Column

Nederlandse muziek, een bedreigde diersoort

 

© Maarten Brandt, september 2014

 

Opmerking vooraf: dit is een van de, licht geredigeerde, afleveringen uit de artikelenserie Klinkende alchemie van het inmiddels niet meer bestaande, maar vele decennia lang gezaghebbende muziektijdschrift Mens en Melodie. De Nederlandse Muziekdagen zijn alweer geruime tijd geleden opgeheven, dus de situatie waarin de toonkunst van eigen bodem verkeert, is er sinds het verschijnen van deze overpeinzing alleen nog maar op achteruit gegaan.
Op 13 oktober 2014 houdt Maarten Brandt een lezing over dit onderwerp in boekhandel Jansen en De Feijter, Emmastraat 6, 6881 ST Velp, aanvang 20.00 uur. Men kan zich daarvoor opgeven via info@eenpassievoorboeken.nl en dan via ‘activiteiten’.

Al meer dan eens werd op deze plaats gesproken over de deplorabele status van de Nederlandse muziek in den lande in zoverre het de symfonische sector betreft. Vooral de geïsoleerde positie van die muziek maakt haar feitelijk als het ware tot een ‘bedreigde diersoort’. Zo is het natuurlijk te gek voor woorden dat er ‘Nederlandse Muziekdagen’ voor nodig zijn om eens een groter werk van Diepenbrock, Vermeulen of Verhulst te horen. Een vergelijkbare situatie zou een eigentijds muziekfestival in Engeland zijn als enige mogelijkheid eens een wat grootschaliger compositie van Vaughan Williams, Britten, Tippett of Bax te kunnen beluisteren. Absurd zult u zeggen, en terecht natuurlijk. Maar dit is wel de situatie waarin Nederland tegenwoordig ondubbelzinnig verkeert.
Over het hoe en waarom is op deze plaats al dikwijls hardop nagedacht. In welk verband bij herhaling de rol van de Notenkrakers en in het bijzonder hun actie tegen het toen nog niet van het predicaat ‘Koninklijk’ voorziene Concertgebouworkest werd onderstreept. Hoewel het verre van mij is deze rol te bagatelliseren, is dit uiteraard niet de enige factor die tot de grotendeelse verwijdering van de Nederlandse muziek uit de arena van de symfonische muziek heeft bijgedragen. Zeker, het orkest als instituut was in de jaren zestig hevig in opspraak en Louis Andriessen zwoer in 1969, het jaar waarin de roemruchte opera Reconstructie van het uit Peter Schat, Louis Andriessen, Jan van Vlijmen*, Reinbert de Leeuw, Hugo Claus en Harry Mulisch bestaande componisten-schrijverscollectief, gereedkwam, nooit ook maar één noot voor deze gewraakte als klanksymbool bij uitstek van het ‘kapitalistische establishment’ geldende formatie te zullen schrijven. Een belofte waaraan de deze componist zich overigens van de Notenkrakersgroep** het langst strikt heeft gehouden. Wat niet wegneemt dat bepaalde secties van één van zijn recentere composities, Trilogie van de Laatste Dag (1996) soms verdacht symfonisch klinken, maar dat is weer een ander verhaal.

