Column

Ik geloof in Grote Kunst

 

© Kees Vlaardingerbroek, februari 2024

 

Enkele maanden geleden was ik in het Rijksmuseum om de tentoonstelling gewijd aan de late Rembrandt te bezoeken. Ik was te vroeg en besloot daarom eerst even naar de collectie 18de-eeuwse schilderijen te gaan kijken. Er hing onder andere een mooi portret van een Amsterdamse patriciër, geschilderd door Louis Tocqué. Mooie kleuren, goede compositie, fijne sfeer, kortom: een feest om naar te kijken. Klokslag drie uur werd ik toegelaten tot de ‘heilige Hallen' met de late Rembrandts. Mijn God, geen Rembrandt te zien, enkel menselijke gestalten met tablets en draagbare telefoons die elkaar stonden te verdringen. Hoewel ik dat wel had verwacht, vroeg ik mij toch af wat ik hier in hemelsnaam deed. Gelijk eruit? Nee, dat was mijn eer te na, en zo snel wilde ik deze (in Taco Dibbets' woorden) 'once in a lifetime experience' niet mislopen. Goed om mij heenkijken dus maar, en snel voor een schilderij springen wanneer er opeens wat ruimte voor was. En zo stond ik opeens voor een van Rembrandts laatste zelfportretten. En toen gebeurde het. Tegen de stem van mijn innerlijke criticaster in – hoe is het mee te bewegen met de hype, Kees? – werd ik tot in het diepst van mijn ziel getroffen door twee ogen die alles al hadden gezien. Of beter: door twee ‘alziende' ogen die waren geschilderd door een schilder die beschikte over zowel psychologisch inzicht als over ambachtelijk meesterschap. Visioen en verbeelding ervan in volmaakte harmonie. Het resultaat is niet een goed gemaakte kunst die vooral representatieve doeleinden dient, maar Grote Kunst, die meer dan drie eeuwen later nog zonder omwegen tot de toeschouwer spreekt, maar die ook “schuurt”. Dit is geen vrijblijvend tafereeltje, dit is een schilderij dat vergezichten opent, meesleept, betovert, maar ook de toeschouwer ongemakkelijke waarheden in het gezicht duwt. Talent en genie, er gaapt een kloof tussen. Iedereen die ogen heeft die kunnen zien, ervaart het verschil in een fractie van een seconde. Niets romantische mythe, maar voelbare realiteit.

Natuurlijk, ik ken alle tegenstemmen ook. De laatste decennia heeft kunst = goddelijke inspiratie plaatsgemaakt voor kunst = handelswaar, prestigeobject, decoratie, een sociaal smeermiddeltje waarmee de machtigen der aarde zich proberen te onderscheiden. Het idee van het autonome kunstwerk is bij het vuil gezet, tot taboe verklaard. Die recente opvattingen zijn niet allemaal onzinnig, maar gaan toch voorbij aan iets dat essentieel is voor de kunst. Bach componeerde iedere week een cantate, een geestelijk zangstuk dat onderdeel was van de Lutherse eredienst. 'Gebrauchsmusik' dus. Hetzelfde deden tientallen collega-componisten in Duitsland. De maatschappelijke functie van Bachs muziek was dus dezelfde als die van zijn collega's. Veel 18de-eeuwers prefereerden de muziek van Telemann, Stölzel en Fasch boven die van Bach. Niets voor niets werd Bach tot Thomaskantor benoemd 'bij gebrek aan beter'. De constatering dat de kwalitatieve kloof tussen Bach en Stölzel in de 18de eeuw nauwelijks werd opgemerkt is weliswaar juist, maar doet voor ons 21ste-eeuwers niet terzake. Wij horen het verschil wel degelijk, hoeveel respect wij tegenwoordig ook voor de beste werken van de 'Kleinmeister' uit Bachs tijd kunnen opbrengen. Wij voelen aan dat bij Bach de noten naar zijn pijpen dansen, terwijl bij veel tijdgenoten meestal slechts sprake is van goede beheersing van het metier.

Klopt het wat ik schrijf, voelen wij dat nog aan? Misschien toch steeds minder. De notie dat kunst vooral functionele waarde heeft viert hoogtij. Een opinion leader als Melle Daamen, lid van de Raad voor Cultuur, wil niets weten van de kunst als drager van instrinsieke waarden (NRC 16/4). Slechts wat de toeschouwer erin ziet, bepaalt de waarde van de kunst. Bovendien geldt: de meeste stemmen gelden. Anders wordt kunst een zaak van een paar elitaire excentriekelingen. Beauty is in the eye of the beholder. Dat belooft wat voor de toekomst van de kunsten in ons land! Noch thuis, noch op school is er de laatste decennia veel aandacht gegeven aan kunstzinnige vorming. In plaats van individuen worden er consumenten gevormd. In onze tijd bestaat er nog maar één norm: wil de consument het hebben, of niet? Melle Daamen stelt nu, met groot gevoel voor de tijdgeest, dat de consument het voor het zeggen moet hebben. Enige specifieke kennis is niet vereist. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen. Dag Bach, goodbye Rembrandt, kunstenaars die het in hun tijd immers moesten afleggen tegen meer modieuze meesters. Maar wellicht is er voor de Stölzels van onze tijd ook geen plaats meer. Een economische elite zonder ontwikkelde smaak gaat uitsluitend voor gemak en effect. Dat is hun schuld niet, dat is de triomf van de consumentencultuur, van het neoliberalisme. In Engeland wordt er al gepreludeerd op een wereld waarin de staat geen enkele betekenis meer heeft als het gaat om ondersteuning van de kunst en artistieke vorming. Richard Morrison schreef onlangs in het BBC Music Magazine dat het over minder dan tien jaar zover zou kunnen zijn. Arm land, failliete cultuur. Is er een alternatief? Ik moet denken aan de beroemde uitspraak van Giuseppe Verdi: 'laten wij terugkeren naar het verleden, het zal vooruitgang zijn.' Hij bedoelde niet, dat wij het verleden slaafs moeten imiteren, wel dat wij het beste uit de traditie zouden moeten koesteren en moeten proberen erop verder te bouwen. Dat kan alleen in een maatschappij die zich bewust is van haar eigen (artistieke) verleden. Scholing en smaakvorming zijn daarbij onmisbaar. Dat kan ook leuk zijn, zoals DWDD vaak bewees. Het verleden in de ogen en onder ogen zien, dat is wat ook onze regering zou moeten bevorderen.

_________________
Noot van de redactie: dit artikel dateert oorspronkelijk uit 2015, maar heeft aan actualiteitswaarde niet ingeboet.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links