CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, december 2011

 

 

Wolf-Ferrari: Triptychon op. 19 –
Arabesken über eine Arie von Ettore Tito op. 22 – Divertimento op. 20 – Venezianische Suite op. 18

Münchner Rundfunkorchester o.l.v. Ulf Schirmer

CPO 777 567 • 69' • (sacd)

 

 

 


Ermanno Wolf-Ferrari werd in 1872 geboren als Hermann Friedrich Wolf, en overleed in 1948 als Ermanno Wolf-Ferrari in zijn geboortestad Venetië. In dat ene zinnetje ligt de tweespalt van deze componist besloten, een Duitser in Italië, een Italiaan in Duitsland. Zijn vader was een succesvolle kunstschilder van Beierse komaf, zijn moeder een Italiaanse pianiste. Een bezoek aan Bayreuth op jeugdige leeftijd bracht de jonge Hermann zo in verwarring, dat vaderlief besloot dat een muziekopleiding niet ter sprake kwam, en zijn zoon de kunstacademie in Rome moest gaan volgen. Toen Hermanns muzikale talent niet meer te stuiten was mocht hij gaan studeren bij Rheinberger in München. Na afsluiting van zijn studie en terugkeer naar Venetië trok hij aanvankelijk de aandacht met een oratorium, maar zijn eerste opera, ‘Cenerentola’, was daar geen succes. Dus zocht de jonge componist, die intussen zijn roepnaam in het Italiaans had vertaald, en zijn moeders naam aan die van zijn vader had toegevoegd, zijn heil in papa’s geboortestad, München. Daar sloeg ‘Cenerentola’ wel aan – als ‘Aschenbrödel’. Al snel volgden twee nieuwe opera’s, ‘Le donne curiose’ en ‘I quattro rusteghi’ die succesvol geproduceerd werden in München, uiteraard in hun Duitse gedaantes, ‘Die neugierigen Frauen’ en ‘Die vier Grobiane’. De basis voor deze successen vond Wolf-Ferrari bij de toneelschrijver Carlo Goldoni, wiens toneelstukken een bron van inspiratie voor nog eens drie opera’s zouden worden, in de beste traditie van de Venetiaanse Opera Buffa. Internationaal succes kwam met de eenakter ‘Il Segreto di Susanna’, in Nederland onder operaliefhebbers wellicht nog bekend als ‘Het rookverbod’, een flinterdun verhaal, maar muzikaal in zijn tijd (1909) een voltreffer. De totale ontreddering die de Eerste Wereldoorlog over Europa uitstortte liet ook zijn sporen na in de productie van Wolf-Ferrari. Pas in 1925 presenteerde hij een nieuwe opera, ‘Gli amanti sposi’, alweer gebaseerd op Goldoni en in première gebracht in Venetië. In de daaropvolgende jaren werd Wolf-Ferrari een internationale grootheid met premières in belangrijke operahuizen; zijn bekendheid wedijverde met die van Richard Strauss en Giacomo Puccini.

In een opvallende parallel met de iets oudere Richard Strauss ontstaan op latere leeftijd werken die vooral gekarakteriseerd worden door heimwee naar het verleden. Beide componisten houden zich allang niet meer bezig met de actualiteit, maar wijken uit naar hun eigen verlorengegane muzikale paradijs. De gevolgen ontroeren: het Hoboconcert van Strauss, het Concertino voor althobo en kamerorkest van Wolf-Ferrari; de Metamorphosen van Strauss, het Vioolconcert van Wolf-Ferrari (zijn zwanenzang). Misschien geen meesterwerken, maar wel stukken die zich uit de wurgende greep van de tijdgeest hebben weten los te maken en ons de schoonheid van achter de horizon laten horen.

Het label CPO heeft zich ontfermd over dit late instrumentale deel van het oeuvre van Wolf-Ferrari, en dit is de vierde uitgave in de reeks. De eerste drie delen waren voornamelijk gewijd aan bovengenoemde concertwerken en een Celloconcert, deze keer gaat het om de overblijvende orkestwerken. Om te beginnen het Triptychon (Trittico) op. 19 uit 1936, met de delen ‘Vorgesang’, ‘Den toten Helden’ en ‘Gebet’. Het zijn drie langzame delen met een ingetogen en bespiegelende inslag. Het laatste deel is van een bovenaardse schoonheid die de aanschaf van de cd alleen al rechtvaardigt. Het Divertimento op. 20 is een vierdelige suite, net als op. 18, een ‘Venezianische Suite’, waarin een ‘Barkarolle’ uiteraard niet mag ontbreken. Hier horen we de Wolf-Ferrari van de onderhoudende voor- en tussenspelen uit zijn opera’s. De Duitsers hebben er een mooie uitdrukking voor: ‘gehobene Unterhaltung’. De ‘Arabesken über eine Arie von Ettore Tito’ op. 22 zijn een thema en variaties in de beste Münchense traditie: de afsluitende fuga kijkt nostalgisch terug naar zijn oude leraar Joseph Rheinberger, een componistenmaker met de bijnaam ‘Fugenseppl’.

Het Münchner Rundfunkorchester is het kleine broertje van het Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks, waar Maris Jansons de baton zwaait. Ulf Schirmer is er sinds 2006 chefdirigent, en heeft het orkest in de richting van operette en religieuze muziek nieuwe impulsen gegeven. Samen met zijn manschappen geeft hij verzorgde uitvoeringen van deze partituren; de technici van de Bayerische Rundfunk zorgen voor de warme, doorzichtige opname die dit romantische repertoire verdient. Een zeer informerende toelichting rondt het geheel af. Niet alleen deze uitgave, maar de hele serie van vier cd’s die cpo besteedde aan het instrumentale werk van deze vergeten Kleinmeister is de moeite meer dan waard. Prachtige muziek die je de even uittilt boven de dagelijkse sleur.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links