Scheidslijn
Een ander punt is dat het orkest in de jaren zestig niet alleen in louter politiek opzicht ter discussie stond. Ook was er immers de invloed van het serialisme van Boulez en Stockhausen waarbinnen zich een intrigerende evolutie aftekende van punten naar blokken of groepen van noten. Dit op zijn beurt leidde tot een exploratie van de akoestische ruimte door allerhande orkestrale composities waarin de bezetting wordt opgesplitst in diverse en min of meer los van elkaar opgestelde ensembles. Indrukwekkende voorbeelden hiervan zijn Stockhausens Gruppen für Drei Orchester (1957), Boulez’ Figures-Doubles-Prismes (1958-1965) en niet te vergeten werken als Gruppi per venti strumenti e percussione (1965) en Sonata per pianoforte e tre gruppi strumentali (1966) van onze landgenoot Jan van Vlijmen. Deze ontwikkeling van een symfonische totaalklank naar een uiterst gedifferentieerde sonoriteit met daarbij in technische zin zeer hoge uitvoeringseisen, heeft stellig geleid tot de het fundament waarop ons unieke ensemblewezen tot op de dag van vandaag voortbouwt. Niettemin mag het aan de balk dat pianist Theo Bruins en het Residentieorkest (= een symfonieorkest) onder Ernest Bour van dit intrigerende en soms – zij het op een hoogst originele manier – op Stockhausens Gruppen zinspelende opus een uitmuntende vertolking gaven, die gelukkig ook op cd is vastgelegd. Het kan verkeren en het is dus op z’n minst twijfelachtig of de scheidslijn tussen de symfonieorkesten ener- en de ensembles anderzijds inderdaad zo absoluut is als sommige ex-angry young men ons nog steeds willen doen geloven.
Ook hiermee echter is de vraag waarom de Nederlandse muziek binnen het symfonische sector gemiddeld - in zeker in vergelijking met de Engelse muziek in het Engelse en de Duitse muziek in het Duitse bestel – een zo marginale plaats inneemt niet afdoende beantwoord. Een kardinaal punt is ongetwijfeld het bij vele orkesten ontbreken van de vereiste expertise op het gebied van de Nederlandse muziek in het algemeen en de landelijke eigentijdse toonkunst in het bijzonder. Figuren als Marius Flothuis bij het Concertgebouw-orkest, Hans Citroen en Piet Veenstra bij het Residentieorkest en niet te vergeten Willem Vos bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest zijn uiterst schaars. En als ze er al zijn worden ze meestal niet aangenomen of vliegen ze de laan uit. Dit is in Nederland net zo normaal als het in Duitsland normaal is dat men bij de orkesten in eerste instantie wel en liefst uitsluitend mensen uit eigen land tot artistiek functionaris (of ‘Dramaturg’, zoals dat daar zo fraai wordt heet) benoemt. Net zoals op velerlei ander gebied richten echter de directies van de Nederlandse orkesten, wanneer dit het aantrekken van staffunctionarissen betreft, hun blik bij voorkeur buiten de landsgrenzen. Het gras aan gene zijde van het hek is nu eenmaal altijd groener dan aan deze kant en wat van verre komt is altijd beter en lekkerder. Dit heeft er in beslissende mate toe bijgedragen dat een al decennia lang gevestigde en stevig gewortelde traditie op tamelijk bruuske wijze is afgebroken, terwijl de nieuwe Flothuisen en Veenstra’s in deze van commercie en oppervlakkige trends vergeven tijden, als ze er al zijn, geen noemenswaardige kansen krijgen geboden.

Dirigentenbeleid
En dan is er nog een heet hangijzer: het dirigentenbeleid. Door de eenzijdige gefixeerdheid op het buitenland, al dan niet dankzij de opstelling van buitenlandse functionarissen in de staf van vele orkesten, komen Nederlandse dirigenten onvoldoende aan de bak. En buitenlandse dirigenten zijn niet automatisch geïnteresseerd in Nederlands repertoire. Riccardo Chailly was tijdens zijn chefdirigentschap van het Koninklijk Concertgebouworkest, om het even hoe men ook over zijn interpretaties mag denken, op deze regel een behoorlijk gunstige uitzondering en hoe zijn opvolger zich in deze gaat betuigen, valt met geen zekerheid te zeggen. De meeste dirigenten echter zijn zozeer begaan met hun eigen carrière dat indien zij voor de keus worden gesteld een stuk van Stravinsky voor een internationaal label op te nemen of een symfonie van Willem Pijper dan wel Hendrik Andriessen de keus snel in het voordeel van eerstgenoemde uitvalt. In de vorige aflevering werd reeds het charisma van de sterdirigent gesignaleerd en dat men van dit charisma ook heel creatief gebruik zou kunnen maken. Stel dat iemand als Gergiev op de bres zou gaan staan voor bijvoorbeeld Pijper, (Hendrik) Andriesen, (Otto) Ketting, Van Vlijmen of Keuris, dit niets minder dan een heuse aardverschuiving zou betekenen. En niet alleen dat, want dan wordt ook een voorbeeld gesteld dat vroeg of laat zal worden nagevolgd. Ooit was dat anders: in de jaren vijftig verschenen op commerciële labels als Decca en Philips dikwijls producties met Nederlandse muziek, getuige bijvoorbeeld een (inmiddels ook op cd overgezette) uitgave met de Derde symfonie van Pijper en delen uit Marsyas van Diepenbrock door het Concertgebouworkest onder Eduard van Beinum. Maar, op gevaar af reactionair en discriminerend te lijken, dat was dan ook een Nederlander.

