprogramma had geschrapt. En dat terwijl dirigent en orkest (het was opnieuw de Wiener Philharmoniker) nog kort daarvoor het werk intensief hadden gerepeteerd! Natuurlijk was het voor Bruckner als een donderslag bij heldere hemel en kwam het bij hem hard aan dat zijn symfonie was afgevoerd. Hij moet zich bovendien zeer over de aangevoerde reden hebben verbaasd: dat het concertprogramma ‘al overvol' was. Ongelukkig genoeg zou dit treurige schouwspel zich precies een jaar later opnieuw voordoen, toen in de herfst van 1875 ook de inmiddels gereedgekomen tweede versie botweg werd geweigerd.

Moedig voorwaarts
Het moet Bruckner zwaar zijn gevallen: vakgenoten die zijn werk afwezen, musici die hem regelrecht uitlachten, verdeelde kritieken in de dagbladen en tijdschriften en ook nog een groot deel van het publiek dat hem als componist niet serieus nam. We kunnen de invloed ervan op zijn psyche, op zijn zelfvertrouwen hoogstens inschatten, maar toch gaf hij de moed niet op: in 1876 zette hij zich er opnieuw aan en volbracht in dat jaar bovendien de ‘ritmische aanscherping' (‘Periodenbau') van zowel zijn drie missen als van zijn Derde symfonie (‘Rhythmisch etc. geordnet – 5. November 1876'). Na de voltooide revisiearbeid in 1877 (onder meer de Wagner-citaten waren verwijderd en de finale was drastisch ingekort) werd de symfonie in 1878 door Thomas Rättig in Wenen uitgegeven.

Die coda…
Maar het bleek toch weer niet de definitieve maatstreep te zijn, want na die gedenkwaardige uitvoering onder zijn leiding op 16 december 1877 besloot Bruckner in januari 1878 om alsnog een coda aan het Scherzo toe te voegen. Waarom hij daartoe besloot: daarover zijn de meningen niet eenduidig, en te meer niet omdat het waarschijnlijk niet zijn bedoeling was om het ook in druk te laten verschijnen. Zo staat het tenminste duidelijk in Bruckners handschrift in de autograaf: ‘wird nicht gedruckt'. Hoewel het ook mogelijk is, zelfs voor de hand ligt dat het niet meer was dan een mededeling voor intern gebruik: dat de coda te laat kwam en daardoor niet meer in de gedrukte uitgave kon worden meegenomen.

Wellicht heeft het Bruckner Verlag in Wiesbaden die laatste conclusie ook getrokken, want in de door de uitgever gedrukte en in 1950 verschenen partituur van de versie uit 1877 is de coda niet opgenomen. Het is overigens toch al een gemankeerde, toen nog door Fritz Oeser samengestelde editie die enerzijds was gestoeld op het handschrift uit 1876/77 en anderzijds op de gedrukte versie uit 1880 (dus zonder coda in het Scherzo).

De editie van Fritz Oeser uit 1950 is voornamelijk samengesteld uit het handschrift van 1876/77 en de gedrukte versie uit 1880 (dus zonder coda in het scherzo). Eerst in 1981 verscheen, in het kader van de (nieuwe) ‘Gesamtausgabe' Nowaks kritische editie van de versie uit 1876/77 (de coda in het scherzo was daarin hersteld). Het is deze editie die door verschillende dirigenten, waaronder Bernard Haitink, zo ongeveer tot ‘standaardmodel' is gekozen.

Adagio 1876
In 1980 volgde nog een belangrijke primeur, eveneens door Nowak in gang gezet: de publicatie van het Adagio dat Bruckner in 1876 voor de Derde symfonie had bestemd. Nieuw was het op zich niet, want dit materiaal, had deel uitgemaakt van de uitvoering op 16 december 1877 en lag al heel lang in het archief van de Weense ‘Gesellschaft'. De grootste verrassing moest echter nog komen: dat over de notentekst heen was geplakt. Dat was nog niet eerder ontdekt! Het had nogal wat voeten in de aarde om ‘achter de noten' te mogen kijken, maar uiteindelijk kwam er van hogerhand toestemming en kon het ‘losweken' beginnen. Waarna de tot dan toe verborgen gebleven noten tevoorschijn kwamen. Nowak gaf hierover een uitvoerige verantwoording die er kortheidshalve op neerkwam dat na het zorgvuldig losweken een tussenvorm zichtbaar werd die feitelijk de overgang markeerde van het Adagio van de eerste naar de tweede versie van de symfonie. Daarbij vielen ook verschillen in de instrumentatie op.

