Column

Dirigenten, directeuren, dompteurs en borrelpraat

 

© Tjako Fennema, 16 oktober 2005

 

 

Alweer geruime tijd geleden vergeleek ik de orkestmusicus met een ambtenaar met beperkte bevoegdheden, gecompenseerd door een riant werktijdenbesluit en uitstekende salariëring. Dat leverde reacties op in de zin van: geen laatdunkendheden over ‘die holde Kunst’. Er zitten heel wat Dorknopers onder orkestmusici. Zij zijn het die chagrijnig reageren wanneer een contemporaine componist op de lessenaar ligt en voor een cyclus Schumann-symfonieën de neus ophalen.

Vooral in de derde-echelonsorkesten kom je ze tegen, die calculerende muziekburgers. Ze profiteren van een uitstekende salaris en pakken er nog een (hoofd)leraarschap op een conservatorium bij. Zomerfestivals in Frankrijk, Kerstmis, Pasen en die Jahreszeiten zijn tenslotte erg goed voor spannende schnabbels, cd- en radio-opnamen worden extra betaald en anders kun je altijd nog een renteloze en uitgestelde lening aanvragen voor een dwarsfluitkoffer.

Musici die weinig op hebben met Henze weten doch een jaar van tevoren alle speelvrije dagen uit het hoofd opdreunen om die aaneen te rijgen en te larderen met snipper-, ATV- en godweet wat voor een andere compensatiedagen om zo hun vierde of vijfde vakantie te creëren. Eerder betoogde ik al dat het werk van een tutti muzikant eerder uiterst gedisciplineerde kunstnijverheid is dan kunst! Feit is dat het orkestwezen - net als spoorwegen en GVB - is uitgehold door vakbondsgedoe. Het lezen van het speelreglement leidt voor een buitenstaander tot lachkrampen. Over begrippen overwerk en werkbelasting wordt pagina’s lang doorgemeierd en tussen 2 zware speelbeurten moet minimaal 1 x volle maan, 2 x wassend getij en 34 rusturen overdag liggen, dit alles gedeeld door het aantal torenflats in Amsterdam om maar eens een volstrekt onzinnige rekensom te parodiëren.

Ik beklaag de inspeciënt die de speelroosters moet opstellen. Ex RPhO-directeur wijlen Hans Oosterlee verklaarde ooit dat een toernee minimaal 1 huwelijk per dag kostte en daarmee dringt zich het beeld op dat iedere negatieve observatie bij het groepsgedrag van mensen in extra mate opgaat voor orkestmusici. Met de regelmaat van de klok klinkt gejammer op dat Duitsland veel beter betaalt. Ga dan, zou ik zeggen. Ze kijken wel uit want tegenover 2-3 x meer verdienen staat een regentencultuur, kadaverdiscipline en standsbesef waar de in Nederland tot op de vezel stukgedemocratiseerde orkestmusicus absoluut allergisch voor is. Dirigent en/of intendant daar zijn oppermachtig en tutoyeren is er al helemaal niet bij.

Een Nederlandse contrabassist die in Hamburg een woning zocht, kwam erachter dat hij voor een appartementje al meer dan € 600.000 kwijt was. Mensen uit het bedrijfsleven kennen deze problematiek allang, slechts musici koketteren nog steeds met emigratie. Gek dat je ze nooit over Frankrijk, België of Engeland hoort. Daar hebben musici in de paraplubak naast regenscherm en hockeystick nog een keurige bedelstaf staan. Waarom zijn zoveel Nederlandse orkestmusici kapsoneslijers en machtswellustelingen? Hebben ze niet door dat het uitbundige applaus dat na de slotmaat opklinkt meer een reflectie is van ’s toehoorders nobelste gevoelens, gevolgd door zijn waardering voor het uitgevoerde werk en pas daarna door zijn respect voor de uitvoering. Snappen ze niet dat met een zaal vol sherriënde, sponsorende skybox-accountants in Nederland een klapcultuur is ontstaan, waarbij een routineuitvoering van een pikpakouverturetje goed is voor 5 minuten brullende ovatie? Voor dat laatste wordt –terecht of niet – toch de dirigent verantwoordelijk gehouden en afgerekend. Dat laatste zowel letterlijk als figuurlijk.

Zelfs onverwoestbare partijgangers moeten toegeven dat het gaan en komen van dirigenten, financiële en artistieke directeuren verontrustend hoog is. Het Koninklijk Concertgebouworkest dat al eerder Haitink afserveerde en Rattle heel ordinair schoffeerde, gaf ten slotte Chailly te verstaan dat ze op hem waren uitgekeken en maakte vervolgens Jansons zijn opwachting. Wie zijn ‘ze’, zo vraagt men zich af. Vaak zijn het musici die zich in de orkestcommissie of medezeggenschapsraad hebben verschanst. Het zijn dezelfde mensen die zich met graagte opgeven in de proefspelcommissie, waarin de ene helft van het orkest vanachter een gordijn de andere helft liefst twee keer per jaar examen afneemt. Zul je een van de vier hoornisten zijn, dan voel je van tevoren al welke collega er achter de vitrage zit. Zal het een sollicitant zijn. Dan weet je uit het roddelcircuit al wie de kandidaat is of anders herken je wel aan zijn speelwijze dat hij van leraar X afkomstig is. Een misselijkmakende bedoening.

En zo sneuvelde in Brabant een capabele directeur die met gevaar voor eigen leven een even capabele concertmeester naar binnen loodste. Want goede concertmeesters zijn dun gezaaid. Het orkest reageerde furieus. De man was nog niet door de democratiseringsmangel gehaald en men eiste 1 jaar na aanstelling alsnog een proefspel. Terecht weigerde hij dat en dus moest er alsnog een hoofd op het slachtblok komen: dat van de directeur...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links