Praktijk
Tenslotte nog een woord over de dirigentenopleidingen in Nederland. Of eigenlijk niet over die opleidingen, want daar is niets mis mee. Die staan op een zeer hoog niveau. Waar het vooralsnog aan schort, is de ‘spin off’ van die opleidingen. Een aankomende dirigent kan nog zo’n fraai getuigschrift in de wacht weten te slepen, het is uiteindelijk de praktijk en niets anders dan dat waar hij het vak leert. Voor de meeste jonge Nederlandse afzwaaiende directiestudenten zijn de mogelijkheden in eigen land ervaring in de praktijk op te doen uiterst minimaal om niet te zeggen, vrijwel totaal afwezig. Afgezien van de Bernard Haitink-beurs***, waardoor een aankomend dirigent in staat wordt gesteld voor een zekere tijd met een professioneel orkest te werken, stranden de meeste studenten bij amateurorkesten. Niet dat dit in alle gevallen funest hoeft te zijn, maar dit is onvoldoende voor talenten die voor meer in de wieg zijn gelegd. Zowel in Duitsland als Engeland is op dit gebied – zij het minder dan voorheen maar in vergelijking met Nederland is de zaak er nog altijd heel rooskleurig te noemen – veel meer mogelijk. Daar kan een talent zich bij een plaatselijk operagezelschap in principe van repetitor tot een volwaardig uitgerust dirigent, lees: een allround musicus ontwikkelen. De hiërarchie mag nog zo streng zijn, maar juist bij de gratie daarvan leert de geabsolveerde directiestudent het vak tot werkelijk in alle kneepjes kennen. En over traditie gesproken, die wordt door een dergelijke verbintenis op een vanzelfsprekende en natuurlijke wijze op de jonge dirigent in kwestie overgedragen. Vroeger kende het Concertgebouw-orkest de (helaas wegbezuinigde) instelling van het assistent-dirigentschap, getuige de co-schappen van Hein Jordans bij Eduard van Beinum alsmede die van Ed Spanjaard en Hans Vonk bij Bernard Haitink. En dat brengt ons weer terug bij het onderwerp van deze korte bespiegeling, het huidige isolement van de Nederlandse orkestmuziek. Want, toeval of niet, juist dirigenten als Jordans, Vonk, Spanjaard en niet te vergeten Jac van Steen hebben nadien elk op hun terrein onnoemlijk veel bijgedragen (en doen dit deels nog) aan de status van onze nationale toonkunst. Ik zou dus willen zeggen: “Nederland let op Uw saeck!”


________________________
*) Wellicht ten overvloede zij nog eens gesteld dat Jan van Vlijmen geen deel heeft uitgemaakt van de Notenkrakers. Hoewel hij de ideeën van deze groep onderschreef, kon hij zich niet vinden in de door de leden ervan gebezigde methodes.
**) Tot 2013, want op 3 november van dat jaar beleefde het speciaal voor het 125-jarig bestaan van het Koninklijk Concertgebouworkest geschreven orkestwerk Mysterien zijn vuurdoop bij het jubilerende ensemble onder supervisie van zijn toenmalige chefdirigent Mariss Jansons.
***) En tegenwoordig het Anton Kersjes Fonds dat de nieuwe Nationale Masters opleiding op tal van manieren, waaronder tevens door middel van een beurs, ondersteunt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links