In deze vorm telde het 11 maten meer dan in de versie uit 1873 en 38 maten meer dan in die uit 1877. Wat ontbrak was de eerste en tweede hobopartij, de tenortrombone, de pauken en de strijkerspartijen, met uitzondering van de stemvoering voor de contrabas. Op twee plaatsen was over alle oorspronkelijke stemmen nieuwe notentekst geplakt, in het handschrift van de kopiist die ook de partituur voor de eerste druk in 1878 had voorbereid. Die nieuwe notentekst voor het Adagio van de tweede versie, die betrekking had op de maten 9-18 en 225-272 van de eerste versie, bevatte naast de fortissimo-passage in het eerste deel ook het derde deel tot aan de coda.

De meeste problemen konden echter worden opgelost dankzij de medewerking van de ‘Nationalbibliothek', die weliswaar niet beschikte over een volledig handschrift, maar die het wel mogelijk maakte om wat ontbrak op muziekwetenschappelijke wijze te reconstrueren. (Nowak heeft het gehele proces uitvoerig toegelicht in het Mededelingenblad 17/1980 van de Internationale Bruckner Gesellschaft). Waarna het – aldus Nowak –als ‘zelfstandig stuk' rijp werd bevonden om te worden uitgevoerd. Dat gebeurde voor het eerst op 25 mei 1980, tijdens de ‘Wiener Festwochen', door de Wiener Philharmoniker onder leiding van Claudio Abbado. Dit ‘tussen-adagio' is nadien ook in de studio vastgelegd, door Georg Tinter in het kader van diens complete Bruckner-cyclus op het Naxos-label. Dat het niet alleen als zelfstandig stuk, maar ook als volwaardig deel van de Derde symfonie bestaansrecht heeft, bewees Osmo Vänska op het Hyperion-label: hij nam de versie van 1877 op met juist dit Adagio. Het kwam eenvoudigweg neer op de keus tussen het uit 251 maten bestaande Adagio uit de versie van 1877 of het uit 289 maten bestaande Adagio uit de versie van 1876. Het werd het laatste.

Laatste versie
Daarmee is het beeld van de Derde symfonie nog niet compleet, want er is nog een vierde, tevens laatste versie, uit 1889, die overigens het meest wordt uitgevoerd (waarom dat zo is laat zich niet goed verklaren, maar heeft mogelijk mede te maken met het feit dat het nu eenmaal de laatste versie is, hoewel het ronduit hachelijk is om daarop een houdbaar kwaliteitscriterium los te laten).

Dat Bruckner, na zoveel eerdere pogingen, opnieuw de Derde (en deze niet alleen!) onder handen nam lijkt vooral verband te houden met de domper die hij moest incasseren nadat hij zijn Achtste symfonie (toen nog in de eerste versie) op 19 september 1887, de voltooide partituur was toen nog maar net een maand oud, aan niemand minder dan Hermann Levi, een grote autoriteit en niet alleen als dirigent, had toegezonden. Uiteraard in de hoop dat deze het werk in ‘welwillende overweging' wilde nemen. Die hoop bleek ijdel, want Levi, die met groot succes de Zevende in München had geleid, kon het kolossale werk niet bevatten. Hij besloot om Josef Schalk om raad te vragen, maar vooral: hoe moest dit aan de goede Bruckner worden medegedeeld? Die raad kwam: omwerken! Bijgevolg diende zich bij Bruckner een diepe crisis aan, die hem echter niet verhinderde om – we zagen het al eerder - toch spoedig daarna weer aan het werk te gaan. Niet eerst met de door Levi en Schalk voorgestelde omwerking, maar met die van zowel de Derde als Vierde symfonie. Aldus kreeg de vierde en daarmee tevens laatste omwerking van de Derde symfonie op 4 maart 1889 haar beslag, waarna hij zich vol goede moed aan het Adagio van de Achtste zette, dat hij vrij kort daarop, op 8 mei, voltooide. De laatste versie van de Derde symfonie werd al in het volgende jaar door Thomas Rättig uitgegeven. De door Nowak geredigeerde versie dateert van 1959.

