Column

Belangrijke ontdekking in New York:

Mahler en Bruckners Vierde symfonie

 

© Aart van der Wal, september 2018

 

 

In het onlangs verschenen Mahler Nieuws, een uitgave van de Gustav Mahler Stichting Nederland, merkte collega Emanuel Overbeeke op dat Mahler een industrie is op drie verschillende fronten: zijn muziek die vaak in de concertzalen klinkt en waardoor de zaalexploitant zich al bij voorbaat verzekerd weet van een volle bak (zoals over twee jaar weer het Mahlerfeest in Amsterdam), de talloze cd-opnamen die (nog steeds) verschijnen en last but not least de vele muziekwetenschappers die zich met het fenomeen Mahler hebben beziggehouden of nog bezighouden. Misschien is die laatste categorie wel het meest belangrijk, omdat het feitelijk alleen nog de muziekwetenschap is die voor nieuw licht kan zorgen. Op alle overige fronten is immers alles al gezegd, gehoord en gezien, terwijl het voortdurend herkauwen uiteraard geen nieuwe perspectieven oplevert.

Specialistische kennis
Op musicologisch terrein valt er doorgaans wel wat nieuws te melden. Mahler Nieuws is in ons taalgebied ook wat dit betreft een belangrijke bron. Ik publiceerde daarin onlangs een essay over twee nieuwe publicaties die gewijd zijn aan Mahlers onvoltooide Tiende symfonie, na Deryck Cooke's ‘performing version' een van de meest fascinerende Mahlerprojecten ooit. Overbeeke merkt daarbij terecht op dat dergelijke artikelen niet voor een groter publiek bestemd zijn, maar ook dat ze voor geïnteresseerden twee nadelen opleveren. Ten eerste vereisen ze specialistische kennis en ten tweede zijn de auteurs er niet altijd op uit om hun bevindingen, meestal ‘kleine kwesties', een plek te geven in een nieuwe synthese. Voor die synthese moeten we soms wachten tot een nieuw boek voor een breder publiek beschikbaar komt. Echter, het voordeel van het gemis van een synthese is dat de lezer wordt uitgenodigd zelf een synthese te ontwerpen.

Ontdekking in New York
Menigeen zal het gemist hebben: de ontdekking in het archief van het New York Philharmonic van een partituur van Bruckners Vierde symfonie met daarin Mahlers aantekeningen en coupures en voorzien van bijbehorend commentaar. Mahler gebruikte deze partituur voor de eerste uitvoering van het werk door het New York Philharmonic op 30 maart 1910.

Het is echter niet bij die ontdekking gebleven: iedereen kan nu digitaal Mahlers (vaak ver gaande) ingrepen zelf bestuderen. En daar hoeft men gelukkig geen musicoloog voor te zijn. Op die vondst heeft Mahlerkenner Benjamin M. Korstvedt een uitvoerig commentaar geschreven, dat is gepubliceerd in het ‘Journal of the American Musicological Society' (nr. 70, 2017, pag. 357-432, Mahler's Bruckner, between Devotion and Misprision). Wie de muziek in deze ‘vervormde' versie wil horen kan bovendien hier terecht.

Met alle waardering voor het diepgravende werk van Korstvedt: waarom Mahler tot de vele ingrepen kwam en waarom hij het zo en niet anders heeft gedaan blijft ongewis. Wat we wel van Mahlers vele ‘correctiewerk' weten (hij herinstrumenteerde ook symfonieën van Schumann en Beethoven) is dat hij zich specifiek richtte op het als het ware uitbuiten van de nieuwe speltechnische mogelijkheden van het instrumentarium, waar de genoemde componisten in hun tijd nu eenmaal niet over konden beschikken. We kennen dat niet alleen van de dirigent Mahler: ook de dirigent Felix von Weingartner nam Beethovens symfonieën om die reden uitvoerig onder handen. Zoals het heeft zeker ook een rol heeft gespeeld tijdens het proces van de vele ‘herzieningen' die Bruckner - aan zijn eigen kunnen twijfelend of uit puur opportunisme, om zijn werk überhaupt uitgevoerd te krijgen - op aanraden van anderen (met name Schalk en Löwe) later in zijn symfonieën aanbracht.

Maar dat beantwoordt nog steeds de vraag niet waarom Mahler uitgerekend Bruckners ‘Romantische' danig onder handen heeft genomen. Aan de stand van zaken omtrent het beschikbare instrumentarium kan het niet hebben gelegen, want die was in de tweede helft van de negentiende niet veel anders dan die ten tijde van de uitvoering van het werk onder Mahler. Wel ligt de conclusie voor de hand dat Mahler weinig ophad met Bruckners symfonische oeuvre. Dat blijkt althans uit het weinige dat hij van deze componist dirigeerde en dan nog zelden en bovendien met stevige coupures. Dat hoeft geen puur technische reden te zijn geweest en dat is het waarschijnlijk ook niet. Wellicht moeten we de oorzaak wel zoeken in het geheel andere wereldbeeld dat de beide componisten voor ogen stond. Bruckner als de eenvoudige, devote componist met uitgesproken onbeholpen trekken (men hoeft wat dit laatste betreft alleen maar zijn brieven te lezen), en Mahler, de gevierde componist en dirigent, maar ook de kosmopoliet met Europa en Amerika bij wijze van spreken aan zijn voeten. En misschien was het ook wel zo dat Mahler zichzelf als een moderne componist beschouwde die alleen al daardoor tamelijk ver afstond van Bruckner, bij wie hij in Wenen aan het conservatorium wel had gestudeerd en die een belangrijke rol had gespeeld in zijn muzikale ontwikkeling, maar desondanks naarmate zijn muzikale ontwikkeling voortschreed, thuishoorde in de wereld van gisteren. De grote vergezichten die Bruckner in zijn muziek ontvouwde waren van een geheel andere signatuur dan Mahlers inventieve spel met motieven, toonsoorten, zijn ver gevorderde collagetechniek en de door hem bedachte ‘gebroken melodie' (de verdeling ervan over meerdere instrumenten). Zonder het zelf misschien te beseffen vormde de muziek van Mahler toen al een belangrijk tegenwicht tegen de in opkomst zijnde Tweede Weense School. Daarmee bevinden we ons in de kringen van Schönberg, Berg en Webern, zij het toch misschien slechts ten dele, want Bergs hamerslagen in de Drei Orchesterstücke verwijzen net zo duidelijk naar Mahler (Zesde symfonie) als de uitgedunde bezetting van Mahlers Vierde symfonie, de Kindertotenlieder en Das Lied von der Erde in het kader van de zo bekende Verein für Musikalische Privataufführungen. Ook in de muziek is het zwart-witdenken meestal niet verstandig.

Blijft het fascinerende Brucknerbeeld zoals Mahler ons dat postuum voortovert en dat het meer dan waard is om uitvoerig te bestuderen. Niet alleen omdat het ons iets over Mahlers kijk op Bruckners Vierde symfonie vertelt, maar ook omdat het ons iets zegt over de dirigent Mahler. Wat des te belangrijker is in de wetenschap dat wij van Mahlers dirigeren niet meer weten dan wat ooggetuigen daarover hebben verhaald.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links