K E

Column

Kerstgedachte 2016:

Hoop is een permanente noodzaak

 

© Emanuel Overbeeke, december 2016

 

Biografieën lees ik met gemengde gevoelens. Enerzijds kan een leven zeer de moeite waard zijn, anderzijds geeft een biografie in wezen geen verklaring voor de keuzen die iemand met zijn achtergrond in zijn situatie maakt en evenmin voor de creatieve reactie daarop. Reacties kunnen zeer begrijpelijk zijn, bijvoorbeeld omdat status, vrijheid en geld in het geding zijn, maar mensen zijn ook eigenzinnige wezens. De figuren uit het verleden die wij nog kennen, vooral de mensen die buiten hun eigen domein bekend raakten, deden iets aparts, namen de consequenties daarvan en toonden moed en vasthoudendheid waardoor zij iets bereikten dat anderen ondenkbaar zouden houden. (Over de aard van de keuze zegt dit natuurlijk nog niets.)

Neem de grootste muzikale inspiratiebronnen uit mijn jeugd. Ik heb vroeger een hoop klassieke muziek thuis gehoord (vóór de komst van Radio 4 deden de bestaande zenders veel aan klassieke muziek!), maar het meest is mij bijgebleven de muziek van Bach, waarschijnlijk omdat dit de lijfcomponist van mijn vader was. Al snel boeiden Bachs instrumentale werken mij meer dan de vocale en de onvoorspelbare meer dan de clichématige. Tot die laatste groep rekende ik de Suites voor orkest, zeker nadat ik ontdekt had dat alle dansen daaruit bestaan uit twee helften en dat bijna alle dansen hetzelfde harmonische patroon hebben. Consequent hierin ben ik niet want hetzelfde patroon bezitten ook de cellosuites en de Goldbergvariaties die tot mijn lijfstukken behoren, onder meer omdat ze meer voor diplomaten dan voor politici lijken te zijn geschreven.

 

Dat een biografie halve informatie geeft, blijkt uit mijn bewondering grosso modo voor de Amerikaanse klavecinist Ralph Kirkpatrick die ik leerde kennen door platen die mij ouders hadden. Ik weet dat velen niet van zijn spel houden (en ik begrijp ook waarom). En ik had wat ik van hem leerde ook van anderen kunnen leren, maar bij hem sloeg de vonk over: de nadruk op een frasering met duidelijke opbouw, afbouw en cesuren, de nadruk op continuïteit door middel van precisie in de uitvoering van ritme en metrum plus de gedachte dat kleine subtiliteiten in een overwegend strak keurslijf vaak een groter effect sorteren dan grote gebaren in een los verband. Door die ontdekking op het spoor gezet, hoorde ik later veel andere opnamen van de Amerikaan. Zijn vertolkingen van de Engelse suites, Goldbergvariaties en concerten bevestigen de mening dat hij uit reactie op de demonstratieve expressie van zijn lerares Wanda Landowska (de grootmoeder aller authentiekelingen) zijn natuurlijke expressiviteit onnodig onderdrukte. Maar zijn vertolkingen van Bachs Franse suites en de partita's – en vooral het repertoire dat Landowska niet speelde zodat zij niet over zijn schouders kon meespelen, met name het moderne plus veel van Scarlatti – lopen over van die natuurlijke kracht. Hoogtepunten zijn de opname uit 1953 met 60 sonates van Scarlatti (heruitgebracht op cd op Urania) en die uit 1961 van een recital met uitsluitend hedendaags werk, nu te vinden op Spotify. Hoewel ik onder meer recensent ben, genoot ik onlangs zeer van de anekdote dat hij in de pauze van een concert de man van een vrouwelijke recensent te lijf ging vanwege haar domme stukken (Kirkpatricks teksten getuigen wél van grote scherpzinnigheid) en dat hij na de woordenwisseling aanzienlijk beter speelde.

 

Wat ik zeker niet van mijn ouders heb, is mijn liefde voor Debussy, Stravinsky, Bartók en de Tweede Weense School. Ik ontdekte deze muziek weliswaar thuis (Debussy en Stravinsky van platen van mijn ouders), maar mijn ouders moedigden het (als ik mij goed herinner) niet expliciet aan noch verhinderden dat omdat het op dat moment hun muziek niet (meer) zou zijn. Ik kreeg zo de kans mijn eigen smaak te ontwikkelen. Daarom is het meer dan jeugdsentiment als ik na zoveel jaar opnieuw luister naar Debussy's Préludes gespeeld door de componist, Pétrouchka door Mitropoulos, Weberns opus 5 (wie kent nog het Amati ensemble?), Schönbergs Drie pianostukken opus 11 door Pi-Hsien Chen (destijds uitgevoerd op een concert, uitgezonden door de VARA – die deed dat toen nog!) en Bartóks Derde strijkkwartet door het Vermeer kwartet op een concert, ook rechtstreeks door de VARA uitgezonden, ik geloof op de zondag dat ‘we' de WK-finale verloren in München – een paar weken na dit concert kocht ik van het geld verdiend met mijn krantenwijk een lp-doos met alle zes de kwartetten door het Hongaars strijkkwartet. Impressionisme en expressionisme vormden mijn kijk op de wereld. Dat ik later van muziek van Boulez ben gaan houden, is denk ik mede omdat hij in zijn muziek impressionisme en expressionisme wist te verenigen, een kwaliteit die ik voor zijn muziek veel bepalender vind dan het eeuwig opgetrommelde serialisme, zoals ik nu ook beter zie dat achter Kirkpatricks analytische benadering een karakter schuil gaat. De waardering van Bach en Mozart kwam pas goed, toen ik ontdekte dat Mozart meer is dan mooi, dramatiek de kern is van zijn oeuvre en schoonheid geen beschaafde façade is maar een levensnoodzaak – en dat Bach veel meer is dan alleen een boegbeeld van het protestantisme. Als ik nu soms tijden niet luister naar Debussy en Stravinsky c.s., dan is dat niet omdat ik niet meer van hun muziek houd (integendeel!), maar omdat ik (hoop ik) de wereld ervan mij heb eigen gemaakt en naar mijn hand heb gezet. Het omgekeerde is natuurlijk ook waar. Een vriend beweerde onlangs dat in mijn boeken over Debussy en Boulez ook veel zit van mij. En als hij dat zegt, zal dat vast kloppen.

Muziek speciaal voor Kerstmis heb ik niet. Kerstmis is in onze cultuur een symbool voor de hoop, zoals andere gevoelens en gedachten zich concentreren op bijvoorbeeld 4 en 5 mei. Hoop is echter een permanente noodzaak. Daarom beluister ik Bachs Weihnachtsoratorium even goed in maart of oktober. De muziek blijft er even goed bij. Ook voor heidenen is het een louterende ervaring.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links