Hoe zat het nu met die revisie? We lezen het onder meer in Van Zwols biografie. Voor de omwerking van de eerste drie delen nam Bruckner de door Thomas Rättig gedrukte uitgave van 1878 als uitgangspunt. De finale was door Schalk herschreven. Van de door hem voorgestelde coupures (er moest volgens Schalk het nodige worden geschrapt) nam Bruckner er slechts twee over. Voor de derde voorgestelde coupure (de maten 465-486) componeerde hij echter nieuwe muziek (393-440). Dat neemt uiteraard niet weg dat die finale teveel Schalk en te weinig Bruckner bevat, al had dit wel de instemming van de componist (de finale zou er immers anders geheel anders hebben uitgezien). Bruckner heeft de uitvoering (die een groot succes was) van deze laatste versie nog mogen meebeleven, bijna zes jaar voor zijn dood: op 21 december 1890, in de ‘Gouden Zaal' van de Musikverein, door de Wiener Philharmoniker onder leiding van Hans Richter.

Hoofdbrekens
Het gehele veld van omwerkingen van de Derde symfonie overziende moet dat voor de verschillende opeenvolgende redacties enorme hoofdbrekens met zich mee hebben gebracht. Er moest immers – samenhangend met de vele omwerkingen - wegwijs worden gevonden in talloze schetsen, partituurontwerpen, afschriften en eerste drukken. Daaruit moest dan ten slotte het solide beeld oprijzen van een niet aan twijfel onderhevige ‘Urtext'. Geen wonder dat het uitpakte als ware monnikenarbeid, in een gevecht met een uitermate weerbarstige materie die zelfs tot op de dag van vandaag (ik herinner aan Cohrs) nog geen einde heeft gevonden. Wat overigens niet wil zeggen dat er niet het nodige mis zou zijn met de partituren van andere componisten.

Waarheid
De wetenschap ook dat het een probleem is dat ons allen raakt: de (enige) ‘waarheid' van het notenbeeld zoals dat uiteindelijk op het bureau van de dirigent en op de lessenaars van de musici terechtkomt, onverschillig welke compositie het betreft. Niemand wil dienaangaande compromissen, al blijken ze soms toch onvermijdelijk. Omdat de beschikbare bronnen geen definitief uitsluitsel kunnen geven en er niets anders opzit dan op grond van musicologische evaluatie zo dicht mogelijk bij de ‘waarheid' te komen. Een proces dat overigens niet alleen het oeuvre van Bruckner diep raakt, maar ook dat van Beethoven, Schubert en zovele andere componisten. De waarheid en niets dan de waarheid, het is en blijft in de muziekgeschiedenis van het Avondland ondanks alle musicologische verworvenheden en voortuitgang een nobel streven, maar tegelijkertijd een utopie!

__________________
Bronnenmateriaal:
Anton Bruckner Alte Gesamtausgabe (1944) en Neue Gesamtausgabe (2019)
Max Auer: Anton Bruckner, Ein Lebens- und Schaffens-Bild von von August Gröller (1974)
Anton Bruckner-Forschung, Forschungsprojekt Musik – Kunst – Wissenschaft, Institut für kunst- und musikhistorische Forschungen, Österreichische Akademie der Wissenschaften (2019)
Robert Haas: Anton Bruckner (1934/1980)
Leopold Nowak: Über Anton Bruckner (1936/1985)
Elisabeth Maier: Anton Bruckner, Stationen eines Lebens (1996)
Kurt Wöss: Ratschläge zur Aufführung der Symphonien Anton Bruckners (1974)
Cornelis van Zwol: Anton Bruckner (2012)
Anton Bruckner Institut Linz (2019)
Partituren/manuscripten (Petrucci)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links